Eindexamen wiskunde A havo 2021, tijdvak 2: vragen en antwoorden
Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Lichaamslengte, Veiligheidsmonitor, Verdubbelingstijd van geld, Online dating met wiskunde, Bevolkingsgroei, Regenpijpen: dunne of dikke?.
Het centraal examen wiskunde A havo 2021, tijdvak 2 telt 22 vragen. De meeste vragen gaan over statistiek (7), exponentiële groei (5) en lineaire verbanden (3). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.
Onderwerpen in dit examen
| Onderwerp | Vragen | Aantal |
|---|---|---|
| Statistiek | 4-7, 14, 18, 20 | 7 |
| Exponentiële groei | 8-10, 12-13 | 5 |
| Lineaire verbanden | 1-2, 19 | 3 |
| Formules en grafieken | 17, 21-22 | 3 |
| Veranderingen en afgeleide | 15-16 | 2 |
| Normale verdeling | 3 | 1 |
| Machtsverbanden | 11 | 1 |
Vergeleken met andere jaren
Vergeleken met de andere 17 examens wiskunde A havo sinds 2018: dit examen vroeg meer over veranderingen en afgeleide (9% van de vragen, gemiddeld 2%). Minder over formules en grafieken (14% van de vragen, gemiddeld 30%).
Opgaven en correctievoorschrift
De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.
Oefenen als leerling
Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen wiskunde A havo 2021, tijdvak 2 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.
Nakijken als docent
Start gratis vanaf deze pagina
Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen wiskunde A havo 2021, tijdvak 2 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.
Laat de klas het examen maken
Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.
Geef de resultaten vrij
Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.
ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.
Vragen en antwoorden
Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen wiskunde A havo 2021, tijdvak 2. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.
Lichaamslengte
We bekijken een wiskundig model dat het verband geeft tussen de leeftijd van Nederlandse jongens en hun (gemiddelde) lengte op die leeftijd. Dit model gaat uit van drie fases: de kleutertijd (0-3 jaar), de kindertijd (3-10 jaar) en de puberteit (vanaf 10 jaar). Zie de figuur.
figuur lengte jongens
Tijdens de kindertijd neemt de lengte nagenoeg lineair toe. Je kunt dus voor de kindertijd een formule geven waarbij je de lengte L (in centimeter) uitdrukt in de leeftijd t (in jaren).
Vraag 1 4 punten
Stel deze formule op. Geef de getallen in je formule in één decimaal.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerking Het scorepunt van het eerste antwoordelement alleen toekennen als de afgelezen lichaamslengten hoogstens 2 cm afwijken van de lichaamslengte in de figuur én de bijbehorende richtingscoëfficiënt in het interval [5,1 ; 7, 7] ligt.
In de puberteit verloopt de groei niet meer lineair. De lengte van Nederlandse jongens in de puberteit kan worden beschreven met de formule: 50,9 Lj = + 134
1 + 1289,5 · 0,57t Hierin is t de leeftijd in jaren en Lj de lengte in centimeters.
Rond het negentiende levensjaar, aan het eind van de puberteit, is een jongen bijna uitgegroeid. De formule is echter ook te gebruiken voor de jaren na de puberteit.
Vraag 2 4 punten
Bereken hoeveel centimeter jongens volgens de formule nog groeien vanaf de dag dat ze 19 jaar worden. Geef je antwoord in één decimaal.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
- Voor grote waarden van t nadert 0,57t tot 0 (1p)
- Voor de rest van de redenering waaruit volgt dat Lj tot 184,9 (centimeter) nadert (1p)
Opmerking Voor het eerste antwoordalternatief geldt: als een waarde van t wordt ingevuld die een lengte geeft van (afgerond) 184,8 (centimeter), hiervoor geen scorepunten in mindering brengen; als een waarde van t wordt ingevuld die een lengte geeft in het interval van (afgerond) 184,1 tot en met 184,7 (centimeter) voor deze vraag maximaal 3 scorepunten toekennen.
Er is ook een wiskundig model voor de lengte van Nederlandse meisjes in de puberteit: 48,3 Lm = + 122,6
1 + 245, 4 · 0,59t Hierin is t de leeftijd in jaren en Lm de lengte in centimeters.
Het is bekend dat meisjes in de eerste jaren van de puberteit gemiddeld genomen langer zijn dan jongens. Ergens tussen de tiende en dertiende verjaardag is het verschil in lengte tussen jongens en meisjes maximaal.
Vraag 3 3 punten
Bereken dit maximale lengteverschil in centimeters. Geef je antwoord in één decimaal.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- Het verschil in lengte is Lm − Lj (1)
- Beschrijven hoe het maximum van Lm − Lj kan worden berekend (1)
- Het maximale lengteverschil is 2,5 (centimeter) (1)
Veiligheidsmonitor
Hoe ervaren Nederlanders de leefbaarheid van hun woonomgeving? Voelen zij zich er veilig? Hoe vaak zijn ze slachtoffer van criminaliteit en wat vinden ze van het functioneren van de politie? Op dit soort vragen geeft de Veiligheidsmonitor antwoord. De Veiligheidsmonitor is een enquête onder de Nederlandse bevolking, die jaarlijks wordt afgenomen door middel van een representatieve steekproef. In 2015 waren er
111 000 respondenten.
In tabel 1 staat welk percentage in de steekproef het (helemaal) eens was met bepaalde stellingen.
[tabel 1: zie het originele examen] (helemaal) eens In de buurt is het buiten goed verlicht. 76% In de buurt zijn wegen, paden en pleintjes goed onderhouden. 69% In de buurt zijn perken, plantsoenen en parken goed 67% onderhouden. In de buurt zijn goede speelplekken voor kinderen. 62% In de buurt zijn goede voorzieningen voor jongeren. 26%
Met bovenstaande gegevens kun je het 95%-betrouwbaarheidsinterval berekenen voor de proportie van de populatie die het (helemaal) eens is met de stelling dat er in de buurt goede voorzieningen zijn voor jongeren.
Vraag 4 3 punten
Bereken dit 95%-betrouwbaarheidsinterval. Geef je antwoord in drie decimalen.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- (Het steekproefpercentage is 26% dus) de steekproefproportie is 0,26 (1)
- Invullen in de formule voor het 95%-betrouwbaarheidsinterval: 0, 26 · (1 − 0, 26) 0, 26 ± 2 · (1)
- Het antwoord: [0, 257 ; 0, 263] (1)
De respondenten hebben een rapportcijfer gegeven voor de leefbaarheid van hun woonomgeving. De resultaten staan in tabel 2, uitgesplitst naar geslacht en naar herkomst. Hierin staan het gemiddelde rapportcijfer dat elke groep heeft gegeven en de bijbehorende marge. Deze marge is gelijk S aan 2 · , waarin S de standaardafwijking van de gegeven rapportcijfers n binnen de betreffende groep is en n de omvang van die groep in de steekproef.
[tabel 2: zie het originele examen]
gemiddelde marge rapportcijfer (afgerond) geslacht man 7,4 0,0 vrouw 7,4 0,0
herkomst autochtoon 7,5 0,0 westers allochtoon 7,4 0,0 niet-westers allochtoon 7,0 0,0
gehele steekproef 7,4 0,0
Doordat alle groepen behoorlijk groot zijn, is de bijbehorende marge telkens heel klein. In tabel 2 zie je dat voor elke groep de marge, afgerond op één decimaal, gelijk is aan 0,0.
Neem aan dat de helft van de respondenten man was.
Vraag 5 5 punten
Bereken hoe groot de standaardafwijking van de gegeven rapportcijfers van de groep mannen maximaal was. Geef je antwoord in één decimaal.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- De marge moet kleiner zijn dan 0,05 (1)
- n = 55 500 (1)
- Beschrijven hoe de vergelijking 2 · = 0, 05 kan worden opgelost (1)
- De oplossing is S = 5,88... (1)
- De standaardafwijking is dus hoogstens 5,8 (1)
Als je kijkt naar de uitsplitsing naar herkomst en je berekent het gemiddelde van de cijfers 7,5 en 7,4 en 7,0 dan kom je uit op 7,3. Dit komt niet overeen met het gemiddelde rapportcijfer van 7,4 van de gehele steekproef.
Vraag 6 2 punten
Geef hiervan de oorzaak.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerking Voor deze vraag mogen uitsluitend 0 of 2 scorepunten worden toegekend.
De respondenten gaven ook aan of zij wel of geen sociale overlast ervaren. Denk hierbij bijvoorbeeld aan overlast door dronken mensen op straat, drugsgebruik of rondhangende jongeren. De resultaten zijn in tabel 3 in vijf groepen uitgesplitst naar de mate van stedelijkheid van de woonplaats van de respondenten.
[tabel 3: zie het originele examen]
mate van aantal aantal dat sociale stedelijkheid respondenten overlast ervaart zeer sterk 25 222 4590 sterk 27 581 3751 matig 19 219 1768 weinig 19 496 1267 niet 19 482 1052
We bekijken nu de groep respondenten van wie de woonplaats zeer sterk stedelijk is en de groep respondenten van wie de woonplaats niet stedelijk is. Tussen deze twee groepen is er verschil in het wel of niet ervaren van sociale overlast.
Vraag 7 3 punten
Bereken met behulp van het formuleblad of dit verschil groot, middelmatig of gering is.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
- Een kruistabel (1p)
wel sociale overlast geen sociale overlast zeer sterk stedelijk 4590 20 632 niet stedelijk 1052 18 430
4590 ·18 430
- 20 632 ·1052
Verdubbelingstijd van geld
In plaats van geld sparen, kun je ook geld beleggen. Dit brengt wel een risico met zich mee: het kan niet alleen winst opleveren, maar ook verlies.
Iemand stort eenmalig een bedrag in een beleggingsfonds. We gaan er in deze opgave van uit dat dit bedrag exponentieel groeit. Het percentage waarmee het bedrag jaarlijks groeit is het rendement.
Vraag 8 3 punten
Bereken de verdubbelingstijd in jaren als het rendement gelijk is aan 1,5%. Geef je antwoord in twee decimalen.
Bekijk het antwoord
Opmerking Er mag ook gewerkt worden met een concreet beginbedrag.
In de tabel staat de verdubbelingstijd V in jaren voor enkele rendementen P in procenten.
tabel P 2,0 2,5 3,0 3,5 4,0 4,5 5,0 V 35,00 28,07 23,45 20,15 17,67 15,75 14,21
Het lukt Jan niet om de verdubbelingstijd bij een rendement van 2,9% precies te berekenen. Hij besluit gebruik te maken van lineair interpoleren en de waarden in de tabel. Zo zal hij een benadering van de verdubbelingstijd vinden.
Vraag 9 4 punten
Bereken de benadering van de verdubbelingstijd in jaren die hij op deze manier vindt. Geef je antwoord in twee decimalen.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- Bij een toename van het rendement van 2,5% naar 3,0% hoort een afname van de verdubbelingstijd van 28, 07 − 23, 45 ( = 4, 62 ) (jaar) (1)
- Dat is ( = 0,924 ) (jaar) per 0,1% verhoging van het rendement (1)
- Bij een toename van 2,5% naar 2,9% hoort dus een afname van de verdubbelingstijd van 4 · 0, 924 ( = 3, 696 ) (jaar) (1)
- 28, 07 − 3, 696 = 24,374 , dus de gevraagde verdubbelingstijd is 24, 37 (jaar) (1)
Jans benadering van de verdubbelingstijd bij een rendement van 2,9% komt hoger uit dan de precieze verdubbelingstijd. Ook bij elk ander rendement kom je met lineaire interpolatie hoger uit.
Vraag 10 3 punten
Laat dit zien met behulp van een schets.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- Een schets van een afnemend dalende grafiek passend bij de tabel (1)
- Een schets van de lijn tussen twee opeenvolgende punten van die grafiek (1)
- Dus: een lineaire benadering van de verdubbelingstijd is hoger dan de precieze verdubbelingstijd (1)
Er lijkt sprake te zijn van een omgekeerd evenredig verband tussen P en V. Toch is er niet precies sprake van een omgekeerd evenredig verband.
Vraag 11 2 punten
Toon aan dat er inderdaad niet precies sprake is van een omgekeerd evenredig verband.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerking Voor het tweede antwoordalternatief mag voor een niet volledig juist antwoord 1 scorepunt worden toegekend.
In het boek Mijn vermogen van de Consumentenbond staat een eenvoudige vuistregel om de verdubbelingstijd bij een gegeven rendement te schatten:
“Deel het getal 69 door het rendement. De uitkomst is het aantal jaren dat nodig is om het vermogen te verdubbelen.”
Het verschil tussen de verdubbelingstijd uit de tabel en de verdubbelingstijd volgens de vuistregel blijkt niet zo heel groot te zijn.
Vraag 12 3 punten
Bereken bij een rendement van 3,0% het verschil tussen de verdubbelingstijd uit de tabel en die volgens de vuistregel. Geef je antwoord in gehele maanden.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- De verdubbelingstijd is volgens de vuistregel ( = 23 jaar) (1)
- Het verschil met de verdubbelingstijd V uit de tabel is 23, 45 − 23 ( = 0, 45 ) (jaar) (1)
- Het antwoord: 12 · 0, 45 = 5, 4 , dus 5 (maanden) (1)
Met de vuistregel in het kader boven vraag 12 kun je de verdubbelingstijd schatten bij een gegeven rendement. Sommige mensen willen een vuistregel hebben om het omgekeerde te doen: zij willen weten welk rendement nodig is bij een gegeven verdubbelingstijd.
Vraag 13 2 punten
Geef een vuistregel in woorden om het rendement te schatten bij een gegeven verdubbelingstijd in jaren.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerking Voor deze vraag mogen uitsluitend 0 of 2 scorepunten worden toegekend.
Online dating met wiskunde
Sommige mensen proberen een nieuwe relatie te vinden door gebruik te maken van een datingsite. Veel datingsites gebruiken wiskundige technieken om te bepalen in hoeverre twee personen bij elkaar passen. Daarvoor moeten de deelnemers vragenlijsten invullen. Hierin geven zij hun wensen aan, verdeeld over verschillende onderwerpen zoals opleidingsniveau, leeftijd en rookgedrag van de partner.
Voor elk van de verschillende onderwerpen wordt een score berekend. De score op een onderwerp noemt men de aantrekkingskracht op dit onderwerp. Deze score is minimaal 0 (geen aantrekkingskracht) en maximaal 10 (maximale aantrekkingskracht); het hoeft geen geheel getal te zijn.
Om de aantrekkingskracht op het onderwerp ‘leeftijd’ te berekenen wordt formule 1 gebruikt voor personen die het liefst een even oude partner hebben: 2
A = 101−c·L (formule 1) Hierin is A de aantrekkingskracht op het onderwerp ‘leeftijd’, L het leeftijdsverschil in jaren en c een positief getal dat afhangt van hoe vervelend iemand het vindt als de partner toch wat in leeftijd verschilt.
Elsemieke van 35 jaar heeft het liefst een even oude partner. Voor haar geldt c = 0,02 . Elsemieke heeft de keuze uit twee mogelijke partners: een partner van 32 jaar en een partner van 37 jaar. Je kunt nu voor Elsemieke het verschil berekenen in aantrekkingskracht op het onderwerp ‘leeftijd’ tussen deze twee mogelijke partners.
Vraag 14 3 punten
Bereken dit verschil. Geef je antwoord in één decimaal.
Bekijk het antwoord
Opmerking Als de kandidaat L = −3 of L = −2 invult, leidend tot het antwoord 1,7, hiervoor geen scorepunten in mindering brengen.
Voor Madeleine, die ook het liefst een partner heeft die even oud is, geldt c = 0,03 , dus 2
A = 101−0,03·L (formule 2) Naarmate het leeftijdsverschil groter wordt, wordt voor Madeleine de aantrekkingskracht op het onderwerp ‘leeftijd’ kleiner. Je kunt beredeneren dat formule 2 daarmee in overeenstemming is.
Vraag 15 3 punten
Geef deze redenering zonder getallen in te vullen of een schets/tekening van de grafiek van A te maken.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- Als L groter wordt, dan wordt L2 ook groter (1)
- 1 − 0, 03 · L2 wordt dus kleiner (1)
- Dus wordt 101−0,03·L (en dus de aantrekkingskracht op het onderwerp ‘leeftijd’) ook kleiner (1)
Voor Madeleine is het verband tussen L en A niet exponentieel.
Vraag 16 3 punten
Laat dit met berekeningen zien.
Bekijk het antwoord
- Bijvoorbeeld: voor L = 0 , L = 1 , L = 2 geldt respectievelijk A = 10 , A = 9, 33... , A = 7, 58... (1)
- De eerste groeifactor is 0, 93... en de tweede groeifactor is 0,81... (1)
- Deze zijn niet gelijk aan elkaar, dus er is geen exponentieel verband tussen L en A (1)
Harry heeft zich ingeschreven bij datingsite MatchingMe. Deze site gebruikt de aantrekkingskracht op tien onderwerpen (zoals ‘leeftijd’ en ‘rookgedrag’) om voor elke mogelijke partner één eindscore te berekenen. Hoe hoger de eindscore, hoe aantrekkelijker de persoon in zijn geheel wordt gevonden.
MatchingMe twijfelt tussen twee formules om de eindscore E te berekenen:
E = 101 ( A1 + A2 + A3 + A4 + A5 + A6 + A7 + A8 + A9 + A10 ) (formule 3) 1
E = ( A1 · A2 · A3 · A4 · A5 · A6 · A7 · A8 · A9 · A10 )10 (formule 4)
Hierin zijn A1 tot en met A10 de aantrekkingskrachten op de tien onderwerpen.
Harry ziet Bianca op MatchingMe. Haar leeftijd vindt hij perfect, omdat zij even oud is als hij. Maar Bianca rookt en dat vindt hij erg onaantrekkelijk. De aantrekkingskracht op het onderwerp ‘rookgedrag’ is daarom 0.
Bij het gebruik van een van de twee formules zal blijken dat Bianca zeker geen geschikte partner voor Harry is.
Vraag 17 3 punten
Bij welke van de twee formules is dat het geval? Licht je antwoord toe met een berekening.
Bekijk het antwoord
Opmerking Het is niet nodig te controleren dat formule 3 een waarde van E oplevert die groter is dan 0.
In de tabel zie je hoe voor Harry de aantrekkingskracht van twee andere vrouwen, Lizette en Sarah, op elk van de tien onderwerpen is. Ook zie je de standaardafwijking van de scores van Lizette.
tabel
A3 A5 A6 A7 A8 A9 A10 standaard- A1 A2 A4 afwijking
Lizette 1 1 1 1 1 9 9 9 9 9 4 Sarah 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 …
Neem aan dat MatchingMe formule 4 gebruikt om de eindscore E te bepalen.
Vraag 18 3 punten
Laat zien dat degene met de kleinste standaardafwijking in het geheel de aantrekkelijkste is voor Harry.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- Voor Lizette is E = 3 (1)
- Voor Sarah is E = 5 (1)
- De standaardafwijking van de aantrekkingskrachten van Sarah is 0 en dit is kleiner dan 4 (of: de spreiding van de aantrekkingskrachten van Sarah is kleiner dan die van Lizette) (dus is degene met de kleinste standaardafwijking in het geheel de aantrekkelijkste voor Harry) (1)
Bevolkingsgroei
De afgelopen eeuwen is het aantal mensen op aarde sterk toegenomen. Sinds enkele decennia is deze toename aan het afnemen. Een mogelijke verklaring voor het afnemen van de toename is het feit dat het gemiddelde aantal kinderen per vrouw in de loop der tijd kleiner is geworden. Zo kregen vrouwen in 1965 gedurende hun leven gemiddeld 5,0 kinderen, in 2018 was dat aantal afgenomen tot 2,4 kinderen.
Neem aan dat in de periode 1965-2018 het gemiddelde aantal kinderen per vrouw afnam volgens een exponentieel verband en dat die afname zich daarna op dezelfde wijze voortzet.
Vraag 19 4 punten
Bereken het gemiddelde aantal kinderen per vrouw in 2035. Geef je antwoord in één decimaal.
Bekijk het antwoord
Opmerkingen 1
- Als gerekend wordt met (2, 4
- 5, 0) , voor deze vraag maximaal 53
2 scorepunten toekennen. 2, 4
- Als gerekend wordt met : 53 , voor deze vraag maximaal 5, 0
2 scorepunten toekennen.
In figuur 1 zie je de groei van de wereldbevolking sinds 1950 en een voorspelling voor de rest van de eenentwintigste eeuw.
[figuur 1: zie het originele examen]
In figuur 2 zie je het jaarlijkse aantal geboorten wereldwijd, inclusief een voorspelling tot 2050.
[figuur 2: zie het originele examen]
Hoewel de wereldbevolking toeneemt, is het jaarlijks aantal geboorten de afgelopen jaren redelijk stabiel. Het geboortecijfer, het aantal geboorten per jaar per 1000 mensen, neemt dus af.
De figuren 1 en 2 staan vergroot op de uitwerkbijlage.
Vraag 20 3 punten
Bereken met behulp van de figuren op de uitwerkbijlage hoe groot het geboortecijfer in het jaar 2020 was. Geef je antwoord als een geheel getal.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerking De wereldbevolking mag worden afgelezen met een marge van 0,1 miljard mensen, het aantal geboorten met een marge van 1 miljoen.
Het sterftecijfer is het aantal overledenen per jaar per 1000 mensen.
De sterke bevolkingsgroei van de afgelopen 100 jaar kan verklaard worden door het feit dat mensen langer zijn gaan leven door verbeterde levensomstandigheden. Hierdoor is het sterftecijfer gedaald, waardoor er minder mensen stierven dan er geboren werden. Men verwacht echter over een aantal jaren wel weer een lichte toename van het sterftecijfer. In de tabel zie je voor de jaren 2060 en 2080 de verwachte geboortecijfers en sterftecijfers.
tabel
jaar 2060 2080 geboortecijfer 14,0 12,8 sterftecijfer 9,8 10,6
Neem aan dat het geboortecijfer vanaf 2060 lineair afneemt en het sterftecijfer vanaf 2060 lineair toeneemt.
Vraag 21 5 punten
Bereken in welk jaar de bevolkingsgroei dan naar verwachting zal stoppen.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
- De bevolkingsgroei stopt als het verschil tussen het geboortecijfer en het sterftecijfer gelijk is aan 0 (1p)
- Het verschil is in de laatste 20 jaar gedaald van 14, 0
- 9,8 = 4, 2 tot 12,8
- 10, 6 = 2, 2 (1) 4, 2
- 2, 2
- Dus per jaar is het verschil gedaald met = 0,1 (1) 20 2, 2
Regenpijpen: dunne of dikke?
Regenwater dat op een dak valt, komt in de dakgoot terecht en daarna in verticale regenpijpen. Zie figuur 1.
[figuur 1: zie het originele examen]
Ook bij hevige regenval moet het water goed afgevoerd kunnen worden. Je kunt daarvoor bijvoorbeeld meerdere regenpijpen plaatsen en/of kiezen voor dikkere regenpijpen.
Om te berekenen hoe groot de hoeveelheid regen is die de regenpijpen per dakdeel moeten kunnen afvoeren, gebruikt men de volgende formule:
H = 1, 8 · A· f Hierin is H de hoeveelheid af te voeren regen in liters/minuut,
A de oppervlakte van het dakdeel in m2 en f een factor die afhangt van de hellingshoek van het dakdeel.
In de tabel staat de factor f voor verschillende hellingshoeken.
tabel hellingshoek van het dakdeel 0°-45° 46°-60° 61°-85° 86°-90° factor f 1 0,8 0,6 0,3
Boer Pietersma heeft een schuur gebouwd met afmetingen zoals aangegeven in figuur 2. De twee dakdelen, met hellingshoeken van 70° en 30°, zijn rechthoekig van vorm. De dikke verticale lijnstukken stellen regenpijpen voor, maar het ligt nog niet vast hoeveel regenpijpen er moeten komen. De grijze lijnstukken zijn de dakgoten.
figuur 2 voorbeeld met 2 regenpijpen links en 3 regenpijpen rechts
Pietersma moet kiezen voor ofwel allemaal dunne regenpijpen ofwel allemaal dikke regenpijpen. De dunne pijpen hebben een diameter van
70 mm, de dikke hebben een diameter van 100 mm. Een dunne pijp kost € 9 per meter, een dikke kost € 13 per meter.
Je kunt uitrekenen hoeveel water één regenpijp per minuut kan afvoeren. Deze hoeveelheid water heet de capaciteit van de regenpijp. De dikke pijpen hebben uiteraard een grotere capaciteit dan de dunne. Je kunt de capaciteit van een pijp berekenen met de volgende formule:
C = 0,02 · D 2 Hierin is D de diameter (in mm) en C de capaciteit (in liters/minuut).
Er is nog een voorschrift waarmee rekening gehouden moet worden. Om het regenwater via de dakgoot snel genoeg af te kunnen voeren, zijn er eisen aan het minimale aantal regenpijpen:
- Bij gebruik van dunne pijpen geldt: voor elke 10 m dakgoot moet minimaal één pijp worden aangesloten.
- Bij gebruik van dikke pijpen geldt: voor elke 20 m dakgoot moet minimaal één pijp worden aangesloten. Pietersma houdt zich aan de genoemde voorschriften en wil regenpijpen kiezen die zorgen voor de laagste kosten: ofwel allemaal dunne ofwel allemaal dikke.
Vraag 22 9 punten
Onderzoek welk type pijp Pietersma dan moet kiezen: het dunne type of het dikke type.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerkingen
- De berekening van het type pijp waarbij de minste fouten zijn gemaakt, moet worden beoordeeld volgens de antwoordelementen 2 tot en met 6.
- Bij het zevende antwoordelement voor elke fout 1 scorepunt in mindering brengen, tot een maximum van 2 scorepunten.
Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen havo Wiskunde A 2021, tijdvak 2. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2021/havo/documenten/cse-2/ha-1024-a-21-2-o
Andere examens wiskunde A havo
- 2026, tijdvak 1
- 2026, tijdvak 2
- 2025, tijdvak 1
- 2025, tijdvak 2
- 2024, tijdvak 1
- 2024, tijdvak 2
- 2023, tijdvak 1
- 2023, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 1
- 2022, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 3
- 2021, tijdvak 1
- 2021, tijdvak 3
- 2019, tijdvak 1
- 2019, tijdvak 2
- 2018, tijdvak 1
- 2018, tijdvak 2
Hoe ToetsChecker wiskunde A per vraagtype nakijkt, lees je op wiskunde A toetsen nakijken met AI.
Veelgestelde vragen
Hoeveel vragen heeft het eindexamen wiskunde A havo 2021, tijdvak 2?
Het centraal examen wiskunde A havo 2021, tijdvak 2 telt 22 vragen. De meeste vragen gaan over statistiek (7), exponentiële groei (5) en lineaire verbanden (3).
Wat zijn de antwoorden van het examen wiskunde A havo 2021, tijdvak 2?
Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.
Waar vind ik het correctievoorschrift van wiskunde A havo 2021, tijdvak 2?
Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2021/havo/documenten/cse-2/ha-1024-a-21-2-c).
Hoe oefen ik met het examen wiskunde A havo 2021, tijdvak 2 en krijg ik feedback?
Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.