Eindexamen wiskunde A havo 2021, tijdvak 3: vragen en antwoorden

Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Portieprijs, Extreem hoogwater, Schooltevredenheidsonderzoeken, Museumcijfers.

Kort antwoord

Het centraal examen wiskunde A havo 2021, tijdvak 3 telt 20 vragen. De meeste vragen gaan over statistiek (9), lineaire verbanden (7) en exponentiële groei (4). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.

Onderwerpen in dit examen

Onderwerp per vraag in het centraal examen wiskunde A havo 2021, tijdvak 3. Elke vraag is eenmalig door een AI-model bij een onderwerp ingedeeld; per vraag kan dat afwijken.
OnderwerpVragenAantal
Statistiek10-16, 18-199
Lineaire verbanden1-5, 17, 207
Exponentiële groei6-94

Vergeleken met andere jaren

Vergeleken met de andere 17 examens wiskunde A havo sinds 2018: dit examen vroeg meer over lineaire verbanden (35% van de vragen, gemiddeld 13%) en statistiek (45% van de vragen, gemiddeld 32%). Minder over formules en grafieken (0% van de vragen, gemiddeld 31%).

Opgaven en correctievoorschrift

De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.

Oefenen als leerling

Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen wiskunde A havo 2021, tijdvak 3 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.

Nakijken als docent

  1. Start gratis vanaf deze pagina

    Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen wiskunde A havo 2021, tijdvak 3 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.

  2. Laat de klas het examen maken

    Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.

  3. Geef de resultaten vrij

    Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.

ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.

Vragen en antwoorden

Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen wiskunde A havo 2021, tijdvak 3. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.

Portieprijs

Veel restaurants kopen niet-schoongemaakte vis in en maken deze vis zelf schoon. Kop, ingewanden, huid en graten worden dan verwijderd. Van vis die is ingekocht, komt dus in het restaurant maar een deel van het oorspronkelijke gewicht op tafel.

Op een website voor koks staat de onderstaande tabel. In de kolom vuilprijs kan de prijs van de niet-schoongemaakte vis (in euro per kg) ingevuld worden. Daarna wordt automatisch de schoonprijs, de prijs van de schoongemaakte vis (in euro per kg), uitgerekend door de vuilprijs te vermenigvuldigen met het vaste getal dat in de kolom ‘factor’ staat.

tabel Berekening portieprijs vis vissoort vuilprijs factor schoonprijs portie portieprijs (€/kg) (€/kg) (g) (€) forel 7,30 2,3 16,79 150 2,52 kabeljauw … 2,6 … makreel … 2,4 … schol … 2,6 … tong 20,00 2,3 46,00 … tonijn 12,00 2,3 27,60 … zalm … 1,6 …

In de tabel is bijvoorbeeld te zien dat schoongemaakte forel per kg 2,3 keer zo duur is als niet-schoongemaakte forel. In de kolom ‘portie’ kan vervolgens de grootte per portie (in gram), die men op het bord aan de gast wil uitserveren, aangepast worden, waarna automatisch de prijs per portie verschijnt in de laatste kolom ‘portieprijs’. De portieprijs is dus de schoonprijs per portie op het bord, zonder naar de overige kosten te kijken.

Sven is kok in een restaurant. Hij koopt een hele niet-schoongemaakte kabeljauw van 4 kg in voor € 55,00.

Vraag 1 3 punten

Bereken de portieprijs voor een portie kabeljauw van 200 gram.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • De vuilprijs is ( = 13, 75 ) (€/kg) (1)
  • De schoonprijs is 13, 75 · 2, 6 ( = 35, 75 ) (€/kg) (1)
  • 35, 75 · 0, 2 = 7,15 , dus de portieprijs is (€) 7,15 (1)

Sven wil in zijn restaurant zalm serveren in porties van 250 gram met een portieprijs van maximaal € 5,00. Hij heeft tijdens het inkopen bij de vishandel een hele niet-schoongemaakte zalm van 6 kg op het oog.

Vraag 2 3 punten

Bereken wat Sven maximaal voor deze vis wil betalen.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

1000

  • De (maximale) schoonprijs is 5 · ( = 20, 00 ) (€/kg) (1) 250 20
  • Van de 6 (kg) houdt hij deel schoongemaakte zalm over, 1,6 ofwel 3,75 (kg) (1) 3, 75

Sven zet als hoofdgerecht 300 gram tong op de menukaart voor € 23,00. De getoonde prijzen op de menukaart zijn altijd inclusief € 2,00 voor de bijgerechten, zoals groenten, rauwkost, aardappelvariaties en sauzen. Het verschil tussen wat de gast betaalt per gram vis en de kosten voor deze vis per gram voor het restaurant (de schoonprijs in euro per gram), noemen we de verdiensten per gram. Hierbij laten we alle overige kosten buiten beschouwing. Gebruik in deze vraag de schoonprijzen voor tong en tonijn uit de tabel.

Vraag 3 6 punten

Onderzoek voor welke prijs Sven het hoofdgerecht 250 gram tonijn op de menukaart moet zetten om per gram minstens evenveel te verdienen op de tonijn als op de tong.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerking Voor het vijfde antwoordelement mag voor een niet volledig juist antwoord

1 scorepunt worden toegekend.

g ·S Bij de tabel passen de volgende formules: S = a ·V en P = . 1000 Hierin is S de schoonprijs (in €/kg), a de factor, V de vuilprijs (in €/kg), g de portiegrootte (in gram) en P de portieprijs (in €).

Neem aan dat in de volgende vraag a en g constant zijn.

Vraag 4 3 punten

Beredeneer, zonder getallenvoorbeelden te gebruiken, met behulp van bovenstaande formules of de portieprijs twee keer zo groot wordt als de vuilprijs twee keer zo groot wordt.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

  • Er is een (recht) evenredig verband tussen S en V (1p)

Als een vis is schoongemaakt, wordt deze in porties verdeeld. We noemen G het gewicht (in kg) van de niet-schoongemaakte vis. Dan geldt voor het aantal porties A:

1000 · G A= a·g

Hierin is a weer de factor en g weer de portiegrootte (in gram).

Sven wil per vissoort en per portiegrootte een formule van de vorm

G = .... · A , zodat hij snel bij een bepaald aantal porties kan uitrekenen hoeveel kg niet-schoongemaakte vis hij moet inkopen.

Vraag 5 3 punten

Herleid voor porties schol van 150 gram de formule voor A tot de vorm

G = .... · A . Geef het getal dat op de puntjes staat in twee decimalen.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

1000 · G

  • G = 0, 39 · A (1p)

of

1000 · G

  • A= (1) 2, 6 ·150

Extreem hoogwater

Langs de Nederlandse kust wordt dagelijks op verschillende plaatsen en op verschillende momenten de waterstand gemeten. Op het moment dat de waterstand op een bepaalde plaats niet verder meer toeneemt, is er op die plaats sprake van hoogwater. De waterstand die op dat moment gemeten wordt, noemen we de hoogwaterstand. Extreme hoogwaterstanden zijn een gevolg van bijvoorbeeld een zware storm. Men heeft gedurende een lange periode de hoogwaterstanden geregistreerd en daarbij onder andere gekeken naar het aantal keer dat de hoogwaterstand hoger is dan een bepaalde waterhoogte W (in meter boven NAP1)). Dit wordt de overschrijdingsfrequentie f genoemd; deze frequentie wordt uitgedrukt in aantal keer per 10 000 jaar. Er blijkt een exponentieel verband te bestaan tussen de overschrijdingsfrequentie f en de waterhoogte W.

figuur

In de figuur is voor de plaatsen Hoek van Holland (HvH) en Vlissingen (VL) de zogenaamde overschrijdingsfrequentielijn getekend. De overschrijdingsfrequentie f is uitgezet tegen de waterhoogte W. De verticale as heeft een logaritmische schaalverdeling. De figuur staat vergroot op de uitwerkbijlage. Je kunt in de figuur aflezen dat in Hoek van Holland de hoogwaterstand gemiddeld 600 keer per 10 000 jaar hoger is dan 3 meter boven NAP en gemiddeld 1 keer per 10 000 jaar hoger is dan 5 meter boven NAP.

Met behulp van de overschrijdingsfrequentie kun je schatten hoeveel keer een bepaalde hoogwaterstand in de toekomst zal worden overschreden.

Vraag 6 2 punten

Geef op deze wijze een schatting van het aantal keer per 100 jaar dat de hoogwaterstand in Vlissingen hoger zal zijn dan 4 meter boven NAP. Licht je antwoord toe.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Aflezen: f = 500 (1)
  • (dit is 500 keer per 10 000 jaar, dus) het antwoord: 5 (keer per 100 jaar) (1)

noot 1 NAP = Normaal Amsterdams Peil

Bij de rechte lijnen in de figuur horen formules van de vorm f = b · g W . De grafiek van Hoek van Holland gaat door de punten ( 3, 600 ) en ( 5, 1) . Hieruit volgt voor Hoek van Holland het volgende verband tussen de waterhoogte W en de overschrijdingsfrequentie f :

f = 8,8 ·106 · 0,041W

Hierin is de groeifactor in drie decimalen gegeven.

Vraag 7 3 punten

Bereken met behulp van beide gegeven punten de groeifactor in vier decimalen.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerkingen

1 (1)

  • Als gerekend wordt met (1
  • 600) 2 of (600
  • 1) 2 , voor deze vraag maximaal 1 scorepunt toekennen. 1
  • Als gerekend wordt met : 2 , voor deze vraag maximaal 1 scorepunt 600 toekennen.

In de figuur kun je zien: hoe hoger de waterhoogte W, hoe lager de overschrijdingsfrequentie f. Om de overschrijdingsfrequentie te halveren, moet de waterhoogte dus hoger worden.

Vraag 8 4 punten

Onderzoek voor Hoek van Holland hoeveel hoger de waterhoogte moet worden om de overschrijdingsfrequentie te halveren. Geef je antwoord in meter en in één decimaal.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

  • Bijvoorbeeld, op basis van het punt (3, 600) moet de vergelijking 8,8 ·106 · 0, 041W = 300 worden opgelost (1p)
  • 3, 22
    • 3 = 0, 22... , dus het antwoord is 0,2 (m) (1)

of

  • Het kiezen van twee punten op de lijn van Hoek van Holland waarvan de overschrijdingsfrequenties een factor 2 verschillen (1p)
  • Bijvoorbeeld, bij f = 600 is W = 3, 00 en bij f = 300 is W = 3, 2 (2p)
  • 3, 2
    • 3, 00 = 0, 2 , dus het antwoord is 0,2 (m) (1)

Opmerkingen

  • Er mag zijn doorgerekend met de in de vorige vraag berekende niet- afgeronde waarde van de groeifactor.
  • Bij het aflezen van de waarden van W is de toegestane afleesmarge 0,05 m.
  • Voor het tweede antwoordelement van het derde antwoordalternatief mag voor een niet volledig juist antwoord 1 scorepunt worden toegekend.

In de figuur is de overschrijdingsfrequentie van Vlissingen bij elke waterhoogte groter dan die van Hoek van Holland. Er is een waterhoogte waarbij de overschrijdingsfrequentie in Vlissingen

10 keer zo groot is als die in Hoek van Holland.

Vraag 9 3 punten

Bepaal met behulp van de figuur op de uitwerkbijlage bij welke waterhoogte dit het geval is. Licht je werkwijze toe en geef je antwoord in meter en in één decimaal.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • De verticale afstand tussen de grafieken van HvH en VL moet gelijk zijn aan één macht van 10 (1)
  • In de figuur op de uitwerkbijlage de bijbehorende afstand van 2 cm aangeven (1)
  • Het antwoord: 4,6 (of 4,5 of 4,7) (m) (1)

Schooltevredenheidsonderzoeken

Veel scholen doen mee met jaarlijkse schooltevredenheidsonderzoeken. De tevredenheid ten aanzien van verschillende onderwerpen wordt gemeten door per onderwerp aan de hand van een vragenlijst een aantal vragen te stellen. De antwoorden worden per onderwerp omgezet in een score waarbij geldt: hoe hoger de score, hoe groter de tevredenheid.

Er zijn 265 scholen die zowel in 2017 als in 2018 aan een bepaald schooltevredenheidsonderzoek hebben meegedaan. Een van deze scholen is Het Gelder.

In 2018 hebben op Het Gelder 674 leerlingen de vragenlijst ingevuld. Zij vormden een aselecte en representatieve steekproef uit de gehele leerlingenpopulatie van Het Gelder. De school kreeg van deze leerlingen een gemiddelde score van 7,24 op het onderwerp ‘begeleiding’. Het 95%-betrouwbaarheidsinterval voor de gemiddelde score van alle leerlingen van Het Gelder op het onderwerp ‘begeleiding’ was [7,13; 7,35].

Vraag 10 4 punten

Bereken de standaardafwijking die bij deze steekproef hoort op dit onderwerp. Geef je antwoord in drie decimalen.

Bekijk het antwoord

Opmerking Voor een berekening uitgaande van (bijvoorbeeld) 4 · S = 0, 22 maximaal

1 scorepunt toekennen.

In tabel 1 vind je de schoolscore van Het Gelder, de gemiddelde score van de 265 scholen en de ranking van Het Gelder op een aantal onderwerpen voor zowel 2017 als 2018. De ranking van Het Gelder is de plaats van deze school in de complete lijst van alle 265 scholen, waarbij de scholen van hoge naar lage score zijn gerangschikt.

[tabel 1: zie het originele examen]

2017 2018 onderwerp Het alle 265 ranking Het alle 265 ranking Gelder scholen Gelder scholen begeleiding 7,25 7,11 59 7,24 7,04 50 didactisch 6,72 6,60 97 6,65 6,54 90 handelen pedagogisch 6,50 6,36 9 6,40 6,19 7 klimaat huiswerk 6,37 6,01 4 6,10 5,79 3 activiteiten 7,71 7,79 109 7,68 7,75 105

In tabel 1 kun je zien dat Het Gelder in 2018 op het onderwerp ‘huiswerk’ een schoolscore heeft van 6,10, terwijl de gemiddelde score van de

265 scholen slechts 5,79 is. Daarmee staat Het Gelder op plaats 3 bij het onderwerp ‘huiswerk’. Er zijn dus slechts 2 scholen met een nog grotere tevredenheid over het onderwerp ‘huiswerk’ dan Het Gelder.

De leerlingenraad van Het Gelder beweert op basis van tabel 1 dat de tevredenheid op alle in tabel 1 genoemde onderwerpen in 2018 kleiner is dan in 2017. De schoolleiding van Het Gelder beweert op basis van tabel 1 dat ze in 2018 juist op alle in tabel 1 genoemde onderwerpen een grotere schooltevredenheid ziet in vergelijking met 2017.

Vraag 11 2 punten

Geef voor beide beweringen een argument.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Tevredenheid in 2018 kleiner dan in 2017 (of bewering leerlingenraad): de schoolscores op alle onderwerpen zijn in 2018 lager dan in 2017 (1)
  • Tevredenheid in 2018 groter dan in 2017 (of bewering schoolleiding): de ranking van de school is op alle onderwerpen in 2018 beter dan in 2017 (1)

Als we van alle 265 schoolscores in 2018 op het onderwerp ‘activiteiten’ een verdeling zouden maken, dan zou dit geen normale verdeling opleveren. Dit kun je beredeneren aan de hand van de waarden van de schoolscore van Het Gelder, de gemiddelde score van de 265 scholen en de ranking van Het Gelder uit tabel 1.

Vraag 12 3 punten

Geef deze redenering.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Bij de mediaan hoort een ranking van 133 (1)
  • Bij een normale verdeling zou een schoolscore die lager is dan het gemiddelde een ranking van meer dan 133 moeten opleveren (1)
  • De schoolscore (7,68) van Het Gelder ligt onder het gemiddelde (van 7,75), maar heeft juist een ranking van minder dan 133 (namelijk 105) (, dus de schoolscore kan niet normaal verdeeld zijn) (1)

Niet alleen bij leerlingen wordt de schooltevredenheid gemeten, maar ook bij de ouders. Zij krijgen een andere vragenlijst, maar deze lijst bevat ook een aantal stellingen die aan de leerlingen zijn voorgelegd. Een van deze stellingen is de stelling “Ik zou weer voor deze school kiezen”. In tabel 2 zie je voor deze stelling de resultaten uit 2018 van de

674 leerlingen en de 450 ouders van Het Gelder die de vragenlijst hebben ingevuld.

[tabel 2: zie het originele examen] stelling: “Ik zou weer voor deze school kiezen” eens oneens totaal leerlingen 569 105 674 ouders 369 81 450 totaal 938 186 1124

Vraag 13 3 punten

Onderzoek met behulp van het formuleblad of bij deze stelling het verschil tussen de leerlingen en de ouders groot, middelmatig of gering is.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

569 · 81

  • 105 · 369

In tabel 3 staat een andere stelling. Je ziet in tabel 3 de resultaten van een andere school, Het Drentsch College. Deze stelling is in 2018 op die school door 700 leerlingen en 500 ouders beantwoord.

[tabel 3: zie het originele examen] stelling: “De schoolregels zijn duidelijk” leerlingen ouders zeer oneens 7 (1%) 10 (2%) oneens 7 (1%) 15 (3%) zowel eens als oneens 49 (7%) 60 (12%) eens 343 (49%) 225 (45%) zeer eens 294 (42%) 190 (38%)

Met behulp van het formuleblad kun je nagaan dat het verschil tussen de leerlingen en de ouders bij deze stelling gering is. Als er meer ouders hadden gekozen voor ‘zowel eens als oneens’ in plaats van ‘eens’, dan zou het verschil tussen de leerlingen en de ouders groter zijn.

Vraag 14 5 punten

Bereken het minimale aantal ouders dat voor ‘zowel eens als oneens’ in plaats van ‘eens’ had moeten kiezen, zodat het verschil tussen de leerlingen en de ouders volgens het formuleblad niet meer gering zou zijn, maar minstens middelmatig.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerkingen

  • Voor het eerste antwoordelement mag voor een niet volledig juist antwoord 1 scorepunt worden toegekend.
  • Als niet met een cumulatieve frequentietabel wordt gewerkt, voor deze vraag maximaal 2 scorepunten toekennen.

Museumcijfers

Ieder jaar worden er cijfers gepubliceerd over de museumsector in Nederland. In deze opgave bekijken we een aantal van deze museumcijfers.

In tabel 1 staan voor 1 januari 2016 per provincie het aantal musea en het aantal inwoners.

[tabel 1: zie het originele examen] aantal musea aantal inwoners museumdichtheid Groningen 17 583 721 Friesland 26 646 040 4,02 Drenthe 12 488 629 2,46 Overijssel 26 1 144 280 2,27 Flevoland 4 404 068 0,99 Gelderland 52 2 035 351 2,55 Utrecht 28 1 273 613 2,20 Noord-Holland 91 2 784 854 3,27 Zuid-Holland 78 3 622 303 2,15 Zeeland 16 381 252 4,20 Noord-Brabant 41 2 498 749 1,64 Limburg 29 1 116 260 2,60 Nederland 420 16 979 120 2,47

In de laatste kolom van deze tabel staat de zogenoemde museumdichtheid per provincie. Dit is het aantal musea per 100 000 inwoners.

De museumdichtheid van de provincie Groningen ontbreekt in de tabel.

Vraag 15 3 punten

Onderzoek of de museumdichtheid van Groningen hoger of lager is dan de museumdichtheid van heel Nederland.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • In Groningen wonen 5,83721 keer 100 000 inwoners (1)
  • De museumdichtheid van Groningen is = 2,9... (1)
  • (De museumdichtheid van heel Nederland is 2,47, dus) de museumdichtheid van Groningen is hoger dan die van heel Nederland (1)

De provincie Flevoland heeft de laagste museumdichtheid van alle provincies.

Vraag 16 3 punten

Onderzoek hoeveel musea Flevoland er minstens bij zou moeten hebben om een museumdichtheid in deze provincie te hebben die hoger is dan 2,47.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

  • Het maken van een tabel van (met A het aantal musea) (1) 4, 04068
  • A = 9 geeft 2,22… (voldoet niet), A = 10 geeft 2,47… (voldoet wel) (1p)
  • Beschrijven hoe de oplossing A = 9,98... van de vergelijking A = 2, 47 gevonden kan worden (met A het aantal musea) (1) 4, 04068

De Museumkaart is een persoonsgebonden kaart die een jaar lang onbeperkt toegang geeft tot ongeveer 400 musea in heel Nederland. Het aantal Museumkaarthouders is in de periode 2011-2016 sterk gegroeid. In tabel 2 staan de aantallen Museumkaarthouders op 1 januari 2011 en op

1 januari 2016. Neem aan dat de groei in deze periode lineair was.

[tabel 2: zie het originele examen] datum 1-1-2011 1-1-2016 aantal Museumkaarthouders 805 594 1 299 650

Vraag 17 4 punten

Bereken, uitgaande van dezelfde lineaire groei in de daaropvolgende jaren, in welk jaar er voor het eerst meer dan 2 miljoen Museumkaarthouders zullen zijn.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • De toename per 5 jaar is 1 299 650 − 805 594 ( = 494 056 ) (1)
  • De toename per jaar is dus ( = 98 811, 2 of 98 811 ) (1)
  • Er moeten na 1 januari 2016 meer dan 2 000 000 − 1 299 650 ( = 700 350 ) Museumkaarthouders bijkomen (1)
  • Dit duurt = 7, 08... (jaar), dus het antwoord is 2023 (1)

In het jaar 2011 was de Museumkaart goed voor 4,2 miljoen museumbezoeken. Dat was 20% van het totaal aantal museumbezoeken in 2011. In het jaar 2016 was de Museumkaart goed voor 8,5 miljoen museumbezoeken. Dat was toen 26% van het totaal aantal museumbezoeken.

Vraag 18 4 punten

Bereken met hoeveel procent het totaal aantal museumbezoeken is gestegen in de periode 2011-2016. Geef je antwoord in hele procenten.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerking Als is vermenigvuldigd met 0,74 respectievelijk 0,80, voor deze vraag maximaal 2 scorepunten toekennen.

De totale inkomsten van de Nederlandse musea bestaan uit eigen inkomsten en inkomsten uit subsidies. De inkomsten uit subsidies daalden in de periode 2011-2016 tot een bedrag van 508 miljoen euro. Twee mogelijke manieren waarop deze daling zou kunnen zijn verlopen, zijn:

1 elk jaar met een vast bedrag

2 elk jaar met een vast percentage

Vraag 19 4 punten

Beredeneer, zonder getallenvoorbeelden te gebruiken, bij welke van de twee bovenstaande manieren de musea in het jaar 2014 het grootste bedrag aan subsidies hebben ontvangen.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerking Als in de eerste twee antwoordelementen van beide antwoordalternatieven niet duidelijk is vermeld dat het om afname gaat, voor deze vraag maximaal

2 scorepunten toekennen.

In 2016 zijn de inkomsten uit subsidies S (508 miljoen euro) bijna gelijk aan de eigen inkomsten E (516 miljoen euro). Voor de periode na 2016 wordt voorspeld dat de inkomsten uit subsidies jaarlijks met 1% zullen afnemen. Ook wordt voorspeld dat de eigen inkomsten na 2016 jaarlijks met 40 miljoen euro zullen stijgen. Hierbij kunnen de volgende formules worden opgesteld:

S = 508 · 0,99t

E = 516 + 40 · t

Hierin zijn S en E in miljoenen euro en is t het aantal jaren na 2016. Er komt een moment waarop de inkomsten uit subsidies minder dan 25% van de totale inkomsten zullen vormen.

Vraag 20 4 punten

Onderzoek in welk jaar de inkomsten uit subsidies voor het eerst minder dan 25% van de totale inkomsten zullen vormen.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

  • Bij t = 18 geldt S = 423, 9... en E = 1236 (in totaal 1659,9… (mln euro)) (1p)
  • Bij t = 18 is het percentage inkomsten uit subsidies 423,9... ·100 = 25,5... (%) (1) 1659,9...
  • Bij t = 19 geldt S = 419, 6... en E = 1276 (in totaal 1695,6… (mln euro)) (1p)
  • Bij t = 19 is het percentage inkomsten uit subsidies 419, 6... ·100 = 24, 7... (%), dus het antwoord is 2035 (1) 1695, 6...

Opmerking Als in het eerste antwoordalternatief niet met de juiste vergelijking wordt gerekend, voor deze vraag maximaal 2 scorepunten toekennen.

Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen havo Wiskunde A 2021, tijdvak 3. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2021/havo/documenten/cse-3/ha-1024-a-21-3-o

Andere examens wiskunde A havo

Hoe ToetsChecker wiskunde A per vraagtype nakijkt, lees je op wiskunde A toetsen nakijken met AI.

Veelgestelde vragen

Hoeveel vragen heeft het eindexamen wiskunde A havo 2021, tijdvak 3?

Het centraal examen wiskunde A havo 2021, tijdvak 3 telt 20 vragen. De meeste vragen gaan over statistiek (9), lineaire verbanden (7) en exponentiële groei (4).

Wat zijn de antwoorden van het examen wiskunde A havo 2021, tijdvak 3?

Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.

Waar vind ik het correctievoorschrift van wiskunde A havo 2021, tijdvak 3?

Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2021/havo/documenten/cse-3/ha-1024-a-21-3-c).

Hoe oefen ik met het examen wiskunde A havo 2021, tijdvak 3 en krijg ik feedback?

Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.