Eindexamen wiskunde A havo 2025, tijdvak 2: vragen en antwoorden
Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Uitverkoop, Vlindertellingen, wereldbevolking, Eurobankbiljetten.
Het centraal examen wiskunde A havo 2025, tijdvak 2 loopt tot vraag 21. Van 20 vragen staat het onderwerp in de vragenbank. De meeste vragen gaan over statistiek (8), lineaire verbanden (5) en exponentiële groei (4). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.
Onderwerpen in dit examen
| Onderwerp | Vragen | Aantal |
|---|---|---|
| Statistiek | 7-8, 10, 16-19, 21 | 8 |
| Lineaire verbanden | 2-6 | 5 |
| Exponentiële groei | 9, 11-12, 15 | 4 |
| Formules en grafieken | 13-14, 20 | 3 |
Vergeleken met andere jaren
Vergeleken met de andere 17 examens wiskunde A havo sinds 2018: dit examen vroeg meer over lineaire verbanden (25% van de vragen, gemiddeld 13%) en statistiek (40% van de vragen, gemiddeld 32%). Minder over formules en grafieken (15% van de vragen, gemiddeld 30%).
Opgaven en correctievoorschrift
De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.
Oefenen als leerling
Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen wiskunde A havo 2025, tijdvak 2 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.
Nakijken als docent
Start gratis vanaf deze pagina
Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen wiskunde A havo 2025, tijdvak 2 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.
Laat de klas het examen maken
Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.
Geef de resultaten vrij
Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.
ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.
Vragen en antwoorden
Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen wiskunde A havo 2025, tijdvak 2. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.
Uitverkoop
Een schoenenzaak geeft korting op de wintercollectie. Er zijn twee kortingsacties (I en II) die met behulp van posters in de winkel onder de aandacht worden gebracht. Zie figuur 1.
[figuur 1: zie het originele examen] kortingsactie I kortingsactie II
Winter Winter SALE SALE (alleen op de wintercollectie)
(alleen op de wintercollectie) bij aankoop van
2 paar schoenen bij aankoop van elk paar schoenen 2e paar schoenen voor de halve prijs* 20% korting *geldig voor het goedkoopste paar
Twee vriendinnen, Famke en Milla, gaan schoenen kopen.
Famke koopt twee paar schoenen: een paar van 100 euro en een paar van 80 euro. Ze wil gebruikmaken van kortingsactie II.
Vraag 1 3 punten
Bereken hoeveel procent korting Famke krijgt op haar totale aankoop. Geef je antwoord in hele procenten.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Opmerkingen
- Voor het antwoord −22 (%) geen scorepunten in mindering brengen.
- Als in het tweede antwoordelement gedeeld wordt door 140 in plaats van 180, voor deze vraag maximaal 1 scorepunt toekennen.
Milla koopt ook twee paar schoenen: een paar van 100 euro en een paar van 40 euro.
Vraag 2 3 punten
Onderzoek bij welke van de twee kortingsacties Milla de meeste korting krijgt.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
- Kosten bij kortingsactie I: 0,8 ·100 + 0,8 · 40 = 112 (euro) (1p)
- Kosten bij kortingsactie II: 100 + 0,5 · 40 = 120 (euro) (1p)
We bekijken het kopen van twee paar schoenen uit de wintercollectie met korting. In figuur 2 staat langs de verticale as de prijs van het duurste paar en langs de horizontale as de prijs van het goedkoopste paar schoenen.
[figuur 2: zie het originele examen]
In de figuur zijn twee lijnen getekend waardoor er drie gebieden A, B en C zijn. Eén van deze drie gebieden geeft combinaties van prijzen van het duurste en goedkoopste paar schoenen weer, waarbij kortingsactie II voordeliger is dan kortingsactie I.
Vraag 3 3 punten
Welk gebied is dat? Licht je antwoord toe.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
- Bij hetzelfde punt de korting bij kortingsactie I berekenen, bij dit voorbeeld 0, 2 · 80 + 0, 2 ·100 = 36 (euro) (1p)
Ondanks de kortingsacties is de wintercollectie na enkele weken nog steeds niet helemaal verkocht. De schoenenzaak gaat daarom over tot een nieuwe kortingsactie waarin nog meer korting wordt gegeven: de ‘final wintersale’. Zie figuur 3. Deze final wintersale bestaat ook weer uit twee kortingsacties (I en II), waarover het in de rest van deze opgave gaat.
[figuur 3: zie het originele examen] kortingsactie I kortingsactie II
FINAL Winter
FINAL Winter SALE SALE (alleen op de wintercollectie)
(alleen op de wintercollectie) bij aankoop van
2 paar schoenen bij aankoop van elk paar schoenen 2e paar schoenen voor een kwart van de prijs* 30% korting *geldig voor het goedkoopste paar
De meeste klanten denken nu dat bij de aankoop van twee paar schoenen kortingsactie II altijd meer korting oplevert dan kortingsactie I. Dit is echter niet juist.
Stel dat het goedkoopste paar G euro kost en het duurste paar f keer zo duur is. Dan kunnen we de (totale) korting (in euro) berekenen voor beide kortingsacties met de onderstaande formules: Korting bij kortingsactie I: KI = 0,3 · G + 0,3 · f · G Korting bij kortingsactie II: K II = 0,75 · G Als bijvoorbeeld het goedkoopste paar schoenen 30 euro kost en het duurste paar drie keer zo duur is, dan is de totale korting bij kortingsactie I gelijk aan 0,3 · 30 + 0,3 · 3 · 30 = 36 euro.
Stel dat het goedkoopste paar 75 euro kost.
Vraag 4 3 punten
Bereken hoeveel keer zo duur (als het goedkoopste paar) het duurste paar maximaal mag zijn, zodat kortingsactie II minstens evenveel korting oplevert als kortingsactie I.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- De vergelijking 0, 3 · 75 + 0,3 · f · 75 = 0, 75 · 75 moet worden opgelost (1)
- Beschrijven hoe de vergelijking kan worden opgelost (1)
- Het antwoord: 1,5 keer (1)
Met behulp van de formule voor KI kunnen we een formule opstellen voor het bedrag B (in euro) dat de klant uiteindelijk moet betalen bij kortingsactie I:
B = 0,7 · G + 0,7 · f · G
Vraag 5 2 punten
Laat zonder getallenvoorbeelden zien hoe deze formule opgesteld kan worden.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
- Een korting van 30% betekent dat er 70% betaald moet worden, dus vermenigvuldigen met 0,7 (1p)
- In de formule voor kortingsactie I kunnen we (op twee plaatsen) 0,3 vervangen door 0,7 om de formule voor B op te stellen (1p)
Vlindertellingen
Voor de Vlinderstichting tellen vrijwilligers in heel Nederland vlinders vanaf maart tot en met september. Deze vlindertellingen vinden al meerdere jaren plaats. De vrijwilligers tellen dan alle vlinders die ze zien, één keer per week, op een vaste dag en op vaste routes van ongeveer een kilometer.
In 1989 telden vrijwilligers vlinders op 69 vaste routes. Sindsdien steeg het aantal vaste routes waarop vrijwilligers vlinders telden vrijwel lineair tot 394 routes in 2014.
Vraag 6 3 punten
Bereken met behulp van lineair interpoleren het aantal vaste routes in
2002 waarop vrijwilligers vlinders telden.
Bekijk het antwoord
- De toename per 25 jaar is 394 − 69( = 325) (1)
- De toename per jaar is ( = 13) (1)
- Het aantal vaste routes in 2002 is (13 ·13 + 69 = )238 (1)
In figuur 1 zie je per jaar het gemiddeld aantal getelde vlinders per route weergegeven voor de periode 1990-2014. Zo zie je dat in 1990 gemiddeld bijna 600 vlinders per route geteld zijn. Het gemiddelde over de hele periode 1990-2014 is met de horizontale lijn aangegeven. In 1990 is het gemiddeld aantal getelde vlinders per route lager dan het gemiddelde over de periode 1990-2014.
figuur 1 gemiddeld aantal getelde vlinders per route
Vraag 7 3 punten
Onderzoek voor de periode 1990-2014 of de mediaan van het gemiddeld aantal getelde vlinders per route groter of kleiner is dan het gemiddelde over die hele periode.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
- De waarnemingen rangschikken van klein naar groot, met het jaar 2000 als mediaan (2008, 2012, 2004, 2010, 1998, 2007, 2011, 2001, 1993, 1991, 1990, 2005, 2000, 1994, 2006, 1997, 2014, 1999, 2009, 2002, 1996, 2013, 2003, 1992, 1995) (1p)
Tijdens de vlindertelling zijn in een bepaald gebied drie vlindersoorten geteld. In figuur 2 zie je van deze drie vlindersoorten de getelde aantallen in 2020 (zwarte lijn) en de gemiddelde aantallen in de periode 1990-2019 (grijze lijn). De schaalverdeling op de assen is bij elk van de drie grafieken hetzelfde.
[figuur 2: zie het originele examen]
Bij figuur 2 zijn de volgende stellingen geformuleerd: I Deze vlindersoort wordt in 2020 tijdens een kortere periode waargenomen dan gemiddeld in de periode 1990-2019. II Deze vlindersoort is de meest waargenomen vlinder in 2020. III In het voorjaar van 2020 wordt deze vlindersoort vaker waargenomen dan gemiddeld in de periode 1990-2019.
Elke stelling is van toepassing op minstens een van de drie vlindersoorten in figuur 2.
Vraag 8 3 punten
Geef bij elke stelling een vlindersoort waarop die stelling van toepassing is. Licht je antwoord toe.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- Stelling I: Eikenpage; de grafiek van 2020 (boven hoogte 0) is smaller dan die van 1990-2019 (1)
- Stelling II: Bruin zandoogje; de grafiek van 2020 is bij deze vlindersoort breder en hoger dan die bij de andere twee vlindersoorten (1)
- Stelling III: Veldparelmoervlinder (of: Bruin zandoogje); de grafiek van 2020 ligt in het voorjaar (of: tot half mei) boven die van 1990-2019 (1)
In figuur 3 zie je hoe het aantal getelde argusvlinders in een bepaald gebied zich in de loop van de tijd ontwikkeld heeft. De aantallen zijn op een logaritmische schaal weergegeven. figuur 3 argusvlinders
De rechte lijn in figuur 3 is de trendlijn. Volgens deze trendlijn neemt het aantal argusvlinders af.
Vraag 9 4 punten
Bereken met hoeveel procent per jaar het aantal argusvlinders volgens de trendlijn afneemt. Geef je antwoord in één decimaal.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Opmerkingen
- De afgelezen aantallen moeten passen bij de logaritmische schaalverdeling. 1
- Als gerekend wordt met (1000
- 10000) , voor deze vraag maximaal 14
2 scorepunten toekennen. 1000
- Als gerekend wordt met :14 , voor deze vraag maximaal 10000
2 scorepunten toekennen.
- Voor het antwoord
- 15, 2 (%) geen scorepunten in mindering brengen.
Bij de Vlinderstichting worden behalve de gegevens van vlinders ook de gegevens van andere insectensoorten verwerkt, zoals van libellen. In figuur 4 zie je hoe het met de verschillende soortgroepen gaat in 2019. figuur 4 mate van bedreiging per soortgroep 2019
Vraag 10 4 punten
Onderzoek met behulp van het formuleblad of er een groot, middelmatig of gering verschil is tussen vlinders en libellen in de mate van bedreiging.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
- De Vcp-waarden (1p)
vlinders libellen mate van percentage cumulatief percentage cumulatief Vcp bedreiging percentage percentage zeer ernstig (20) 20 (8) 8 (12) bedreigd ernstig (16) 36 (6) 14 (22) bedreigd bedreigd (13) 49 (9) 23 (26) licht (9) 58 (9) 32 (26) bedreigd zeer licht (4) 62 (3) 35 (27) bedreigd niet (38) (100) (65) (100) (0) bedreigd
Opmerking De percentages mogen afgelezen worden met een marge van 1.
wereldbevolking
In 2015 had de Wereldbank de ambitie om het percentage van de wereldbevolking dat in extreme armoede leeft, uiterlijk in het jaar 2030 onder de 3,0 te krijgen. De Wereldbank rapporteert dat in de periode 1990-2015 dit percentage bij benadering jaarlijks met 1 afnam. Neem aan dat deze constante daling zich na 2015 op dezelfde wijze voortzet.
Vraag 11 3 punten
Onderzoek of de ambitie van de Wereldbank volgens deze benadering gehaald zal worden.
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
- 2030 is 15 jaar later dan 2015 (1p)
- In de periode 2015-2030 neemt het percentage met 15 af (1p)
Opmerking Als er wordt gerekend met de (berekende) afname van 1,036 per jaar, hiervoor geen scorepunten in mindering brengen.
We nemen aan dat de wereldbevolking in de periode van 1990-2015 exponentieel groeide en we maken gebruik van de gegevens van 1990 en 2015. Hieruit volgt de volgende formule, die een goede benadering voor de omvang van de wereldbevolking geeft:
B = 5, 28 ·1,013t Hierin is B de wereldbevolking in miljarden en t het aantal jaren na 1990.
Vraag 12 5 punten
Laat zien hoe deze formule uit bovenstaande aanname en de genoemde gegevens volgt.
Bekijk het antwoord
Opmerkingen 1
- Als gerekend wordt met ( 7,36
- 5, 278...) 25 , voor deze vraag maximaal
3 scorepunten toekennen. 7,36
- Als gerekend wordt met : 25 , voor deze vraag maximaal 5, 278...
3 scorepunten toekennen.
noot 1 uitgaande van basisjaar 2011
De internationale armoedegrens is voor iedereen in de wereld gelijk, dus onafhankelijk van het land waarin iemand leeft. Onderzoekers bij de Wereldbank hebben voorgesteld om bij studies naar extreme armoede ook te kijken naar een nationale armoedegrens N (in US$ per persoon per dag2)). Deze grens verschilt per land en ligt hoger naarmate een land welvarender is. Hoe welvarend een land is, wordt uitgedrukt in de welvaartsscore W (in US$ per persoon per dag). In de figuur is van diverse landen het verband weergegeven tussen de nationale armoedegrens N en de welvaartsscore W. Beide assen in de figuur hebben een logaritmische schaalverdeling. Er is een lijn getekend die past bij de losse punten in het rechterdeel van de figuur.
figuur nationale armoedegrens en welvaartsscore
Een land heeft een welvaartsscore van 8.
Vraag 13 2 punten
Bepaal met behulp van de figuur de nationale armoedegrens in dit land.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Opmerking Voor deze vraag mogen uitsluitend 0 of 2 scorepunten worden toegekend.
noot 2 uitgedrukt in US$ ten opzichte van 2011 per persoon per dag (US$ p.p.p.d)
In de figuur is te zien dat de nationale armoedegrens nooit onder de internationale armoedegrens van 1,9 komt. In de figuur is een lijn getekend door de punten met W ≥ 10 . Bij deze lijn past de formule:
N = 0,88 · W 0,83 (formule 1) De onderzoekers gebruikten echter in hun rapport een andere formule: N = 1,00 + 0,5 · W (formule 2) In beide formules is N de nationale armoedegrens van een land en W de welvaartsscore van dat land, beide in US$ per persoon per dag. Beide formules zijn geldig voor W ≥ 10 .
Formule 2 geeft steeds een grotere uitkomst voor N dan formule 1. De onderzoekers konden formule 2 toch gebruiken, omdat de uitkomsten van de twee formules niet veel van elkaar verschillen voor bepaalde welvaartsscores W.
Vraag 14 4 punten
Bereken tot en met welke welvaartsscore W het verschil tussen de uitkomsten van beide formules voor N kleiner is dan 1. Geef je antwoord in één decimaal.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- De vergelijking 1, 00 + 0,5 · W − 0,88 · W 0,83 = 1 moet worden opgelost (1)
- Beschrijven hoe deze vergelijking kan worden opgelost (1)
- De oplossing is W = 27,80... (1)
- Het antwoord: (tot en met een welvaartsscore van) 27,8 (US$ per persoon per dag) (1)
Het gebruik van de nationale armoedegrens in plaats van de internationale armoedegrens leidt tot een andere kijk op de omvang van het probleem van extreme armoede in de wereld.
Voor het aantal mensen dat in extreme armoede leeft, gelden bij benadering de volgende formules: Ai = (35,9
- 1,04 · t ) · 0,0528 ·1,013t
An = (44,2
- 0,51· t ) · 0,0528 ·1,013t Hierin is A i het aantal mensen (in miljarden) dat in extreme armoede leeft bij gebruik van de internationale armoedegrens, A n het aantal mensen (in miljarden) dat in extreme armoede leeft bij gebruik van de nationale armoedegrens en t het aantal jaren na 1990.
Er komt een moment waarop er geen mensen meer in extreme armoede leven, wanneer je uitgaat van de formule van A i .
Vraag 15 5 punten
Bereken hoeveel jaar na 1990 dit het geval is en bereken hoeveel miljard mensen er dan volgens de formule van A n nog wel in extreme armoede leven. Geef je antwoord in een geheel aantal jaren en een geheel aantal miljarden.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
A n mag ook berekend worden met een nauwkeuriger waarde dan 35.
Opmerking
Eurobankbiljetten
In opdracht van De Nederlandsche Bank is in februari 2023 onderzocht hoe (volwassen) Nederlanders het uiterlijk van (euro)bankbiljetten waarderen. Het onderzoek is uitgevoerd door middel van telefonische interviews. Er zijn daarvoor 20 823 telefoonnummers willekeurig door een computer bedacht. Daarvan bleek 51% geen gehoor te geven, in gesprek te zijn of er was sprake van een niet bestaand nummer. De resterende telefoonnummers leverden 1003 deelnemers op die meegedaan hebben aan het telefonisch interview.
De 1003 deelnemers vormen op deze manier een steekproef uit de populatie Nederlanders.
Vraag 16 2 punten
Is hier sprake van een aselecte steekproef? Licht je antwoord toe.
Bekijk het antwoord
Opmerking Voor deze vraag mogen uitsluitend 0 of 2 scorepunten worden toegekend.
Bij de deelnemers aan het telefonisch interview werd gevraagd naar een aantal kenmerken (statistische variabelen) zoals
- het geslacht,
- de leeftijd (in jaren),
- het aantal leden van het huishouden,
- het wel of niet beroepsmatig omgaan met bankbiljetten,
- de provincie waarin men woont.
Vraag 17 2 punten
Geef aan welke van de hierboven genoemde variabelen nominaal zijn.
Bekijk het antwoord
Opmerking Voor ieder foutief of vergeten kenmerk 1 scorepunt in mindering brengen.
In het onderzoek is ook gevraagd naar de waardering van de bankbiljetten. Zie de figuur voor het resultaat.
figuur
Je kunt met de gegevens in de figuur berekenen hoeveel procent van de deelnemers die wel hun waardering van de bankbiljetten hebben gegeven, de bankbiljetten ‘erg mooi’ of ‘tamelijk mooi’ vindt.
Vraag 18 2 punten
Bereken dit percentage in één decimaal.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- (11+35 =)46(%) vindt de bankbiljetten erg mooi of tamelijk mooi (1)
- ·100(%) = 48, 4(%) (1)
Ook in andere jaren is er onderzoek gedaan naar de waardering van bankbiljetten. In de rest van deze opgave gaan we ervan uit dat alle onderzoeken naar de waardering van de bankbiljetten representatief zijn voor Nederlanders.
Om de waardering van de bankbiljetten te meten, gebruikt men de volgende formule om het percentage ‘mooi’ ( Pmooi ) te berekenen:
In deze formule staat bijvoorbeeld aantal ‘erg mooi’ voor het aantal onderzoeksdeelnemers dat aangeeft de bankbiljetten ‘erg mooi’ te vinden.
In 2002 was Pmooi gelijk aan 65. Met de gegevens in de figuur over het onderzoek onder de 1003 deelnemers in 2023 en de formule kunnen we nu Pmooi in 2023 en in 2002 vergelijken.
Vraag 19 4 punten
Bereken het verschil tussen Pmooi in 2023 en Pmooi in 2002. Geef je antwoord in hele procenten.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Opmerking Voor het eerste antwoordelement mag voor een niet volledig juist antwoord
1 scorepunt worden toegekend.
Stel dat een aantal van de onderzoeksdeelnemers die geen waardering hebben gegeven voor de bankbiljetten, bij een heroverweging toch beslissen de bankbiljetten ‘tamelijk lelijk’ te vinden, en dat de overige deelnemers bij hun standpunt blijven. Dan zal de waardering van de bankbiljetten afnemen.
Vraag 20 3 punten
Beredeneer, zonder gebruik te maken van getallenvoorbeelden, dat Pmooi volgens de formule in dit geval inderdaad afneemt.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- Aantal ‘geen waardering gegeven’ wordt kleiner, dus de noemer (van de breuk in de formule voor Pmooi ) wordt groter (1)
- De teller (van de breuk in de formule voor Pmooi ) blijft gelijk (1)
- De breuk in de formule voor Pmooi wordt kleiner (dus het percentage ‘mooi’ neemt af) (1)
De 1003 deelnemers aan het onderzoek in 2023 zijn op basis van het kenmerk ‘wel of niet beroepsmatig omgaan met bankbiljetten’ onderverdeeld in de groepen A en B. Zie de tabel.
tabel percentage deelnemers groep A en B in 2023 groep A beroepsmatig omgaan met bankbiljetten 17,1% groep B niet beroepsmatig omgaan met bankbiljetten 82,9%
Er blijkt een verschil te bestaan tussen groep A en B: 50% van de deelnemers in groep A en 61% van de deelnemers in groep B verwacht dat er over vijf jaar minder met contant geld betaald zal worden.
Vraag 21 5 punten
Onderzoek met behulp van het formuleblad of dit verschil in verwachting groot, middelmatig of gering is.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
- Een correcte kruistabel, bijvoorbeeld (1p)
minder niet minder (totaal) contant contant groep A 86 86 (172) groep B 507 324 (831) (totaal) (593) (410) (1003)
86 · 324
- 86 · 507
Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen havo Wiskunde A 2025, tijdvak 2. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2025/havo/documenten/cse-2/ha-1024-a-25-2-o
Andere examens wiskunde A havo
- 2026, tijdvak 1
- 2026, tijdvak 2
- 2025, tijdvak 1
- 2024, tijdvak 1
- 2024, tijdvak 2
- 2023, tijdvak 1
- 2023, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 1
- 2022, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 3
- 2021, tijdvak 1
- 2021, tijdvak 2
- 2021, tijdvak 3
- 2019, tijdvak 1
- 2019, tijdvak 2
- 2018, tijdvak 1
- 2018, tijdvak 2
Hoe ToetsChecker wiskunde A per vraagtype nakijkt, lees je op wiskunde A toetsen nakijken met AI.
Veelgestelde vragen
Hoeveel vragen heeft het eindexamen wiskunde A havo 2025, tijdvak 2?
Het centraal examen wiskunde A havo 2025, tijdvak 2 loopt tot vraag 21. Van 20 vragen staat het onderwerp in de vragenbank. De meeste vragen gaan over statistiek (8), lineaire verbanden (5) en exponentiële groei (4).
Wat zijn de antwoorden van het examen wiskunde A havo 2025, tijdvak 2?
Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.
Waar vind ik het correctievoorschrift van wiskunde A havo 2025, tijdvak 2?
Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2025/havo/documenten/cse-2/ha-1024-a-25-2-c). Bij dit examen hoort ook een aanvulling op het correctievoorschrift.
Hoe oefen ik met het examen wiskunde A havo 2025, tijdvak 2 en krijg ik feedback?
Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.