Eindexamen wiskunde A havo 2025, tijdvak 1: vragen en antwoorden
Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: CO2 en andere broeikasgassen, Grut van grutto's, Mantelzorgers, Hoe zwaar is een bergbeklimming met de fiets?, Zorg om zorguitgaven.
Het centraal examen wiskunde A havo 2025, tijdvak 1 telt 22 vragen. De meeste vragen gaan over statistiek (9), exponentiële groei (6) en formules en grafieken (5). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.
Onderwerpen in dit examen
| Onderwerp | Vragen | Aantal |
|---|---|---|
| Statistiek | 3, 10-17 | 9 |
| Exponentiële groei | 1-2, 4, 6-7, 22 | 6 |
| Formules en grafieken | 5, 18-21 | 5 |
| Veranderingen en afgeleide | 8-9 | 2 |
Vergeleken met andere jaren
Vergeleken met de andere 17 examens wiskunde A havo sinds 2018: dit examen vroeg meer over exponentiële groei (27% van de vragen, gemiddeld 18%) en statistiek (41% van de vragen, gemiddeld 32%). Minder over lineaire verbanden (0% van de vragen, gemiddeld 15%) en formules en grafieken (23% van de vragen, gemiddeld 29%).
Opgaven en correctievoorschrift
De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.
Oefenen als leerling
Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen wiskunde A havo 2025, tijdvak 1 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.
Nakijken als docent
Start gratis vanaf deze pagina
Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen wiskunde A havo 2025, tijdvak 1 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.
Laat de klas het examen maken
Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.
Geef de resultaten vrij
Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.
ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.
Vragen en antwoorden
Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen wiskunde A havo 2025, tijdvak 1. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.
CO2 en andere broeikasgassen
FORMULEBLAD
Vuistregels voor de grootte van het verschil van twee groepen
2×2-kruistabel $\begin{pmatrix} a & b \\ c & d \end{pmatrix}$, met $\mathit{phi} = \frac{ad - bc}{\sqrt{(a+b)(a+c)(b+d)(c+d)}}$, waarin a, b, c en d absolute aantallen zijn
- als $\mathit{phi} < -0,4$ of $\mathit{phi} > 0,4$, dan zeggen we “het verschil is groot”
- als $-0,4 \le \mathit{phi} \le -0,2$ of $0,2 < \mathit{phi} \le 0,4$, dan zeggen we “het verschil is middelmatig”
- als $-0,2 \le \mathit{phi} \le 0,2$, dan zeggen we “het verschil is gering”
Maximaal verschil in cumulatief percentage (max $V_{cp}$) (met voor beide groepen een steekproefomvang $n > 100$)
- als $\max V_{cp} > 40$, dan zeggen we “het verschil is groot”
- als $20 < \max V_{cp} \le 40$, dan zeggen we “het verschil is middelmatig”
- als $\max V_{cp} \le 20$, dan zeggen we “het verschil is gering”
Effectgrootte $E = \frac{\bar{X}_1 - \bar{X}_2}{\frac{1}{2}(S_1 + S_2)}$, met $\bar{X}_1$ en $\bar{X}_2$ de steekproefgemiddelden ($\bar{X}_1 \ge \bar{X}_2$), $S_1$ en $S_2$ de steekproefstandaardafwijkingen
- als $E > 0,8$, dan zeggen we “het verschil is groot”
- als $0,4 < E \le 0,8$, dan zeggen we “het verschil is middelmatig”
- als $E \le 0,4$, dan zeggen we “het verschil is gering”
Twee boxplots vergelijken
- als de boxen (noot 1) elkaar niet overlappen, dan zeggen we “het verschil is groot”
- als de boxen elkaar wel overlappen en een mediaan van een boxplot buiten de box van de andere boxplot ligt, dan zeggen we “het verschil is middelmatig”
- in alle andere gevallen zeggen we “het verschil is gering”
noot 1 De ‘box’ is het interval vanaf het eerste kwartiel tot en met het derde kwartiel.
Betrouwbaarheidsintervallen
Het 95%-betrouwbaarheidsinterval voor de populatieproportie is $p \pm 2 \cdot \sqrt{\frac{p(1-p)}{n}}$, met $p$ de steekproefproportie en $n$ de steekproefomvang.
Het 95%-betrouwbaarheidsinterval voor het populatiegemiddelde is $\bar{X} \pm 2 \cdot \frac{S}{\sqrt{n}}$, met $\bar{X}$ het steekproefgemiddelde, $n$ de steekproefomvang en $S$ de steekproefstandaardafwijking.
Vraag 1 4 punten
Onderzoek met bovenstaande gegevens en aannames of de genoemde doelstelling gehaald wordt.
Bekijk het antwoord
- Doelstelling is $\frac{15{,}1}{2} = 7{,}55$ (ton per inwoner per jaar) in 2030
- Per jaar is de uitstoot gedaald met $\frac{15{,}1 - 11{,}6}{2017 - 1990} = \frac{3{,}5}{27} (= 0{,}129...)$ (ton per inwoner per jaar)
- Van 2017 tot 2030 is de afname $13 \cdot 0{,}129... (= 1{,}685...)$ (ton per inwoner per jaar)
- In 2030 is de uitstoot $11{,}6 - 1{,}685... (= 9{,}91...)$ (ton per inwoner per jaar) en dat is meer dan 7,55, dus de doelstelling wordt niet gehaald
of
- Doelstelling is $\frac{15{,}1}{2} = 7{,}55$ (ton per inwoner per jaar) in 2030
- Er is per jaar een afname nodig van minimaal $\frac{15{,}1 - 7{,}55}{2030 - 1990} = \frac{7{,}55}{40} (= 0{,}188...)$ (ton per inwoner per jaar)
- Per jaar is de uitstoot gedaald met $\frac{15{,}1 - 11{,}6}{2017 - 1990} = \frac{3{,}5}{27} (= 0{,}129...)$ (ton per inwoner per jaar)
- 0,129... is minder dan 0,188..., dus de doelstelling wordt niet gehaald
CO$_2$ heeft het grootste aandeel in de broeikasgassen die worden uitgestoten. In figuur 1 staat de wereldwijde uitstoot van CO$_2$ per jaar.
Neem aan dat de wereldwijde uitstoot van CO$_2$ in de periode van 1900 tot 1980 exponentieel is gegroeid.
Vraag 2 5 punten
Bereken met de gegevens van 1900 en 1980 in figuur 1 het jaarlijkse groeipercentage in deze periode. Geef je antwoord in één decimaal.
Lijngrafiek van de wereldwijde CO2-uitstoot in miljard ton van 1900 tot 2020, met een schaal van 0 tot 40. Bekijk in Opgaven, pagina 5
Bekijk het antwoord
- CO$_2$-uitstoot in 1900 en 1980 aflezen: 2,5 (miljard ton) respectievelijk 18 (miljard ton)
- De groeifactor per 80 jaar is $\frac{18}{2{,}5} (= 7{,}2)$
- De groeifactor per jaar is $\left(\frac{18}{2{,}5}\right)^{\frac{1}{80}}$
- Dit is 1,0249...
- Het antwoord: 2,5(%)
Opmerkingen
- De CO$_2$-uitstoot in 1900 en 1980 mag afgelezen worden met een marge van 1 (miljard ton).
- Als gerekend wordt met $(18 - 2{,}5)^{\frac{1}{80}}$, voor deze vraag maximaal 3 scorepunten toekennen.
- Als gerekend wordt met $\frac{18}{2{,}5} : 80$, voor deze vraag maximaal 3 scorepunten toekennen.
In figuur 2 staat de top zes van landen met de grootste CO$_2$-uitstoot in 2017. In deze opgave beschouwen we de Europese Unie als één land.
In figuur 3 staat van dezelfde landen de uitstoot van overige broeikasgassen in 2017 weergegeven.
Om de totale uitstoot van broeikasgassen in 2017 van deze landen eerlijk te kunnen vergelijken, wordt er rekening gehouden met het aantal inwoners van elk land. Zo kun je van deze landen een ranglijst maken op basis van de gemiddelde uitstoot van alle broeikasgassen per inwoner per land.
Om de ranglijst te kunnen maken, zijn de getallen in de onderstaande tabel nodig, maar voor China ontbreekt nog de gemiddelde uitstoot van alle broeikasgassen per inwoner in 2017.
| land | aantal inwoners in 2017 (in miljarden) | gemiddelde uitstoot van alle broeikasgassen per inwoner in 2017 (in ton) |
|---|---|---|
| Japan | 0,127 | 11,8 |
| Rusland | 0,145 | 16,6 |
| Verenigde Staten | 0,326 | 20,2 |
| Europese Unie | 0,511 | 9,2 |
| India | 1,339 | 2,7 |
| China | 1,386 | ... |
Vraag 3 4 punten
Bereken voor China de gemiddelde uitstoot van alle broeikasgassen per inwoner in 2017 en geef de ranglijst op basis van de gemiddelde uitstoot.
Figuur 2: staafdiagram van de CO2-uitstoot in 2017 (miljard ton) van China, Verenigde Staten, Europese Unie, India, Rusland en Japan. Figuur 3: balkjes met de uitstoot van overige broeikasgassen in 2017 (miljard ton) van dezelfde landen. Bekijk in Opgaven, pagina 6
Bekijk het antwoord
- Aflezen 10,9 (miljard ton) CO$_2$-uitstoot en 2,6 (miljard ton) overige uitstoot
- Dat geeft 13,5 (miljard ton) totale uitstoot aan broeikasgassen
- De gemiddelde uitstoot van alle broeikasgassen per inwoner in 2017 is $\frac{13{,}5}{1{,}386} (= 9{,}7...)$ (ton)
- De ranglijst: Verenigde Staten, Rusland, Japan, China, Europese Unie, India
Opmerkingen
- De CO$_2$-uitstoot en de overige uitstoot mogen afgelezen worden met een marge van 0,2 (miljard ton) respectievelijk 0,05 (miljard ton).
- In het laatste antwoordelement mag de ranglijst ook in omgekeerde volgorde gegeven worden.
India brengt de uitstoot van broeikasgassen ook in verband met de omvang van het bruto nationaal product van het land. Neem aan dat voor India de volgende formules gelden:
U = 3{,}6 \cdot 1{,}02^{t}
B = 1{,}34 + 0{,}01 \cdot t
BNP = 2597 \cdot 1{,}06^{t}
Hierin is:
- $U$ de uitstoot van alle broeikasgassen (in miljard ton)
- $B$ het aantal inwoners (in miljarden)
- $BNP$ het bruto nationaal product (in miljard US-dollar)
- $t$ het geheel aantal jaren na 2017
De uitkomsten van de formules gelden telkens op het einde van het jaar. Volgens deze formules zal in India de gemiddelde uitstoot van alle broeikasgassen per inwoner ($\frac{U}{B}$) in de jaren na 2017 steeds stijgen. Er komt dan een moment waarop $\frac{U}{B}$ voor het eerst verdubbeld zal zijn ten opzichte van de waarde in 2017.
Vraag 4 5 punten
Bereken in welk jaar dat voor het eerst zal zijn.
Bekijk het antwoord
- In 2017 is de waarde $\frac{3{,}6}{1{,}34} (= 2{,}686...)$
- De vergelijking $\frac{3{,}6 \cdot 1{,}02^{t}}{1{,}34 + 0{,}01 \cdot t} = (2 \cdot 2{,}686...) = 5{,}373...$ moet worden opgelost
- $\frac{3{,}6 \cdot 1{,}02^{51}}{1{,}34 + 0{,}01 \cdot 51} = 5{,}34...$
- $\frac{3{,}6 \cdot 1{,}02^{52}}{1{,}34 + 0{,}01 \cdot 52} = 5{,}41...$
- Voor het eerst in het jaar $(2017 + 52 =) 2069$
of
- In 2017 is de waarde $\frac{3{,}6}{1{,}34} (= 2{,}686...)$
- De vergelijking $\frac{3{,}6 \cdot 1{,}02^{t}}{1{,}34 + 0{,}01 \cdot t} = (2 \cdot 2{,}686...) = 5{,}373...$ moet worden opgelost
- Beschrijven hoe deze vergelijking kan worden opgelost
- De oplossing $t = 51{,}3...$ (dus 52 jaar)
- Voor het eerst in het jaar $(2017 + 52 =) 2069$
Opmerking
Het aantal inwoners in 2017 (1,339 miljard) en de gemiddelde uitstoot van alle broeikasgassen per inwoner in 2017 (2,7 ton) mogen ook uit de tabel worden afgelezen.
De gemiddelde uitstoot van alle broeikasgassen per US-dollar bruto nationaal product ($\frac{U}{BNP}$) laat een dalende trend zien na 2017.
Vraag 5 3 punten
Beredeneer dit aan de hand van de gegeven formules, zonder hierbij gebruik te maken van getallenvoorbeelden of van een schets of tekening van de grafiek van $\frac{U}{BNP}$.
Bekijk het antwoord
- De teller en noemer van de breuk groeien beide exponentieel
- De teller groeit langzamer dan de noemer
- Hierdoor wordt (de waarde van) de breuk ($\frac{U}{BNP}$) steeds kleiner (dus er is sprake van een dalende trend)
of
- De groeifactor in de formule voor het BNP is groter dan de groeifactor in de formule voor de U
- Het BNP wordt dus sneller groter dan de U
- Hierdoor wordt (de waarde van) de breuk ($\frac{U}{BNP}$) steeds kleiner (dus er is sprake van een dalende trend)
Grut van grutto's
De grutto is een weidevogel. Het vrouwtje maakt een nestkuil in het gras en legt daarin haar eieren. Daarna broeden het mannetje en het vrouwtje om beurten. De eieren komen na ongeveer 24 dagen uit.
Als de grutto's tijdens het broeden lastiggevallen worden door andere dieren, bijvoorbeeld een vos of een roofvogel, dan verlaat het broedpaar het nest. Dagelijks gaat hierdoor ongeveer 2% van de nesten verloren.
Vraag 6 3 punten
Bereken hoeveel procent van de nesten in 24 dagen verloren gaat. Geef je antwoord in hele procenten.
Bekijk het antwoord
- De groeifactor (per dag) is 0,98
- $0{,}98^{24} (= 0{,}615...)$
- $((1 - 0{,}615...) \cdot 100 =) 38$ (%) (van de nesten gaat verloren)
24 dagen na het uitkomen van het ei is een kuiken vliegvlug. Dit betekent dat de donsveren hebben plaatsgemaakt voor echte veren en dat het kuiken kan vliegen.
Voor het gewicht van kuikens die opgroeien, geldt in de periode vanaf het uitkomen van het ei tot het moment dat het kuiken vliegvlug is, bij benadering:
G = \frac{273}{1{,}08 + 12{,}5 \cdot 0{,}8^{d}}
(formule 1) Hierin is $d$ het aantal hele dagen na de dag dat het ei uitkwam en $G$ het gewicht van het kuiken in grammen.
Vraag 7 3 punten
Bereken hoeveel keer zo zwaar een kuiken is op de dag dat het vliegvlug is, ten opzichte van de dag dat het ei uitkwam. Geef je antwoord als geheel getal.
Bekijk het antwoord
- Voor $d = 0$ geldt $G = \frac{273}{1{,}08 + 12{,}5 \cdot 0{,}8^{0}} (= 20{,}...)$
- Voor $d = 24$ geldt $G = \frac{273}{1{,}08 + 12{,}5 \cdot 0{,}8^{24}} (= 239{,}...)$
- Het kuiken is $(\frac{239{,}...}{20{,}...} = 11{,}9...$, dus) 12 keer zo zwaar
We kijken nu naar de gewichtstoename per dag van de kuikens. Er geldt bij benadering:
T = 3000 - 0{,}6 G^{2} + 152{,}9 G
(formule 2) Hierin is $G$ het gewicht van het kuiken in grammen en $T$ de gewichtstoename per dag in milligrammen.
Vraag 8 5 punten
Bereken hoeveel dagen na de dag dat het ei uitkwam ($d$) de gewichtstoename per dag ($T$) van het kuiken maximaal is. Geef je antwoord in gehele dagen.
Bekijk het antwoord
- Beschrijven hoe de waarde van $G$ kan worden berekend, waarvoor $T$ maximaal is
- Dit geeft $G = 127{,}...$
- De vergelijking $127{,}... = \frac{273}{1{,}08 + 12{,}5 \cdot 0{,}8^{d}}$ moet worden opgelost
- Beschrijven hoe deze vergelijking kan worden opgelost
- Het antwoord: $d = 11$
of
- Het inzicht om de formule voor $G$ te substitueren in die van $T$
- $T = 3000 - 0{,}6 \left(\frac{273}{1{,}08 + 12{,}5 \cdot 0{,}8^{d}}\right)^{2} + 152{,}9 \left(\frac{273}{1{,}08 + 12{,}5 \cdot 0{,}8^{d}}\right)$
- Beschrijven hoe de waarde van $d$ kan worden berekend, waarvoor $T$ maximaal is
- Het antwoord: $d = 11$
Opmerking
Voor het eerste antwoordelement in het tweede alternatief mogen uitsluitend 0 of 2 scorepunten worden toegekend.
In grasland vinden de grutto's veel prooien, zoals insecten. Naarmate de grutto's ouder worden, kunnen ze steeds grotere prooien vangen. De grootte van een prooi wordt gegeven in milligram droge stof. Voor de maximale grootte van een prooi die grutto's kunnen eten, geldt de formule:
P = 1{,}309 + \frac{2{,}15}{1 + 0{,}74^{\,d-14{,}69}}
(formule 3) Hierin is $P$ de maximale grootte van de prooi in milligram droge stof en $d$ het aantal hele dagen na de dag dat het ei uitkwam.
De maximale grootte van de prooi die een grutto kan eten, nadert op den duur naar een bepaalde waarde.
Vraag 9 3 punten
Beredeneer met behulp van formule 3 welke waarde dit is.
Bekijk het antwoord
- Voor grote waarden van $d$ zal $0{,}74^{d-14{,}69}$ naderen naar 0
- Dan nadert $\frac{2{,}15}{1 + 0{,}74^{d-14{,}69}}$ naar $\frac{2{,}15}{1}$
- De (grens)waarde is $(1{,}309 + 2{,}15 =) 3{,}459$ (mg droge stof)
In vochtig grasland leven meer insecten en andere prooien voor grutto's dan in droog grasland. Er is onderzoek gedaan naar de grondwaterstand in graslanden met een afnemend aantal grutto's en naar de grondwaterstand in graslanden met een stabiel aantal grutto's. De grondwaterstand is de hoogte van het grondwater ten opzichte van het grasoppervlak. De resultaten zijn in onderstaande boxplots verwerkt.
Vraag 10 4 punten
Iemand trekt op basis van dit onderzoek twee conclusies:
- I Er is volgens de vuistregels op het formuleblad een groot verschil tussen de grondwaterstand in graslanden met een afnemend aantal grutto's en de grondwaterstand in graslanden met een stabiel aantal grutto's.
- II De grondwaterstand in graslanden met een afnemend aantal grutto's is normaal verdeeld.
Leg voor elk van deze twee conclusies uit of je die wel of niet kunt trekken op basis van de figuur.
Twee boxplots van de hoogte van het grondwater ten opzichte van het grasoppervlak (cm), voor graslanden met een afnemend aantal grutto's en met een stabiel aantal grutto's. Bekijk in Opgaven, pagina 10
Bekijk het antwoord
Conclusie I kun je wel trekken, met een juiste uitleg
Voorbeeld van een juiste uitleg bij conclusie I: De boxen overlappen elkaar niet, dus er is een groot verschil (in grondwaterstand in graslanden met een afnemend aantal grutto's en in graslanden met een stabiel aantal grutto's).
Conclusie II kun je niet trekken, met een juiste uitleg
Voorbeeld van een juiste uitleg bij conclusie II: De mediaan ligt niet in het midden van de box, dus de verdeling (van de grondwaterstand van graslanden met een afnemend aantal grutto's) is niet symmetrisch. Dan kan deze verdeling geen normale verdeling zijn.
Opmerking
Voor elk antwoordelement mogen uitsluitend 0 of 2 scorepunten worden toegekend.
Het gaat niet zo goed met de grutto. Sinds 1990 daalt het aantal grutto's exponentieel. Twee instanties deden een uitspraak over deze daling:
- Een onderzoeksinstituut gaf aan dat in de periode 1990-2019 het aantal grutto's elke 13 jaar halveerde.
- Vogelbescherming Nederland gaf aan dat het aantal grutto's met twee derde was afgenomen in de periode 1990-2019.
Vraag 11 5 punten
Onderzoek welke uitspraak leidt tot het hoogste aantal grutto's in 2019: die van het onderzoeksinstituut of die van Vogelbescherming Nederland.
Bekijk het antwoord
- Volgens het onderzoeksinstituut is de groeifactor 0,5 per 13 jaar
- Dat is $0{,}5^{\frac{1}{13}} = 0{,}948...$ per jaar
- Volgens Vogelbescherming Nederland is de groeifactor $\frac{1}{3}$ per 29 jaar
- Dat is $\left(\frac{1}{3}\right)^{\frac{1}{29}} = 0{,}962...$ per jaar
- De groeifactor per jaar is volgens Vogelbescherming Nederland (0,962...) groter dan volgens het onderzoeksinstituut (0,948...). In 2019 zijn er volgens Vogelbescherming Nederland meer grutto's
of
- Volgens het onderzoeksinstituut is de groeifactor 0,5 per 13 jaar
- Dat is $0{,}5^{\frac{1}{13}} = 0{,}948...$ per jaar
- Volgens het onderzoeksinstituut is de groeifactor $(0{,}948...)^{29} = 0{,}213...$ per 29 jaar
- Volgens Vogelbescherming Nederland is de groeifactor $\frac{1}{3}$ ($= 0{,}333...$) per 29 jaar
- De groeifactor per 29 jaar is volgens Vogelbescherming Nederland $\frac{1}{3}$ groter dan volgens het onderzoeksinstituut (0,213...), dus in 2019 zijn er volgens Vogelbescherming Nederland meer grutto's
of
- Volgens het onderzoeksinstituut is de groeifactor 0,5 per 13 jaar
- Dat is $0{,}5^{2} = 0{,}25$ per 26 jaar
- Volgens het onderzoeksinstituut is de groeifactor kleiner dan 0,25 per 29 jaar
- Volgens Vogelbescherming Nederland is de groeifactor $\frac{1}{3}$ ($= 0{,}333...$) per 29 jaar
- De groeifactor per 29 jaar is volgens Vogelbescherming Nederland $\frac{1}{3}$ groter dan volgens het onderzoeksinstituut (kleiner dan 0,25), dus in 2019 zijn er volgens Vogelbescherming Nederland meer grutto's
Opmerkingen
- Als bij het eerste of tweede alternatief gerekend wordt met $0{,}5^{\frac{1}{13}}$, voor deze vraag maximaal 3 scorepunten toekennen.
- Als bij het eerste alternatief gerekend wordt met $\left(\frac{1}{3}\right)^{\frac{1}{29}}$, voor deze vraag maximaal 3 scorepunten toekennen.
- Als bij het eerste alternatief gerekend wordt met $0{,}5^{\frac{1}{13}}$ en $\left(\frac{1}{3}\right)^{\frac{1}{29}}$, voor deze vraag maximaal 1 scorepunt toekennen.
Mantelzorgers
Steeds meer ouderen in Nederland blijven langer thuis wonen. Veel ouderen hebben daarbij wel vaak meer zorg nodig. Behalve professionele hulp hebben de meeste ouderen ook mantelzorgers die hen helpen. Mantelzorgers zijn mensen, meestal familieleden, die onbetaald zorg verlenen.
We bekijken de leeftijden van de mantelzorgers. In figuur 1 staan de resultaten uit een representatieve steekproef onder 2749 mantelzorgers van 18 jaar en ouder die zorg verlenen aan ouderen van 85 jaar en ouder.
Op basis van bovenstaande gegevens kun je voor het percentage 50-74-jarigen in de populatie mantelzorgers van 18 jaar en ouder een 95%-betrouwbaarheidsinterval opstellen.
Vraag 12 3 punten
Stel met behulp van het formuleblad dit 95%-betrouwbaarheidsinterval op voor de populatieproportie. Geef de grenzen van het interval als percentages in één decimaal.
Liggende staafgrafiek met de verdeling van mantelzorgers over vier leeftijdsgroepen in procenten: 18-49 jaar (ongeveer 28%), 50-74 jaar, 75-84 jaar en 85 jaar of ouder. Bekijk in Opgaven, pagina 13
Bekijk het antwoord
- Het percentage 50-74-jarige mantelzorgers is $(88 - 28 =) 60$ (%)
- Het 95%-betrouwbaarheidsinterval voor de populatieproportie is $\left[0{,}6 - 2 \cdot \sqrt{\frac{0{,}6 \cdot (1-0{,}6)}{2749}};\ 0{,}6 + 2 \cdot \sqrt{\frac{0{,}6 \cdot (1-0{,}6)}{2749}}\right]$
- Het antwoord: [58,1; 61,9]
Opmerking
De percentages bij de leeftijdsgroep 50-74 jaar mogen afgelezen worden met een marge van 1.
We bekijken twee categorieën ouderen:
- jongere ouderen: 50 tot en met 74 jaar oud
- oudere ouderen: 85 jaar en ouder
Elke jongere oudere is een potentiële mantelzorger. Om het aantal potentiële mantelzorgers per oudere oudere in beeld te brengen, gebruikt men de maatstaf Oldest Old Support Ratio (OOSR); in formulevorm:
\mathrm{OOSR} = \frac{\text{aantal jongere ouderen}}{\text{aantal oudere ouderen}}
Sinds 1975 neemt de OOSR op landelijk niveau af. Ten opzichte van 1975 is het aantal jongere ouderen in 2015 met 25% toegenomen. In diezelfde periode is het aantal oudere ouderen tweeënhalf keer zo groot geworden.
Vraag 13 3 punten
Bereken met hoeveel procent de OOSR in 2015 ten opzichte van 1975 is afgenomen.
Bekijk het antwoord
- Groei jongere ouderen met 25% leidt tot de factor 1,25
- $\mathrm{OOSR}_{2015} = \frac{1{,}25 \cdot \text{aantal jongere ouderen}_{1975}}{2{,}5 \cdot \text{aantal oudere ouderen}_{1975}} = 0{,}5 \cdot \mathrm{OOSR}_{1975}$
- De OOSR is met 50% afgenomen
Opmerking
Het antwoord mag ook gevonden worden met behulp van een getallenvoorbeeld.
Omdat mantelzorgers meestal in de buurt van oudere ouderen wonen, wordt de OOSR ook per gemeente berekend. We vergelijken de OOSR van twee gemeenten met behulp van bevolkingsdiagrammen. Een bevolkingsdiagram is een diagram waarin aan twee kanten de leeftijdsopbouw van de bevolking is weergegeven, links die van de mannen en rechts die van de vrouwen.
In figuur 2 zie je twee bevolkingsdiagrammen (I en II) waarvan er één bij gemeente A hoort en de ander bij gemeente B. Daarbij geldt dat de OOSR van gemeente A groter is dan die van gemeente B.
Vraag 14 4 punten
Beredeneer welk bevolkingsdiagram bij gemeente A hoort.
Figuur 2: twee bevolkingsdiagrammen (I en II) met de leeftijdsopbouw per vijfjaarsklasse van 00-04 tot 95-99 jaar, links mannen en rechts vrouwen (aantal x 1000). Bekijk in Opgaven, pagina 14
Bekijk het antwoord
- Bevolkingsdiagram I heeft minder oudere ouderen dan bevolkingsdiagram II
- Bevolkingsdiagram I heeft meer jongere ouderen dan bevolkingsdiagram II
- Hoe kleiner het aantal oudere ouderen ten opzichte van het aantal jongere ouderen, hoe hoger de OOSR
- Dus bevolkingsdiagram I hoort bij gemeente A
In figuur 3 zijn van alle gemeenten de OOSR's verwerkt in boxplots voor de jaren 2015 en 2020.
We kijken in figuur 3 naar de gemeenten die een OOSR van minder dan 16 hebben. Iemand beweert dat het aantal gemeenten met deze eigenschap in de periode 2015-2020 met een kwart van het totaal aantal gemeenten is toegenomen.
Vraag 15 3 punten
Beredeneer met behulp van figuur 3 of deze bewering juist is.
Figuur 3: twee horizontale boxplots van de OOSR van alle gemeenten in 2015 en in 2020 (schaal 5 tot 35). Bekijk in Opgaven, pagina 14
Bekijk het antwoord
- In 2015 heeft 50% van die gemeenten een OOSR van minder dan 16
- In 2020 heeft 75% van die gemeenten een OOSR van minder dan 16
- (Het gaat in beide jaren om hetzelfde aantal gemeenten en 75% - 50% = 25%, dus) de bewering is juist
Opmerking
De redenering mag ook gegeven worden met behulp van een getallenvoorbeeld.
Aanvulling: Op pagina 12 van het correctievoorschrift moeten bij vraag 15 altijd 3 scorepunten worden toegekend, ongeacht of er wel of geen antwoord gegeven is, en ongeacht het gegeven antwoord. Toelichting: in de tekst boven de vraag ontbreekt de zin: “We nemen aan dat het in beide jaren om hetzelfde aantal gemeenten gaat.” Deze informatie is nodig om de vraag te kunnen beantwoorden.
Als thuis wonen zelfs met hulp van professionals en mantelzorgers niet meer mogelijk is, kunnen mensen in een zorginstelling gaan wonen. Mantelzorgers krijgen dan minder zorgtaken, maar blijven noodzakelijk om bijvoorbeeld de financiën te regelen. Een zorginstelling wil weten wat de bewoners en hun mantelzorgers vinden van de zorg die de zorginstelling biedt. Daarom wordt er een representatieve steekproef genomen uit de bewoners en hun mantelzorgers. De deelnemers aan de steekproef gaven antwoord op de vraag:
In hoeverre bent u tevreden over de geboden zorg?
De uitkomsten van de steekproef staan in figuur 4.
Vraag 16 3 punten
Geef aan van welke twee variabelen er sprake is in dit onderzoek en geef bij elk van deze twee variabelen aan of het een nominale of ordinale variabele is. Licht je antwoord toe.
Figuur 4: horizontale staafdiagram van de tevredenheid (slecht, onvoldoende, voldoende, goed, uitstekend) in procenten, voor bewoners en mantelzorgers. Bekijk in Opgaven, pagina 15
Bekijk het antwoord
- De variabelen in het onderzoek zijn ‘(mate van) tevredenheid’ en ‘soort deelnemer’ (bewoner of mantelzorger)
- ‘(Mate van) tevredenheid’ is logisch te ordenen (en kwalitatief), dus ordinaal
- ‘Soort deelnemer’ is niet logisch te ordenen, dus nominaal
Vraag 17 4 punten
Onderzoek met behulp van het formuleblad of het verschil in de mate van tevredenheid tussen bewoners en mantelzorgers groot, middelmatig of gering is.
Figuur 4: horizontale staafdiagram van de tevredenheid in procenten, voor bewoners en mantelzorgers. Bekijk in Opgaven, pagina 15
Bekijk het antwoord
- De percentages aflezen
- De cumulatieve frequentietabel opstellen
| mate van tevredenheid | bewoners percentage | bewoners cumulatief percentage | mantelzorgers percentage | mantelzorgers cumulatief percentage | Vcp |
|---|---|---|---|---|---|
| slecht | 0 | 0 | 1 | 1 | 1 |
| onvoldoende | 3 | 3 | 1 | 2 | 1 |
| voldoende | 19 | 22 | 27 | 29 | 7 |
| goed | 35 | 57 | 56 | 85 | 28 |
| uitstekend | (43) | (100) | (15) | (100) | (0) |
- max Vcp = 28; (20 < max Vcp ≤ 40, dus) het verschil is middelmatig
Opmerkingen
- De percentages mogen afgelezen worden met een marge van 0,5.
- Voor het tweede antwoordelement mag voor een niet volledig juist antwoord 1 scorepunt worden toegekend.
- Als er geen cumulatieve percentages zijn berekend, voor deze vraag maximaal 1 scorepunt toekennen.
Hoe zwaar is een bergbeklimming met de fiets?
Elke zomer zijn er heel wat Nederlandse wielrenners te vinden op bergwegen in Frankrijk. Deze hele opgave gaat over bergbeklimmingen met de fiets.
Er bestaat een model waarmee de zwaarte van een bergbeklimming met de fiets, berekend kan worden. Volgens dit model geldt:
I = \frac{h^{2}}{10\,000 \cdot w}
(formule 1) Hierin is:
- $I$ de zwaarte-index
- $h$ het hoogteverschil tussen begin- en eindpunt van de beklimming (in meter)
- $w$ de weglengte die tijdens de beklimming wordt afgelegd (in kilometer)
Hoe groter de zwaarte-index, hoe zwaarder de bergbeklimming.
Voor de beklimming van de Franse berg Mont Ventoux geldt een zwaarte-index van 12,1. In Nederland bevindt zich de Vaalserberg. Bij de beklimming van deze berg vanuit het dorp Vaals leg je 2830 meter af om de top te bereiken. Het hoogteverschil bij deze beklimming is 143 meter.
Vraag 18 3 punten
Bereken hoeveel keer zo groot de zwaarte-index van de beklimming van de Mont Ventoux is als die van de beklimming van de Vaalserberg. Geef je antwoord als geheel getal.
Bekijk het antwoord
- $h = 143$ en $w = 2{,}83$
- De zwaarte-index van de beklimming van de Vaalserberg is $\frac{143^{2}}{10\,000 \cdot 2{,}83} (= 0{,}722...)$
- Het antwoord: $\left(\frac{12{,}1}{0{,}722...} = 16{,}7...\right)$, dus de zwaarte-index van de beklimming van de Mont Ventoux is 17 (keer zo groot als die van de beklimming van de Vaalserberg)
De beklimming van de Franse berg Alpe d’Huez start vanuit het dorpje Bourg d’Oisans op een hoogte van 799 meter. Het eindpunt ligt op een hoogte van 1860 meter. De zwaarte-index van deze beklimming is 9,2.
Vraag 19 4 punten
Bereken de weglengte van deze beklimming. Geef je antwoord in gehele kilometers.
Bekijk het antwoord
- $h = 1860 - 799 (= 1061)$
- De vergelijking $\frac{1061^{2}}{10\,000 \cdot w} = 9{,}2$ moet worden opgelost
- Beschrijven hoe deze vergelijking kan worden opgelost
- Het antwoord: 12 (km)
Formule 1 kan worden herleid tot de vorm:
h = 100 \cdot \sqrt{w \cdot I}
(formule 2)
Vraag 20 2 punten
Geef deze herleiding.
Bekijk het antwoord
- $h^{2} = 10\,000 \cdot w \cdot I$
- $h = \left(\sqrt{10\,000 \cdot w \cdot I}\right) = \sqrt{10\,000} \cdot \sqrt{w \cdot I} (= 100 \cdot \sqrt{w \cdot I})$
Iemand zoekt een bergbeklimming met een maximale weglengte van 4 km. De zwaarte-index moet tussen die van de Alpe d’Huez (9,2) en die van de Mont Ventoux (12,1) in liggen. Om zo’n bergbeklimming te vinden, geeft hij met behulp van formule 2 in een assenstelsel het gebied aan met de combinaties van w en h die leiden tot een dergelijke I. Op de uitwerkbijlage is het assenstelsel al getekend.
Vraag 21 3 punten
Teken in het assenstelsel op de uitwerkbijlage het juiste gebied.
Leeg assenstelsel met w (km) van 0 tot 4 op de horizontale as en h (m) van 0 tot 800 op de verticale as, waarin het gebied getekend moet worden. Bekijk in Uitwerkbijlage, pagina 1
Bekijk het antwoord
- Het tekenen van de grafiek die hoort bij I = 9,2
- Het tekenen van de grafiek die hoort bij I = 12,1
- Het aangeven van het gebied tussen deze twee grafieken
Opmerking
Bij het tekenen van de grafieken is verticaal een marge van 2 mm toegestaan.
Zorg om zorguitgaven
In Nederland regelt de Zorgverzekeringswet (Zvw) een verplichte basisverzekering voor alle inwoners. Deze basisverzekering dekt de zorguitgaven aan huisartsen en de zorguitgaven aan specialisten; de som hiervan noemen we de totale zorguitgaven. In 2018 bedroegen de totale zorguitgaven 19,637 miljard euro.
Uit onderzoek blijkt dat er een samenhang bestaat tussen de zorguitgaven aan huisartsen en de zorguitgaven aan specialisten. Als huisartsen meer mogelijkheden krijgen om hun patiënten te helpen, worden de zorguitgaven aan huisartsen hoger en de zorguitgaven aan specialisten lager. In deze opgave onderzoeken we of extra uitgaven aan huisartsenzorg leiden tot lagere totale zorguitgaven als we uitgaan van bepaalde gegevens en aannames.
We bekijken het jaar 2018 en gebruiken de volgende gegevens:
- Er waren 17 miljoen verzekerden die onder de Zvw vielen.
- Alle 17 miljoen verzekerden stonden ingeschreven bij een huisarts.
- 30% van alle verzekerden kreeg van de huisarts een verwijzing naar een specialist.
- In de tabel staan de gemiddelde zorguitgaven per verzekerde zonder of met verwijzing naar een specialist.
tabel: gemiddelde zorguitgaven per verzekerde zonder of met verwijzing naar een specialist (in euro’s)
| gemiddelde zorguitgaven aan huisartsen | gemiddelde zorguitgaven aan specialisten | gemiddelde totale zorguitgaven | |
|---|---|---|---|
| verzekerde zonder verwijzing naar een specialist (70%) | 43 | 0 | 43 |
| verzekerde met verwijzing naar een specialist (30%) | 250 | 3500 | 3750 |
We nemen aan dat in 2018 voor de verzekerden met een verwijzing naar een specialist, elke stijging van 10 euro op de gemiddelde zorguitgaven aan huisartsen leidt tot een daling van 0,5% van hun gemiddelde zorguitgaven aan specialisten. Dus als bijvoorbeeld de 250 euro in de tabel zou stijgen naar 260 euro, dan zou de 3500 euro in de tabel met 0,5% dalen naar 3482,50 euro.
Stel nu dat in 2018 de zorguitgaven aan huisartsen van verzekerden met een verwijzing naar een specialist in totaal 510 miljoen euro hoger zouden zijn.
Vraag 22 6 punten
Onderzoek aan de hand van bovenstaande gegevens en aannames of de totale zorguitgaven in 2018 dan lager zouden zijn dan 19,637 miljard euro.
Bekijk het antwoord
- Het aantal verzekerden met een verwijzing is $0{,}3 \cdot 17 (= 5{,}1)$ miljoen
- Voor deze verzekerden worden de gemiddelde zorguitgaven aan huisartsen $\frac{510\,000\,000}{5\,100\,000} = 100$ (euro) per verzekerde hoger
- Dit leidt tot $\left(\frac{100}{10} =\right) 10$ keer een verlaging met 0,5% van de gemiddelde zorguitgaven aan specialisten per verzekerde met verwijzing
- De gemiddelde zorguitgaven aan specialisten per verzekerde met verwijzing worden $0{,}995^{10} \cdot 3500 (= 3328{,}8...)$ (euro)
- De daling van de gemiddelde zorguitgaven aan specialisten per verzekerde met verwijzing is $3500 - 3328{,}8... = 171{,}11$ (euro)
- Deze daling (171,11 euro) is hoger dan de stijging (100 euro) (en de gemiddelde zorguitgaven van verzekerden zonder verwijzing blijven gelijk), dus de totale zorguitgaven zouden dan lager zijn (dan 19,637 miljard euro)
of
- Zorguitgaven aan huisartsen voor verzekerden met verwijzing waren $250 \cdot 0{,}3 \cdot 17 = 1275$ (miljoen euro) en worden $1275 + 510 = 1785$ (miljoen euro)
- Dit is $\frac{1785}{1275} = 1{,}4$ keer zoveel, dus de gemiddelde zorguitgaven aan huisartsen worden $0{,}4 \cdot 250 = 100$ (euro) hoger per verzekerde met verwijzing
- Dit leidt tot $\left(\frac{100}{10} =\right) 10$ keer een verlaging met 0,5% van de gemiddelde zorguitgaven aan specialisten per verzekerde met verwijzing
- De gemiddelde zorguitgaven aan specialisten per verzekerde met verwijzing worden $0{,}995^{10} \cdot 3500 (= 3328{,}8...)$ (euro)
- De totale zorguitgaven worden $43 \cdot 0{,}7 \cdot 17 + (350 + 3328{,}8...) \cdot 0{,}3 \cdot 17 = 19\,274{,}...$ miljoen (euro)
- De totale zorguitgaven zouden dan lager zijn (want 19 274 miljoen euro is minder dan 19,637 miljard euro)
Opmerking
Als niet met groeifactor 0,995 gerekend wordt, voor deze vraag maximaal 4 scorepunten toekennen.
Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen havo Wiskunde A 2025, tijdvak 1. Figuren en de exacte opmaak staan in het originele examen.
Andere examens wiskunde A havo
- 2026, tijdvak 1
- 2026, tijdvak 2
- 2025, tijdvak 2
- 2024, tijdvak 1
- 2024, tijdvak 2
- 2023, tijdvak 1
- 2023, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 1
- 2022, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 3
- 2021, tijdvak 1
- 2021, tijdvak 2
- 2021, tijdvak 3
- 2019, tijdvak 1
- 2019, tijdvak 2
- 2018, tijdvak 1
- 2018, tijdvak 2
Hoe ToetsChecker wiskunde A per vraagtype nakijkt, lees je op wiskunde A toetsen nakijken met AI.
Veelgestelde vragen
Hoeveel vragen heeft het eindexamen wiskunde A havo 2025, tijdvak 1?
Het centraal examen wiskunde A havo 2025, tijdvak 1 telt 22 vragen. De meeste vragen gaan over statistiek (9), exponentiële groei (6) en formules en grafieken (5).
Wat zijn de antwoorden van het examen wiskunde A havo 2025, tijdvak 1?
Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.
Waar vind ik het correctievoorschrift van wiskunde A havo 2025, tijdvak 1?
Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2025/havo/documenten/cse-1/ha-1024-a-25-1-c). Bij dit examen hoort ook een aanvulling op het correctievoorschrift.
Hoe oefen ik met het examen wiskunde A havo 2025, tijdvak 1 en krijg ik feedback?
Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.