Eindexamen wiskunde A havo 2022, tijdvak 2: vragen en antwoorden
Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Parachutespringen, Spoedeisende ritten van ambulances, B-papier in een enveloppe, Recordtijden van schaatssters, Slanke vleugels, Woningtekort.
Het centraal examen wiskunde A havo 2022, tijdvak 2 loopt tot vraag 21. Van 19 vragen staat het onderwerp in de vragenbank. De meeste vragen gaan over statistiek (7), formules en grafieken (5) en lineaire verbanden (3). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.
Onderwerpen in dit examen
| Onderwerp | Vragen | Aantal |
|---|---|---|
| Statistiek | 6-8, 13-16 | 7 |
| Formules en grafieken | 2, 4-5, 11, 20 | 5 |
| Lineaire verbanden | 1, 19, 21 | 3 |
| Exponentiële groei | 9-10, 12 | 3 |
| Machtsverbanden | 3 | 1 |
Vergeleken met andere jaren
De verdeling over de onderwerpen ligt dicht bij het gemiddelde van de andere 17 examens wiskunde A havo sinds 2018. Geen enkel onderwerp wijkt meer dan zes procentpunten af.
Opgaven en correctievoorschrift
De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.
Oefenen als leerling
Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen wiskunde A havo 2022, tijdvak 2 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.
Nakijken als docent
Start gratis vanaf deze pagina
Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen wiskunde A havo 2022, tijdvak 2 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.
Laat de klas het examen maken
Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.
Geef de resultaten vrij
Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.
ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.
Vragen en antwoorden
Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen wiskunde A havo 2022, tijdvak 2. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.
Parachutespringen
Bij parachutespringen spring je uit een vliegtuig. Eerst maak je enige tijd een vrije val. Tijdens die vrije val is de parachute nog niet geopend. Daarna open je de parachute en land je met een veilige snelheid op de grond.
Bart springt op een hoogte van 4000 meter uit het vliegtuig en maakt dan een vrije val. Na 50 seconden is hij op 1500 meter hoogte en stopt de vrije val, omdat hij dan zijn parachute opent.
Vraag 1 3 punten
Bereken de gemiddelde snelheid in km/uur van Bart tijdens zijn vrije val.
Bekijk het antwoord
Opmerking Voor het antwoord ‒180 (km/uur) geen scorepunten in mindering brengen.
Tijdens de vrije val die Bart maakt, wordt hij afgeremd door de lucht. Daarom duurt de vrije val van Bart langer dan een theoretische vrije val over dezelfde afstand. Een theoretische vrije val is een val ten gevolge van de zwaartekracht zonder dat de val door de lucht wordt afgeremd. Voor de hoogte van een voorwerp tijdens een theoretische vrije val die begint op een hoogte van 4000 meter geldt de formule: h = 4000
- 4,9 · t 2 (formule 1)
Hierin is h de hoogte van het voorwerp tijdens de theoretische vrije val (in meters) en t de tijd (in seconden) vanaf het moment dat de theoretische vrije val begint.
Er kan berekend worden hoeveel seconden de vrije val van Bart van 4000 meter naar 1500 meter langer duurt dan een theoretische vrije val over dezelfde afstand.
Vraag 2 4 punten
Voer deze berekening uit. Geef je antwoord in een geheel aantal seconden.
Bekijk het antwoord
- De vergelijking 1500 = 4000 − 4, 9 · t 2 moet worden opgelost (1)
- Beschrijven hoe deze vergelijking kan worden opgelost (1)
- Dit geeft t = 22,5... (1)
- Het antwoord: ( 50 − 22,5... = ) 27 (seconden) (1)
Figuur 1 is een schets van het globale verloop van een parachutesprong. Nadat de parachutist uit het vliegtuig gesprongen is, maakt hij een vrije val. Zodra de parachute geopend is, neemt de snelheid in korte tijd flink af. Daarna wordt een constante valsnelheid bereikt. Dat wil zeggen: tot aan de landing heeft de parachutist dezelfde valsnelheid.
[figuur 1: zie het originele examen]
De constante valsnelheid op het laatste deel noemen we v (in meters per seconde). Deze snelheid is afhankelijk van de massa m (in kg) van de parachutist (in deze opgave is dat altijd inclusief kleding en parachute) en van de wrijvingscoëfficiënt W van de parachute. Deze wrijvingscoëfficiënt is een getal dat afhangt van onder andere de grootte, de vorm en het materiaal van de parachute. Zo geldt bijvoorbeeld: hoe groter de parachute, hoe groter de wrijvingscoëfficiënt. Bij een grotere wrijvingscoëfficiënt heb je meer wrijving met de lucht, waardoor je minder snel valt. In figuur 2 is voor een aantal waarden van de wrijvingscoëfficiënt W te zien hoe v afhangt van m. Deze figuur staat ook op de uitwerkbijlage.
[figuur 2: zie het originele examen]
We kijken nu naar parachutisten met een massa van 90 kg die sprongen maken met parachutes met verschillende wrijvingscoëfficiënten W.
Vraag 3 3 punten
Onderzoek met behulp van de figuur op de uitwerkbijlage of de constante valsnelheid v van deze personen omgekeerd evenredig is met de wrijvingscoëfficiënt W van de parachutes.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerking Voor W = 10 , W = 20 , W = 30 , W = 40 of W = 50 moet de waarde van v binnen het interval [9,3; 9,5], [6,5; 6,7], [5,3;5,5], [4,6; 4,8] respectievelijk [4,1; 4,3] liggen.
Bij figuur 2 hoort de volgende formule voor de constante valsnelheid: m v = 3,13 · (formule 2) W Hierin is v de constante valsnelheid in meters per seconde, m de massa van de parachutist in kg en W de wrijvingscoëfficiënt van de parachute.
Tina is een parachutist met een massa van 79 kg. De wrijvingscoëfficiënt van haar parachute is 45. Met deze parachute maakt zij een sprong. Precies 34 seconden na de afsprong is zij op 1300 meter hoogte en bereikt zij haar constante valsnelheid. Op dat moment start het laatste gedeelte van haar parachutesprong.
Vraag 4 3 punten
Bereken met behulp van formule 2 hoelang haar totale sprong duurt. Geef je antwoord in een geheel aantal seconden.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- v = 3,13 · = 4,14... (m/s) (1)
- Het laatste gedeelte van Tina’s sprong duurt (= 313, 46...) (s) (1)
- Haar totale sprong duurt (313, 46... + 34 =) 347 (s) (1)
We kijken nu naar één bepaalde parachute met een wrijvingscoëfficiënt van 40. Personen met verschillende massa’s kunnen met deze parachute gaan springen. Formule 2 kan dan worden herleid tot de volgende vorm:
v = ... · m (formule 3)
Vraag 5 3 punten
Geef deze herleiding. Geef daarbij het getal op de puntjes in twee decimalen.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- v = 3,13 · (1)
- v = 3,13 · (of v = 3,13 · ) (1)
- (v = · m , dus) v = 0, 49 · m (1)
Spoedeisende ritten van ambulances
De ambulancezorg is in Nederland per regio georganiseerd. Er zijn 25 regio’s. Elke regio heeft zijn eigen Regionale Ambulancevoorziening (RAV). Elke RAV beschikt over een aantal ambulances en een meldkamer.
Wanneer er een melding bij de meldkamer binnenkomt, moet men de mate van urgentie van de melding vaststellen en zorgen voor de inzet van een ambulance: een ambulancerit. De mate van urgentie kan zijn:
- Hoge urgentie: de benodigde zorg is spoedeisend en er is sprake van direct levensgevaar voor de patiënt. We noemen dit een A1-rit.
- Lage urgentie: de benodigde zorg is spoedeisend, maar er is geen direct levensgevaar voor de patiënt. We noemen dit een A2-rit.
- Geen urgentie: de benodigde zorg is niet spoedeisend. We noemen dit een B-rit.
De responstijd is de tijd tussen het aannemen van de telefoon in de meldkamer en de aankomst van de ambulance bij de patiënt.
In een rapport over de ambulancezorg in Nederland spelen de volgende vier statistische variabelen een rol:
- regio
- mate van urgentie (van een melding bij de meldkamer)
- aantal ambulanceritten (per jaar per regio)
- responstijd (van een ambulancerit)
Op de uitwerkbijlage staan deze vier variabelen in een tabel.
Vraag 6 4 punten
Geef voor elk van de vier variabelen in de tabel op de uitwerkbijlage aan welke soort variabele het betreft. Zet per variabele precies één kruisje.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerking Voor elke variabele geldt: 1 scorepunt toekennen als één keuze is gemaakt en deze keuze juist is.
In de rest van de opgave kijken we alleen naar A1-ritten en A2-ritten. Omdat er bij A1-ritten sprake is van direct levensgevaar voor de patiënt, zijn de responstijden van deze ritten over het algemeen korter dan de responstijden van de A2-ritten.
In de figuur staan de relatieve cumulatieve frequentiepolygonen van de responstijden van de A1-ritten en die van de responstijden van de A2-ritten in 2014. De figuur staat twee keer op de uitwerkbijlage vergroot afgedrukt. In de figuur is niet aangegeven welke polygoon bij de A1-ritten hoort en welke bij de A2-ritten.
figuur
Vraag 7 3 punten
Bepaal met behulp van de figuur op de uitwerkbijlage de interkwartielafstand van de responstijd van de A1-ritten. Geef hierbij aan welke polygoon je gebruikt hebt en licht je keuze toe.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerking De kwartielen mogen afgelezen worden met een marge van 0,5 minuten.
Het gedeelte van de rechter polygoon waarbij de responstijden tussen
18 en 30 minuten liggen, kan benaderd worden met de grafiek van een formule van de volgende vorm: 100 P=
1 + 27 · a t Hierin is P het cumulatieve percentage, t de responstijd in minuten en a een getal.
Vraag 8 4 punten
Bepaal de waarde van a. Geef je antwoord in één decimaal. Je kunt hierbij gebruikmaken van de figuur op de uitwerkbijlage.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerking Het cumulatieve percentage mag worden afgelezen met een marge van
1 procent.
B-papier in een enveloppe
Papier is er in verschillende soorten en maten. Een internationaal gebruikt formaat is het B-formaat. Bij dit formaat is een vel papier met een breedte van 1000 mm en een hoogte van 1414 mm als basisformaat gekozen. Dit is het zogenaamde B0-formaat. Als een vel papier met B0-formaat gehalveerd wordt, ontstaat een vel papier in B1-formaat, waarvan de afmetingen 707 mm bij 1000 mm zijn. Opnieuw halveren geeft een vel papier in B2-formaat, dat gehalveerd een vel papier in B3-formaat oplevert, enzovoorts. Zie de figuur.
figuur
Het kleinste B-formaat dat gebruikt wordt, is het B10-formaat.
Vraag 9 3 punten
Bereken de afmetingen van een vel papier in B10-formaat. Geef je antwoord in een geheel aantal mm.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerkingen
- Als in het eerste antwoordalternatief beide keren gedeeld wordt door
210 of in het tweede antwoordalternatief bij elke stap beide waarden gehalveerd worden, voor deze vraag maximaal 1 scorepunt toekennen.
- Zowel voor het antwoord ‘breedte is 31 (mm) en hoogte is 44 (mm)’ als voor ‘breedte is 44 (mm) en hoogte is 31 (mm)’ geen scorepunten in mindering brengen.
- Voor het eerste antwoordelement van het tweede alternatief mag voor een niet volledig juist antwoord 1 scorepunt worden toegekend.
In de rest van deze opgave kijken we naar de oppervlakte van papier en enveloppen. Het gaat dan telkens om de oppervlakte van de voorkant. Er geldt: oppervlakte = breedte × hoogte.
De oppervlakte van een vel papier in B4-formaat is 88 375 mm2. Om zo’n vel papier ongevouwen te versturen is een speciaal formaat enveloppe ontwikkeld, de zogenaamde EB4-enveloppe.
Een enveloppe in EB4-formaat heeft een breedte b van 262 mm en een hoogte h van 371 mm. De oppervlakte van deze enveloppe is groter dan de oppervlakte van een vel papier in B4-formaat.
Vraag 10 3 punten
Bereken hoeveel procent groter. Geef je antwoord in gehele procenten.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- De oppervlakte van de enveloppe is 262 · 371 = 97 202 (mm2) (1)
- ·100 (%) ( = 9,98...% ) (1)
- Het antwoord: 10(%) (1)
Voor enveloppen EBn, waarin n het formaatnummer is, bestaan er formules voor de breedte en de hoogte. Voor de hoogte h in mm geldt de volgende formule:
h = 1484 · 2
- 2 n 1
Vraag 11 3 punten
Beredeneer met deze formule, zonder getallenvoorbeelden te gebruiken of een schets/tekening van de grafiek van h te maken, of de hoogte van de enveloppe kleiner of groter wordt als het formaatnummer groter wordt.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- • Als n groter wordt, wordt − 12 n kleiner (1) 2− n wordt kleiner 1 • (2) 1 ( 1484 · 2− 2 n wordt kleiner, dus) de hoogte van de enveloppe wordt 1 • kleiner (als het formaatnummer groter wordt) (1) (3)
Voor de breedte b in mm van enveloppen EBn, waarin n het formaatnummer is, geldt de volgende formule:
b = 1048 · 2
- 2 n 1
Hoe groter het formaatnummer, des te kleiner is de breedte van de enveloppe.
Vraag 12 3 punten
Bereken vanaf welk formaatnummer de breedte van de enveloppe kleiner is dan 100 mm.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- De vergelijking 1048 · 2− 2 n = 100 moet worden opgelost 1 • (1) • Beschrijven hoe deze vergelijking kan worden opgelost (1) • Het antwoord: (vanaf formaatnummer) 7 (1) (3)
Recordtijden van schaatssters
In deze opgave vergelijken we de prestaties van schaatssters, ook al hebben die schaatssters nooit in hetzelfde toernooi geschaatst. Hiervoor maken we gebruik van de persoonlijke recordtijden van schaatssters op zes verschillende afstanden, namelijk de 500, 1000, 1500, 3000, 5000 en
10 000 meter. In deze opgave beperken we ons tot 86 topschaatssters en hun persoonlijke recordtijden zoals die begin 2016 bekend waren.
De persoonlijke recordtijden van deze 86 schaatssters op de 500 meter en op de 1000 meter zijn weergegeven in een spreidingsdiagram. Zie figuur 1. Elke stip geeft één schaatsster weer. Deze figuur staat ook twee keer op de uitwerkbijlage.
[figuur 1: zie het originele examen]
Bij het spreidingsdiagram worden de volgende uitspraken gedaan over de resultaten van deze 86 schaatssters: a Meer dan 90% van de schaatssters heeft de 500 meter afgelegd in minder dan 45,0 seconden. b De mediaan van de tijd op de 1000 meter is ongeveer 81,5 seconden. c De drie snelste schaatssters op de 500 meter zijn ook de drie snelste schaatssters op de 1000 meter.
Vraag 13 6 punten
Onderzoek van elke uitspraak of deze juist is of onjuist. Je kunt gebruikmaken van de figuren op de uitwerkbijlage.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerking Als de kandidaat de drie rechtse en de drie bovenste punten aangeeft en hiermee concludeert dat uitspraak c onjuist is, dan voor deze vraag maximaal 5 scorepunten toekennen.
Om de tijden op verschillende afstanden met elkaar te kunnen vergelijken, wordt elke tijd omgerekend naar de gemiddelde tijd per 500 meter. Stel bijvoorbeeld dat een schaatsster 15 minuten en 20,4 seconden over de 10 000 meter doet. Gemiddeld doet zij dan over 500 meter
15 · 60 + 20, 4 · 500 = 46, 02 seconden.
10 000 Voor de vier langste afstanden worden de persoonlijke recordtijden van alle 86 schaatssters omgerekend naar de gemiddelde tijd per 500 meter. Deze omgerekende tijden zijn weergegeven in boxplots. Zie figuur 2. Deze figuur staat ook op de uitwerkbijlage.
figuur 2 omgerekende tijd (gemiddelde tijd per 500 meter)
Als je de boxplots onderling vergelijkt, dan kun je met behulp van het formuleblad concluderen dat er een groot verschil is tussen de omgerekende tijden op de 1500 meter en die op de 10 000 meter. Er zijn meer afstanden waarbij er sprake is van een groot verschil.
Vraag 14 3 punten
Noem elk tweetal afstanden waarbij er sprake is van een groot verschil tussen de omgerekende tijden. Je kunt hierbij gebruikmaken van de figuur op de uitwerkbijlage. Licht je antwoord toe.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerkingen
- Bij het tweede antwoordelement voor elk ontbrekend of foutief tweetal een scorepunt in mindering brengen.
- Zonder toelichting voor deze vraag maximaal 2 scorepunten toekennen.
In de tabel staan de persoonlijke recordtijden van twee van de
86 schaatssters. Zo zie je dat de persoonlijke recordtijd op de 1000 meter van Martina Sáblíková 1:15,86 is. Zij deed er dus 1 minuut, 15 seconden en 86 honderdsten van een seconde over.
tabel Martina Caroline Sáblíková Farestveit recordtijd op de 500 meter in min:sec 0:39,23 0:44,83 recordtijd op de 1000 meter in min:sec 1:15,86 1:30,03 recordtijd op de 1500 meter in min:sec 1:53,44 2:17,08 recordtijd op de 3000 meter in min:sec 3:55,10 4:42,34 recordtijd op de 5000 meter in min:sec 6:42,66 8:06,64 recordtijd op de 10 000 meter in min:sec 13:48,33 16:54,71
Sáblíková wordt gezien als een van de beste schaatssters ooit. Begin
2016 was zowel haar persoonlijke recordtijd op de 5000 meter als haar persoonlijke recordtijd op de 10 000 meter de beste van de 86 schaatssters. Met behulp van de tabel, figuur 1 en figuur 2 kun je ook voor andere afstanden onderzoeken of Sáblíková’s persoonlijke recordtijden de beste waren van deze 86 schaatssters.
Vraag 15 3 punten
Onderzoek dit zowel voor de 500 meter als voor de 1500 meter. Je kunt hierbij gebruikmaken van de figuren op de uitwerkbijlage.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerkingen
- Als de kandidaat gewerkt heeft volgens het eerste of tweede antwoordalternatief, dan mag de waarde van de snelste tijd op de
500 meter worden afgelezen met een marge van 0,1 seconde.
- Als de kandidaat gewerkt heeft volgens het eerste of tweede antwoordalternatief, dan mag de waarde van de snelste omgerekende tijd op de 1500 meter worden afgelezen met een marge van 0,2 seconden.
- Als de kandidaat de relevante gegevens niet in de gebruikte figuren heeft aangegeven, maar wel de bijbehorende waarden heeft opgeschreven, hiervoor geen scorepunten in mindering brengen.
In de tabel staan ook de persoonlijke recordtijden van Caroline Farestveit. Een fan van Farestveit doet de volgende uitspraak: “Als je Farestveit vergelijkt met de 85 andere schaatssters, dan presteert Farestveit beter op de 10 000 meter dan op de 5000 meter.”
Vraag 16 3 punten
Leg uit dat de uitspraak van de fan juist is.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- De omgerekende tijd op de 5000 meter is ((8 · 60 + 6, 64) :10 =) 48,... seconden en die op de 10 000 meter is ((16 · 60 + 54, 71) : 20 =) 50,... seconden (1)
- (In figuur 2 is af te lezen:) Farestveit behoort op de 5000 meter tot de langzaamste 25% (of: haar tijd op de 5000 meter is groter dan Q3) (1)
- (In figuur 2 is af te lezen:) Farestveit behoort op de 10 000 meter tot de middelste 50% (of: haar tijd op de 10 000 meter is kleiner dan Q3) (en dat is beter dan haar prestatie op de 5000 meter) (1)
Slanke vleugels
In figuur 1 zie je twee vliegtuigen, de Schleicher ASH 31 Glider en de Piper Cherokee. De slankheid van een vliegtuig wordt vaak uitgedrukt in een getal S. In figuur 1 zie je van beide vliegtuigen de bijbehorende waarde van S. De Schleicher heeft een hogere waarde van S, wat wil zeggen dat die slanker is dan de Piper.
[figuur 1: zie het originele examen]
S wordt berekend met de figuur 2 volgende formule: w S= (formule 1) b Hierin is w de spanwijdte in meters en b de gemiddelde vleugelbreedte in meters. Zie figuur 2.
In deze opgave berekenen we de vleugeloppervlakte van een vliegtuig met de volgende formule:
A = w·b (formule 2) Hierin is A de vleugeloppervlakte in m2, w de spanwijdte in meters en b de gemiddelde vleugelbreedte in meters.
De Schleicher ASH 31 Glider heeft een spanwijdte van 21 meter.
Vraag 17 3 punten
Bereken de vleugeloppervlakte van dit vliegtuig. Geef je antwoord in een geheel aantal m2.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- 33,5 = (1)
- Beschrijven hoe deze vergelijking kan worden opgelost (1)
- Dit geeft b = 0, 62... , dus de vleugeloppervlakte is (21· 0, 62... =)13 (m2) (1)
Uit formule 2 volgt: A b= (formule 3) w De Piper Cherokee met slankheid 5,6 heeft een vleugeloppervlakte van 15,1 m2. Door gebruik te maken van formule 1 en formule 3 kun je de spanwijdte van dit vliegtuig berekenen.
Vraag 18 4 punten
Bereken de spanwijdte van de Piper Cherokee in meters. Geef je antwoord in één decimaal.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
- b = 1, 642... , dus de spanwijdte is (5, 6 ·1, 642... =) 9, 2 (m) (of 92 dm) (1p)
De getallen in figuur 3 geven figuur 3 het brandstofverbruik V (in kg) weer voor een vlucht van
11 000 km afhankelijk van de vleugeloppervlakte A en de slankheid S. Figuur 3 staat vergroot weergegeven op de uitwerkbijlage.
De lijnen die alle punten met gelijk brandstofverbruik met elkaar verbinden, worden isolijnen genoemd. Tussen twee opeenvolgende isolijnen zit steeds een verschil van 2500 kg.
In figuur 3 kun je bijvoorbeeld aflezen dat een vliegtuig met een vleugeloppervlakte van 795 m2 en een slankheid van 8 op een vlucht van
11 000 km 212 500 kg brandstof verbruikt. Mark zegt: “Als dit vliegtuig 25 m2 minder vleugeloppervlakte zou hebben en de slankheid zou toenemen tot 9, dan zou dat flink wat brandstof besparen.”
Vraag 19 3 punten
Bereken hoeveel kg brandstof dit vliegtuig zo aan brandstof zou kunnen besparen op een vlucht van 11 000 km. Je kunt bij het beantwoorden van deze vraag gebruikmaken van de figuur op de uitwerkbijlage.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- De vleugeloppervlakte zou dan 770 (m2) zijn (1)
- Bij een slankheid van 9 is het brandstofverbruik dan 205 000 (kg) (1)
- De besparing is dus (212 500 − 205 000 =) 7500 (kg) (1)
Het vergroten van de slankheid van een vliegtuig is de moeite waard: een ontwerper van vliegtuigen kan bij een gegeven vleugeloppervlakte veel toekomstig brandstofverbruik besparen door de slankheid van het vliegtuig groter te maken.
Bekijk in figuur 3 het gebied tussen S = 6 en S = 7 . Op de verticale lijn met
A = 760 liggen de isolijnen ongeveer even ver van elkaar. Voor A = 760 en S tussen 6 en 7 geldt daarom dat het verband tussen V en S lineair is.
Vraag 20 4 punten
Stel een formule op die V uitdrukt in S voor A = 760 en S tussen 6 en 7. Je kunt hierbij gebruikmaken van de figuur op de uitwerkbijlage.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- Twee punten uit de grafiek aflezen op de lijn A = 760 , bijvoorbeeld (6, 242 500) en (7, 220 000) (1)
- De richtingscoëfficiënt is ( = −22 500 ) (1)
- −22 500 · 7 + b = 220 000 (1)
- b = 377 500 , dus V = −22 500S + 377 500 (1)
Woningtekort
In het rapport ‘Cijfers over wonen en bouwen 2016’ van het Ministerie van Binnenlandse Zaken staan voorspellingen van de woningbehoefte en de woningvoorraad in Nederland.
Volgens deze voorspellingen zal in 2025 de woningbehoefte gelijk zijn aan 8 334 000 woningen. De woningvoorraad is in 2025 gelijk aan 8 148 000 woningen.
Er is in 2025 dus een woningtekort van 186 000 woningen. Als je berekent hoe groot dit tekort is als percentage van de woningvoorraad, dan krijg je het relatieve woningtekort. In 2025 is dit gelijk aan 2,3%, want:
8334000
- 8148000 ·100% = 2,3%
8 148 000 In de tabel zie je ook voorspellingen voor het jaar 2030.
tabel
2025 2030 woningbehoefte 8 334 000 8 511 000 woningvoorraad 8 148 000 8 335 000 woningtekort 186 000 176 000 relatieve woningtekort 2,3% 2,1%
Veronderstel dat men het woningtekort wil terugdringen, zodat in het jaar
2040 het relatieve woningtekort 1% is.
Neem het volgende aan:
- De woningbehoefte groeit van 2025 tot 2030 jaarlijks met een vast percentage. Na 2030 blijft dit met hetzelfde percentage doorgroeien.
- De woningvoorraad neemt vanaf 2030 toe met een constant aantal woningen per jaar.
Vraag 21 8 punten
Bereken met welk constant aantal woningen per jaar de woningvoorraad vanaf 2030 moet toenemen zodat het relatieve woningtekort in 2040 gelijk is aan 1%. Geef je antwoord in gehele duizendtallen.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerkingen
- Wanneer de woningbehoefte en de woningvoorraad in de tussenstappen worden afgerond, hiervoor geen scorepunten in mindering brengen.
- Als gerekend wordt met (8 511 000
- 8 334 000) 2 , dan voor deze vraag maximaal 6 scorepunten toekennen.
- Als gerekend wordt met (8 511 000 / 8 334 000) · 2 , dan voor deze vraag maximaal 6 scorepunten toekennen.
Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen havo Wiskunde A 2022, tijdvak 2. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2022/havo/documenten/cse-2/ha-1024-a-22-2-o
Andere examens wiskunde A havo
- 2026, tijdvak 1
- 2026, tijdvak 2
- 2025, tijdvak 1
- 2025, tijdvak 2
- 2024, tijdvak 1
- 2024, tijdvak 2
- 2023, tijdvak 1
- 2023, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 1
- 2022, tijdvak 3
- 2021, tijdvak 1
- 2021, tijdvak 2
- 2021, tijdvak 3
- 2019, tijdvak 1
- 2019, tijdvak 2
- 2018, tijdvak 1
- 2018, tijdvak 2
Hoe ToetsChecker wiskunde A per vraagtype nakijkt, lees je op wiskunde A toetsen nakijken met AI.
Veelgestelde vragen
Hoeveel vragen heeft het eindexamen wiskunde A havo 2022, tijdvak 2?
Het centraal examen wiskunde A havo 2022, tijdvak 2 loopt tot vraag 21. Van 19 vragen staat het onderwerp in de vragenbank. De meeste vragen gaan over statistiek (7), formules en grafieken (5) en lineaire verbanden (3).
Wat zijn de antwoorden van het examen wiskunde A havo 2022, tijdvak 2?
Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.
Waar vind ik het correctievoorschrift van wiskunde A havo 2022, tijdvak 2?
Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2022/havo/documenten/cse-2/ha-1024-a-22-2-c).
Hoe oefen ik met het examen wiskunde A havo 2022, tijdvak 2 en krijg ik feedback?
Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.