Eindexamen wiskunde A havo 2022, tijdvak 3: vragen en antwoorden

Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Wereldbevolking, Hoe koud voelt het aan?, Kajak, Onderwijs in vroeger tijden, Waterdiepte meten.

Kort antwoord

Het centraal examen wiskunde A havo 2022, tijdvak 3 telt 21 vragen. De meeste vragen gaan over lineaire verbanden (10), statistiek (5) en exponentiële groei (3). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.

Onderwerpen in dit examen

Onderwerp per vraag in het centraal examen wiskunde A havo 2022, tijdvak 3. Elke vraag is eenmalig door een AI-model bij een onderwerp ingedeeld; per vraag kan dat afwijken.
OnderwerpVragenAantal
Lineaire verbanden4, 8-12, 18-2110
Statistiek13-175
Exponentiële groei1-33
Formules en grafieken5-73

Vergeleken met andere jaren

Vergeleken met de andere 17 examens wiskunde A havo sinds 2018: dit examen vroeg meer over lineaire verbanden (48% van de vragen, gemiddeld 12%). Minder over formules en grafieken (14% van de vragen, gemiddeld 30%) en statistiek (24% van de vragen, gemiddeld 33%).

Opgaven en correctievoorschrift

De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.

Oefenen als leerling

Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen wiskunde A havo 2022, tijdvak 3 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.

Nakijken als docent

  1. Start gratis vanaf deze pagina

    Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen wiskunde A havo 2022, tijdvak 3 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.

  2. Laat de klas het examen maken

    Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.

  3. Geef de resultaten vrij

    Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.

ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.

Vragen en antwoorden

Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen wiskunde A havo 2022, tijdvak 3. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.

Wereldbevolking

Veel wetenschappers waren het er tot voor kort over eens dat de groei van de wereldbevolking na 2050 tot stilstand zou komen. Het aantal mensen zou dan in 2050 ongeveer 9 miljard zijn. Uit nieuwe wetenschappelijke voorspellingen blijkt echter dat er in 2100 mogelijk al 12 miljard mensen op aarde zullen leven.

De wereldbevolking bestond in 1990 uit 5,3 miljard mensen en in 2011 uit

7 miljard mensen. Neem aan dat de wereldbevolking in deze periode exponentieel groeide.

Vraag 1 4 punten

Bereken het hierbij behorende jaarlijkse groeipercentage. Geef je antwoord in één decimaal.

Bekijk het antwoord

Opmerkingen 1

  • Als gerekend wordt met (7
  • 5,3) , voor deze vraag maximaal 2 21

scorepunten toekennen. 7

  • Als gerekend wordt met :21, voor deze vraag maximaal 2 5,3 scorepunten toekennen.

In 2011 bestond de wereldbevolking uit 7 miljard mensen. In 2012 waren er 80 miljoen mensen bijgekomen. Er zijn verschillende scenario’s denkbaar voor de groei van de wereldbevolking na 2012. In een eerste scenario wordt aangenomen dat de groei vanaf 2011 lineair zal zijn.

Vraag 2 4 punten

Bereken in welk jaar de wereldbevolking volgens dit eerste scenario tot

9 miljard mensen zal zijn toegenomen.

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

  • De vergelijking 0, 08 · t + 7 = 9 , met t het aantal jaren na 2011 moet worden opgelost (1p)

Een tweede scenario gaat uit van groei, waarin het jaarlijkse groeipercentage tot 2050 langzaam afneemt. In dit scenario wordt een wereldbevolking van 8,9 miljard mensen in 2050 voorspeld. Zie de figuur.

figuur

Verder neemt men in dit scenario aan dat het jaarlijkse groeipercentage dat in de figuur is af te lezen voor het jaar 2050, in de jaren na 2050 blijft gelden.

Vraag 3 4 punten

Bereken of daarmee in het jaar 2100 een wereldbevolking van 12 miljard mensen gehaald wordt.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerking Het afgelezen jaarlijkse groeipercentage moet in het interval [0,35; 0,45] liggen.

Vrijwel alle scenario’s voorspellen een groei van de wereldbevolking. Hierdoor zal de voedselproductie omhoog moeten. Niet alleen omdat er meer mensen zullen zijn, maar ook omdat naar verwachting in snel groeiende economieën de gemiddelde voedselconsumptie per persoon zal toenemen. In de tabel zie je de gegevens van de totale wereldbevolking uit 2006 en een voorspelling voor 2050.

tabel wereldbevolking totale voedselconsumptie per dag

2006 6569 miljoen 18 000 miljard kilocalorieën

2050 9111 miljoen 28 000 miljard kilocalorieën

Vraag 4 3 punten

Bereken met bovenstaande gegevens met hoeveel kilocalorieën de gemiddelde voedselconsumptie per persoon per dag naar verwachting zal toenemen in de periode van 2006 tot 2050. Geef je antwoord in een geheel aantal kilocalorieën.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerking Als in het eerste en tweede antwoordelement geen rekening is gehouden met de eenheden miljard en miljoen, voor deze vraag maximaal 1 scorepunt toekennen.

Hoe koud voelt het aan?

In de winter kan het, vooral als het hard waait, veel kouder aanvoelen dan het in werkelijkheid is. We zeggen dan dat de gevoelstemperatuur lager is dan de werkelijke temperatuur. Tot aan het einde van de vorige eeuw gebruikte het KNMI (Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut) de tabel van Steadman om de gevoelstemperatuur te bepalen. Zie de tabel.

tabel gevoelstemperatuur volgens Steadman afgerond op helen, in °C windsnelheid werkelijke temperatuur in in m/s

0 °C –5 °C –10 °C –15 °C –20 °C –25 °C km/u (afgerond)

10 2,8 –2 –7 –12 –17 –22 –28

15 4,2 –3 –9 –14 –19 –24 –30

20 5,6 –5 –10 –15 –21 –26 –32

25 6,9 –6 –12 –17 –23 –28 –34

30 8,3 –7 –13 –19 –24 –30 –36

35 9,7 –9 –15 –20 –26 –32 –38

40 11,1 –10 –16 –22 –28 –34 –40

45 12,5 –11 –17 –23 –29 –35 –41

50 13,9 –12 –19 –25 –31 –37 –43

55 15,3 –13 –20 –26 –32 –39 –45

60 16,7 –15 –21 –27 –34 –40 –47

65 18,1 –16 –22 –29 –35 –42 –48

70 19,4 –16 –23 –30 –37 –43 –50

75 20,8 –17 –24 –31 –38 –45 –52

80 22,2 –18 –25 –32 –39 –46 –53

In deze tabel kan de (afgeronde) gevoelstemperatuur worden afgelezen bij een gegeven windsnelheid en werkelijke temperatuur. Zo zie je bijvoorbeeld dat bij een windsnelheid van 30 km/u en een werkelijke temperatuur van –10 °C de gevoelstemperatuur –19 °C is.

Op 16 februari 1956 werd in het Groningse Uithuizermeeden een kouderecord gemeten. Het werd toen –26,8 °C bij een windsnelheid van

25 km/u. Met behulp van de tabel van Steadman kun je berekenen wat de bijbehorende gevoelstemperatuur was. Ga ervan uit dat voor elke windsnelheid het verband tussen de gevoelstemperatuur en de werkelijke temperatuur lineair is

Vraag 5 4 punten

Bereken deze gevoelstemperatuur. Gebruik hierbij de gevoelstemperaturen die horen bij een werkelijke temperatuur van

0 °C en –25 °C. Geef je antwoord in gehele graden.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • In de tabel aflezen dat de gevoelstemperatuur 28 °C daalt per 25 °C temperatuurdaling (1)
  • De gevoelstemperatuur daalt 28 · 1, 8 (°C) (bij een daling van de 25 werkelijke temperatuur van −25 °C tot −26,8 °C) (1)
  • De gevoelstemperatuur kan berekend worden met − 34 − 28 · 1, 8 (1)
  • Het antwoord: −36 (°C) (1)

Sinds het begin van deze eeuw wordt bij het KNMI de gevoelstemperatuur berekend met een formule die in Canada ontwikkeld is. Deze formule luidt:

G = 13,12 + 0,62 · T

  • 13,96 · w0,16 + 0, 49 · T · w0,16 (Canadese formule) In deze formule is T de werkelijke temperatuur in °C, w de windsnelheid in m/s en G de gevoelstemperatuur in °C.

De tabel van Steadman geeft iets andere gevoelstemperaturen dan de Canadese formule. Vooral bij een hoge windsnelheid en een lage werkelijke temperatuur is er een behoorlijk groot verschil tussen de gevoelstemperatuur volgens de tabel en die volgens de formule.

Vraag 6 4 punten

Bereken hoeveel graden dit verschil is bij een werkelijke temperatuur van –20 °C en een windsnelheid van 80 km/u. Geef je antwoord in gehelen.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerking Als voor w de waarde 80 (km/u) in de formule wordt ingevuld, voor deze vraag maximaal 3 scorepunten toekennen.

Op het eiland Schiermonnikoog waait het in de wintermaanden behoorlijk. De windsnelheid is in deze maanden gemiddeld 6,5 m/s. Je kunt bij deze windsnelheid de Canadese formule herleiden tot de vorm G = a · T + b waarbij a en b getallen zijn.

Vraag 7 3 punten

Voer deze herleiding uit en geef a en b in twee decimalen.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • G = 13,12 + 0,62 ·T −13,96· 6,50,16 + 0,49 ·T · 6,50,16 (1)
  • G = 13,12 + 0, 62 · T − 18, 83... + 0, 66... · T (1)
  • G = 1, 28 · T − 5, 71 (dus a = 1, 2 8 en b = − 5, 71 ) (1)

Kajak

Kanovaren is een Olympische sport. Een van de onderdelen is de vlakwatersprint kajakvaren. Een kajak is een soort kano. Zie de foto.

foto

Tijdens de Olympische Spelen in Peking in 2008 was de winnende tijd met een eenpersoonskajak op de 500 meter vlakwatersprint voor mannen

1 minuut en 37,252 seconden.

Vraag 8 3 punten

Bereken de gemiddelde snelheid van de winnende kajak op deze afstand in km/u. Geef je antwoord in één decimaal.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

  • De afstand is 0,5 (km) en de tijd is 97, 252 : 3600 ( = 0, 027...) (u) (1p)
  • 0, 5 : 0, 027... = 18, 50... , dus het antwoord is 18,5 (km/u) (1p)

Er zijn ook races voor kajaks met 2 of 4 personen. In de tabel staan nog enkele winnende tijden (in seconden) die op de Olympische Spelen van

2008 in Peking met kajaks zijn behaald. Het aantal personen in de boot wordt aangeduid met N.

tabel N =1 N =2 N =4 mannen 1000 m 206,323 s 191,809 s 175,714 s vrouwen 500 m 110,673 s 101,308 s 92,231 s

Monique vraagt zich af of er een lineair verband bestaat tussen de winnende tijd van de vrouwen op de 500 m en het aantal personen in de kajak.

Vraag 9 4 punten

Onderzoek met gegevens uit de tabel of dat verband lineair kan zijn.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • De afname in finishtijd van N = 1 naar N = 2 is 110, 673 − 101, 308 ≈ 9 (s) (1)
  • De afname in finishtijd van N = 2 naar N = 4 is 101, 308 − 92, 231 ≈ 9 (s) (1)
  • Van N = 2 naar N = 4 is de afname in finishtijd per extra persoon 9:2 = 4,5 (s) (1)
  • De afname in finishtijd per extra persoon is niet steeds gelijk, dus het verband kan niet lineair zijn (1)

Meer personen leveren een grotere gezamenlijke kracht, maar maken de kajak ook zwaarder. Toch wordt er door meer personen sneller gevaren. Natuurkundig is te beredeneren dat er bij benadering het volgende verband bestaat: 1 V = c·N9 Hierin is V de gemiddelde snelheid in m/s, c een constant getal dat afhangt van het type kajak en de omstandigheden waarin gevaren wordt en N het aantal personen in de boot. Ook is bekend dat: afstand V= (met afstand in m en tijd in s) tijd We gaan ervan uit dat V tijdens een wedstrijd constant is. Je kunt dan met de drie winnende tijden in de tabel nagaan dat dit verband tussen V en N bij benadering klopt.

Vraag 10 4 punten

Ga dit voor de mannen op de 1000 meter met berekeningen na.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerking Voor het tweede antwoordelement mag voor een niet volledig juist antwoord 1 scorepunt worden toegekend.

In de rest van deze opgave gaan we uit van een bepaald type kajak en bepaalde omstandigheden zodat geldt c = 4, 4 , dus: 1 V = 4, 4 · N 9

Deze formule is te herleiden tot een formule van de vorm N = a · V b .

Vraag 11 4 punten

Geef deze herleiding.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • = N9 (1)
  • 4, 4 = N (1)
  • =N (1)
  • N = 2 · 1 0 − 6 · V 9 (of N = 0,000002 ·V ) (of met een nauwkeuriger waarde voor a) (1)

Wanneer één persoon vaart met dit type kajak, geeft dat een bepaalde gemiddelde snelheid. Er zouden heel wat personen in ditzelfde type kajak nodig zijn om die gemiddelde snelheid met minstens 25% te verhogen.

Vraag 12 5 punten

Bereken hoeveel personen daarvoor minimaal nodig zijn.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Bij één persoon geldt V = 4, 4 ·19 = 4, 4 (m/s) (1)
  • De vergelijking 4, 4 · N 9 = 4, 4 ·1, 25 moet worden opgelost (1)
  • Beschrijven hoe deze vergelijking opgelost kan worden (1)
  • N = 7, 45... (1)
  • Het antwoord: (minimaal) 8 (personen) (of: 7 personen extra) (1)

Onderwijs in vroeger tijden

Hoe zag het basisonderwijs er vroeger uit? Dat heeft de heer Uil onderzocht. In zijn proefschrift bespreekt hij het onderwijs in Zeeland en Staats-Vlaanderen1) in de periode 1578

  • 1801. In die tijd gingen veel kinderen naar de Nederduitse school. Daar leerden ze eerst lezen. Pas wanneer een kind kon lezen, mocht het gaan leren schrijven. Als het kind ook dat kon, mocht het gaan leren rekenen. Voor elk vak apart moest lesgeld worden betaald door de ouders: één of meerdere stuivers. Het lesgeld was niet op alle scholen even hoog. Op geen enkele school bedroeg het lesgeld voor een vak meer dan

22 stuivers per maand. In de figuur zie je van 64 scholen in Zeeland en Staats-Vlaanderen de cumulatieve frequentiepolygonen van het lesgeld dat per maand betaald moest worden voor de drie vakken. Zo lees je bijvoorbeeld af dat op

60 scholen het lesgeld per maand voor lezen 6 stuivers of minder bedroeg. De figuur staat vergroot afgebeeld op de uitwerkbijlage.

figuur lesgeld per maand per vak

Vraag 13 2 punten

Bepaal voor welk vak het lesgeld per maand op deze scholen over het algemeen het laagst was. Licht je antwoord toe.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerking Voor deze vraag uitsluitend 0 of 2 scorepunten toekennen.

Er waren scholen bij waar niet alle drie de vakken werden gegeven.

Vraag 14 2 punten

Leg uit hoe je dit in de figuur kan zien.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerking Voor deze vraag uitsluitend 0 of 2 scorepunten toekennen.

noot 1 Zeeland en Staats-Vlaanderen waren delen van Nederland toen het nog een republiek was.

Het lesgeld per vak bedroeg op elke school een geheel aantal stuivers per maand. Niet alle mogelijke aantallen stuivers kwamen voor.

Vraag 15 3 punten

Geef alle verschillende aantallen stuivers die voor het vak schrijven als lesgeld per maand betaald werden.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerkingen

  • Voor elk foutief of vergeten aantal stuivers 1 scorepunt in mindering brengen.
  • Wanneer een verkeerde polygoon is afgelezen, voor deze vraag maximaal 2 scorepunten toekennen.

Helaas gingen niet alle kinderen naar school. In het jaar 1796 bleken in de stad Veere 221 van de 323 kinderen naar school te gaan. Als deze gegevens representatief zijn voor alle steden in Zeeland en Staats- Vlaanderen, dan kan hiermee het 95%-betrouwbaarheidsinterval bepaald worden van het percentage kinderen dat in 1796 in de steden van Zeeland en Staats-Vlaanderen naar school ging.

Vraag 16 4 punten

Bereken met behulp van het formuleblad dit 95%-betrouwbaarheidsinterval. Geef de getallen in je antwoord in één decimaal.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • De steekproefproportie p = 221 ( = 0, 684...) met n = 323 (1)
  • Het 95%-betrouwbaarheidsinterval is ± 2· (1)
  • Dit geeft 0, 6 84 ... ± 0, 0 5 1... (1)
  • Het antwoord: [63,2; 73,6] (%) (1)

De heer Uil heeft ook een schatting gemaakt van het aantal volwassenen dat kon schrijven. Daartoe heeft hij verzoekschriften bekeken die in die tijd bij de Zeeuwse en Staats-Vlaamse overheden ingediend zijn. De indieners ervan ondertekenden die met een handtekening of met een merk, bijvoorbeeld een kruisje of een zelfbedacht teken. Wie een handtekening zette kon waarschijnlijk schrijven. Wie een merk zette, kon waarschijnlijk niet schrijven. In de tabel is te zien hoeveel handtekeningen en hoeveel merken er gezet zijn.

tabel

mannen vrouwen periode handtekening merk handtekening merk totaal

1609

  • 1650 265 102 - - 367

1651

  • 1700 556 85 4 2 647

1701

  • 1750 530 80 103 83 796

1751

  • 1800 1735 181 255 68 2239

Je kunt uit de gegevens afleiden dat er verschil is tussen mannen en vrouwen wat betreft het gebruik van een handtekening of een merk.

Vraag 17 4 punten

Bepaal met behulp van het formuleblad of dit verschil in de periode

1701

  • 1750 gering, middelmatig of groot is.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

  • Een correcte kruistabel (1p)

handtekening merk (totaal) man 530 80 (610) vrouw 103 83 (186) (totaal) (633) (163) (796)

530 · 83

  • 80 ·103

Opmerking Als in de teller van de formule van phi de twee termen verwisseld zijn, hiervoor geen scorepunten in mindering brengen.

Waterdiepte meten

Waterdiepte werd vroeger vanaf een schip figuur 1 gemeten met behulp van een lang touw met een stuk lood aan het uiteinde. Het lood werd aan het touw het water ingelaten. Lood is zwaar, dus het zinkt. Wanneer het lood de bodem raakte, werd het touw uit het water gehaald. Daarna werd het deel gemeten dat onder water was geweest. Dit deed de schipper door telkens een deel van het touw tussen uitgestrekte handen te pakken. Zie figuur 1. Het aantal keer dat dat kon, was de diepte in vadem. Deze oude lengtemaat geeft dus de spanwijdte aan van de armen van een volwassen man. Omdat het een onnauwkeurige manier van meten is, is deze lengte later precies vastgelegd: 1 vadem is gelijk aan 6 voet. Een voet is even lang als

12 inch en een inch is 25,4 mm.

Noemen we de waterdiepte in meter M en de waterdiepte in vadem V, dan kunnen we V omrekenen naar M.

Vraag 18 3 punten

Geef een formule waarbij M uitgedrukt is in V.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerking Wanneer het getal 1,8288 correct afgerond wordt op 1 of meer decimalen, hiervoor geen scorepunten in mindering brengen.

Tegenwoordig meet men waterdiepte met figuur 2 een echolood. Dit apparaat bestaat uit een zender en een ontvanger die onder het wateroppervlak bevestigd zijn aan een boot. Het echolood zendt een geluidsgolf naar de bodem en even later wordt de door de bodem teruggekaatste geluidsgolf, de echo, weer door het echolood ontvangen. Er geldt:

D = h + 750 t Hierin is:

  • D de waterdiepte in meter, dus de afstand tussen het wateroppervlak en de bodem;
  • t de echotijd tussen het zenden van de geluidsgolf en het ontvangen van de echo in seconden;
  • h de afstand tussen de onderkant van het echolood en het wateroppervlak in meter. Zie figuur 2.

Vraag 19 3 punten

Bereken de echotijd als de bodem zich op 10 meter onder het echolood bevindt. Geef je antwoord in seconden en in drie decimalen.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

  • Stel bijvoorbeeld h = 5 , dan is D = 15 ; de vergelijking 15 = 5 + 750t moet dan worden opgelost (1p)

De snelheid waarmee geluid zich verplaatst in water kun je uit de formule afleiden. Yvonne zegt: “Die snelheid is de helft van 750, dus 375 meter per seconde.” Josje zegt: “Die snelheid is het dubbele van 750, dus 1500 meter per seconde.” Eén van beiden heeft gelijk.

Vraag 20 3 punten

Wie heeft gelijk? Leg je antwoord uit met behulp van de formule.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerking Voor een antwoord als ‘1500 meter per seconde, want 750 moet verdubbeld worden’ geen scorepunten toekennen.

Een groep duikers vaart de zee op en zoekt een zo diep mogelijke plek om veilig voor anker te gaan. De ankerketting is 78 m lang en voor de veiligheid moet deze lengte minstens anderhalf keer de waterdiepte zijn. De waterdiepte die het echolood op deze boot aangeeft, kan door een onnauwkeurige meting 3% afwijken van de werkelijke waterdiepte.

Vraag 21 3 punten

Bereken de maximale waarde die het echolood als waterdiepte mag aangeven om veilig voor anker te kunnen gaan. Geef je antwoord in meter en in één decimaal.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerking Als gerekend wordt met 103% in plaats van 97%, voor deze vraag maximaal 2 scorepunten toekennen.

Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen havo Wiskunde A 2022, tijdvak 3. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2022/havo/documenten/cse-3/ha-1024-a-22-3-o

Andere examens wiskunde A havo

Hoe ToetsChecker wiskunde A per vraagtype nakijkt, lees je op wiskunde A toetsen nakijken met AI.

Veelgestelde vragen

Hoeveel vragen heeft het eindexamen wiskunde A havo 2022, tijdvak 3?

Het centraal examen wiskunde A havo 2022, tijdvak 3 telt 21 vragen. De meeste vragen gaan over lineaire verbanden (10), statistiek (5) en exponentiële groei (3).

Wat zijn de antwoorden van het examen wiskunde A havo 2022, tijdvak 3?

Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.

Waar vind ik het correctievoorschrift van wiskunde A havo 2022, tijdvak 3?

Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2022/havo/documenten/cse-3/ha-1024-a-22-3-c).

Hoe oefen ik met het examen wiskunde A havo 2022, tijdvak 3 en krijg ik feedback?

Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.