Eindexamen wiskunde A havo 2022, tijdvak 1: vragen en antwoorden

Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: De psychrometer, CO2-concentratie in de atmosfeer, Snelheidsovertredingen, Motorblokken bestellen, Sprinten met rugwind, AOW-uitkering1).

Kort antwoord

Het centraal examen wiskunde A havo 2022, tijdvak 1 loopt tot vraag 21. Van 18 vragen staat het onderwerp in de vragenbank. De meeste vragen gaan over statistiek (6), formules en grafieken (5) en lineaire verbanden (4). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.

Onderwerpen in dit examen

Onderwerp per vraag in het centraal examen wiskunde A havo 2022, tijdvak 1, voor de vragen waarvan het onderwerp bekend is. Elke vraag is eenmalig door een AI-model bij een onderwerp ingedeeld; per vraag kan dat afwijken.
OnderwerpVragenAantal
Statistiek5, 10-146
Formules en grafieken15-18, 205
Lineaire verbanden7-8, 19, 214
Exponentiële groei6, 92
Veranderingen en afgeleide41

Vergeleken met andere jaren

Vergeleken met de andere 17 examens wiskunde A havo sinds 2018: dit examen vroeg meer over lineaire verbanden (22% van de vragen, gemiddeld 13%). Minder over exponentiële groei (11% van de vragen, gemiddeld 19%).

Opgaven en correctievoorschrift

De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.

Oefenen als leerling

Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen wiskunde A havo 2022, tijdvak 1 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.

Nakijken als docent

  1. Start gratis vanaf deze pagina

    Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen wiskunde A havo 2022, tijdvak 1 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.

  2. Laat de klas het examen maken

    Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.

  3. Geef de resultaten vrij

    Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.

ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.

Vragen en antwoorden

Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen wiskunde A havo 2022, tijdvak 1. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.

De psychrometer

Lucht bevat waterdamp. Hoeveel waterdamp er in de lucht zit, varieert. De (relatieve) luchtvochtigheid is een percentage dat aangeeft hoe vochtig de lucht is. Dit ligt tussen 0% (zeer droge lucht) en 100% (verzadigde lucht).

De luchtvochtigheid kan worden gemeten met een psychrometer. Dit is een apparaatje met twee thermometers. De ene thermometer is een gewone thermometer: deze meet de luchttemperatuur. De andere thermometer heeft een natte kous om het vloeistofreservoir. Zie de foto.

foto

Door de psychrometer rond te draaien, verdampt water uit de natte kous. Daardoor koelt de kous af en zal de thermometer met de natte kous een lagere temperatuur aangeven dan de luchttemperatuur. We noemen deze temperatuur de natte temperatuur.

Met de luchttemperatuur én het verschil tussen de luchttemperatuur en de natte temperatuur kun je de luchtvochtigheid bepalen. Hiervoor gebruik je de tabel die op de uitwerkbijlage staat.

Ahmed gebruikt op een bepaald moment een psychrometer. De luchttemperatuur is volgens de gewone thermometer 22 °C, de natte temperatuur is 17 °C.

Vraag 1 3 punten

Bepaal met behulp van de tabel op de uitwerkbijlage de luchtvochtigheid op dat moment.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Het verschil in temperatuur is 5 (°C) (1)
  • Aflezen bij luchttemperatuur 22 (°C) en verschiltemperatuur 5 (°C) (1)
  • Het antwoord: 59(%) (1)

Op de uitwerkbijlage is een figuur afgedrukt. In die figuur is voor diverse verschillen tussen de luchttemperatuur en de natte temperatuur de grafiek getekend van de luchtvochtigheid, afhankelijk van de luchttemperatuur.

Op een bepaalde dag daalde de luchttemperatuur van 31,5 °C naar 15 °C, maar de luchtvochtigheid bleef de hele dag 60%.

Vraag 2 4 punten

Bepaal met behulp van de figuur op de uitwerkbijlage hoeveel de natte temperatuur die dag daalde.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Aflezen bij luchtvochtigheid 60% en luchttemperatuur 31,5 °C geeft een temperatuurverschil van 6 (°C) (of aangeven op de uitwerkbijlage) (1)
  • Aflezen bij luchtvochtigheid 60% en luchttemperatuur 15 °C geeft een temperatuurverschil van 4 (°C) (of aangeven op de uitwerkbijlage) (1)
  • De bijbehorende natte temperaturen zijn 25,5 (°C) en 11 (°C) (1)
  • De natte temperatuur daalde 14,5 (°C) (1)

De waarden voor de luchtvochtigheid in de tabel op de uitwerkbijlage zijn afgerond op hele procenten. De luchtvochtigheid kan nauwkeuriger berekend worden met de volgende formule: 330 L = 100

  • · (T
  • Tnat ) (formule 1)

18 + T Hierin is L de luchtvochtigheid in %, T de luchttemperatuur en Tnat de natte temperatuur, beide in °C.

Op 4 november 2015 om 10.30 uur ’s ochtends was de luchttemperatuur in Almelo 11 °C. Het verschil tussen de luchttemperatuur en de natte temperatuur was op dat moment 3 °C. Mijke berekent de luchtvochtigheid met de formule. Jaap berekent de luchtvochtigheid met de tabel. Dit geeft twee verschillende uitkomsten.

Vraag 3 4 punten

Bereken hoe groot het verschil tussen deze twee uitkomsten is. Geef je antwoord in twee decimalen.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerking Als de luchtvochtigheid van 66% niet met de tabel wordt gevonden, maar met de figuur op de uitwerkbijlage, hiervoor geen scorepunten in mindering brengen.

Als de luchttemperatuur 27 °C is, dan is formule 1 te vereenvoudigen tot 330 L = 100

  • · ( 27
  • Tnat ) (formule 2) 45 Er geldt: hoe lager de natte temperatuur is, des te lager is de luchtvochtigheid. Dit kan beredeneerd worden aan de hand van formule 2.

Vraag 4 3 punten

Geef deze redenering, zonder getallen in te vullen of een schets of tekening van de grafiek van L te maken.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

  • Uit formule 2 volgt dat het verband tussen Tnat en L lineair is (1) 330
  • De richtingscoëfficiënt is en dit is positief (1) 45
  • (De grafiek van L is dus een stijgende lijn, dus) als Tnat kleiner wordt, dan wordt L kleiner (1p)

CO2-concentratie in de atmosfeer

Vanaf 1959 heeft Charles David Keeling de CO 2-concentratie in de atmosfeer gemeten. Deze metingen laten zien dat de CO2-concentratie in de atmosfeer in de loop van de jaren flink is toegenomen. In figuur 1 zijn voor de periode 1959–2015 de jaargemiddelden van de CO 2-concentratie weergegeven. De gebruikte eenheid van de CO2-concentratie is ppm (parts per million): het aantal CO2-deeltjes per miljoen luchtdeeltjes. Figuur 1 staat vergroot afgedrukt op de uitwerkbijlage.

[figuur 1: zie het originele examen]

Het blijkt dat de CO2-concentratie elk jaar volgens hetzelfde patroon om het jaargemiddelde schommelt. In figuur 2 kun je aflezen hoeveel het maandgemiddelde van de CO 2-concentratie afwijkt van het jaargemiddelde. Figuur 2 staat ook afgedrukt op de uitwerkbijlage.

[figuur 2: zie het originele examen]

Vraag 5 3 punten

Bepaal het maandgemiddelde van de CO 2-concentratie voor de maand september 1990. Gebruik hierbij de figuren op de uitwerkbijlage. Geef je antwoord in één decimaal nauwkeurig.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerking Het jaargemiddelde en de afwijking daarvan mogen worden afgelezen met een marge van 2 respectievelijk 0,1 ppm.

Keeling schatte in 1970 op grond van zijn meetgegevens over de periode 1959–1970 dat het jaargemiddelde van de CO2-concentratie vanaf 1970 jaarlijks met 0,3% zou toenemen. Daarmee voorspelde hij hoe hoog het jaargemiddelde van de CO 2-concentratie in 1995 zou zijn. Die voorspelling wijkt een beetje af van het werkelijke jaargemiddelde van het jaar 1995.

Vraag 6 5 punten

Bereken hoeveel procent de voorspelling afwijkt. Gebruik hierbij de figuur op de uitwerkbijlage. Geef je antwoord als geheel getal.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerkingen

  • De jaargemiddelden mogen worden afgelezen met een marge van

2 ppm.

360

  • 350, 2...
  • Als ·100 berekend is, voor deze vraag maximaal 350, 2...

3 scorepunten toekennen.

De CO2-concentratie blijft toenemen. In 2000 was het jaargemiddelde 369,5 ppm, in 2015 was dit opgelopen tot 400,8 ppm.

Tibbe vermoedt op basis van figuur 1 dat het jaargemiddelde in de periode 2000–2015 groeide volgens een exponentieel verband en dat de groei zich in de jaren daarna voortzet volgens hetzelfde exponentiële verband. Je kunt dan, uitgaande van bovenstaande gegevens, berekenen in welk jaar het jaargemiddelde voor het eerst hoger dan 500 ppm zal zijn.

Vraag 7 5 punten

Bereken op deze manier in welk jaar het jaargemiddelde voor het eerst hoger dan 500 ppm zal zijn.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerkingen

  • De jaargemiddelden mogen ook worden afgelezen met een marge van

2 ppm.

  • Als zowel in deze als in de volgende vraag het jaartal wordt bepaald door naar beneden af te ronden, hiervoor alleen bij deze vraag

1 scorepunt in mindering brengen.

Marrit is het niet eens met Tibbe: zij vermoedt dat er vanaf het jaar 2000 geen sprake is van exponentiële groei, maar van lineaire groei. Je kunt dan, uitgaande van de jaargemiddelden van 2000 en 2015 en met behulp van lineair extrapoleren, berekenen in welk jaar het jaargemiddelde voor het eerst hoger dan 500 ppm zal zijn.

Vraag 8 4 punten

Bereken op deze manier in welk jaar het jaargemiddelde voor het eerst hoger dan 500 ppm zal zijn.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerkingen

  • De jaargemiddelden mogen ook worden afgelezen met een marge van

2 ppm.

  • Als zowel in deze als in de vorige vraag het jaartal wordt bepaald door naar beneden af te ronden, hiervoor alleen bij de vorige vraag

1 scorepunt in mindering brengen.

Wereldwijd worden er afspraken gemaakt met als doel de CO2-concentratie omlaag te brengen. Veronderstel dat het inderdaad lukt om de CO2-concentratie na 2015 zodanig te laten dalen dat het jaargemiddelde in 2050 nog maar 350 ppm is. Dan kan er bijvoorbeeld sprake zijn van afname volgens

  • een lineair verband of
  • een exponentieel verband.

In beide gevallen is het jaargemiddelde in 2015 gelijk en is ook het jaargemiddelde in 2050 gelijk. Echter, een CO2-concentratie van bijvoorbeeld 375 ppm wordt in het ene geval op een eerder moment bereikt dan in het andere geval.

Vraag 9 3 punten

Leg uit, zonder berekeningen te geven, in welk van de twee genoemde gevallen de CO2-concentratie het eerst de waarde 375 ppm bereikt.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

  • Een schets van een dalende lijn en een afnemend dalende grafiek met hetzelfde beginpunt en eindpunt (1p)
  • Het aangeven van twee punten op deze grafieken op dezelfde hoogte (1p)

Snelheidsovertredingen

In veel dorpen geldt een snelheidslimiet van 30 of 50 km/uur. Niet elke automobilist houdt zich hieraan en dit kan onveilige situaties opleveren. Daarom kan iedereen onveilige verkeerssituaties melden bij Veilig Verkeer Nederland (VVN). Als men bij VVN het vermoeden heeft dat het om een gegronde melding gaat, dan gaan vrijwilligers op pad om de snelheid van passerende automobilisten te meten.

Vanuit het dorp Borssele is zo’n melding binnengekomen over de Monsterweg. Vervolgens is op een dinsdagochtend tussen 7 en 9 uur op deze weg de snelheid van 250 passerende automobilisten gemeten. Aan de hand van de resultaten van deze steekproef wil men een uitspraak doen over het percentage automobilisten dat in een willekeurige week op deze weg te hard rijdt.

Vraag 10 2 punten

Leg uit waarom deze steekproef waarschijnlijk niet representatief is en geef aan hoe dat verbeterd kan worden.

Bekijk het antwoord
  • De steekproef is waarschijnlijk niet representatief, omdat er alleen op dinsdagochtend is gemeten (, waardoor je geen afspiegeling van het verkeer hebt dat wekelijks over deze weg rijdt) (1)
  • Er zou op meerdere dagen per week gemeten moeten worden (1)

Er wordt een nieuwe steekproef op de Monsterweg gehouden die wel representatief is. Op deze weg, waar de snelheidslimiet 50 km/uur is, is de snelheid van 169 auto’s gemeten. Ook wordt er een representatieve steekproef gehouden op de Noordsingel in Borssele. Op deze weg, waar de snelheidslimiet 30 km/uur is, is de snelheid van 100 auto’s gemeten. De resultaten van de twee steekproeven zijn weergegeven in de figuur.

figuur

Vraag 11 2 punten

Ligt de snelheidslimiet op de Noordsingel in de modale klasse? Licht je antwoord toe.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

  • In de klasse waar (de snelheidslimiet) 30 (km/uur) in ligt, zitten

7 voertuigen (1)

  • Er zijn klassen met meer dan 7 voertuigen, dus de snelheidslimiet ligt niet in de modale klasse (1p)

HA-1024-a-o De situatie op de Noordsingel is zorgwekkend: er waren maar weinig automobilisten die zich aan de snelheidslimiet hielden. Men wil het 95%-betrouwbaarheidsinterval berekenen van het percentage automobilisten op de Noordsingel dat te hard rijdt.

Vraag 12 4 punten

Bereken dit 95%-betrouwbaarheidsinterval. Rond de percentages in je antwoord af op gehele getallen.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • p (of de steekproefproportie van het aantal automobilisten dat te hard 100 − 2 − 7 rijdt) is = 0, 91 (1)
  • n (of de steekproefomvang) is 100 (1)
  • Het 95%-betrouwbaarheidsinterval van de populatieproportie is 0,91(1 − 0,91) 0,91 ± 2 · (1)
  • Het antwoord: [85; 97] (%) (1)

Piet wil een diagram maken met de gegevens van de Monsterweg uit de figuur. Hij overweegt de volgende drie diagrammen:

  • een boxplot
  • een spreidingsdiagram (puntenwolk)
  • een cumulatieve relatieve frequentiepolygoon

Hij wil dat uit het diagram af te lezen is hoe groot het percentage van de automobilisten is dat zich aan de snelheidslimiet houdt.

Vraag 13 3 punten

Geef voor elk van deze drie diagrammen aan of dat hiervoor geschikt is. Licht je antwoord telkens toe.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerking Elk scorepunt mag alleen worden toegekend als een juiste toelichting is gegeven.

Voor de Monsterweg wordt onderzocht of een groter deel van de automobilisten zich aan de snelheidslimiet houdt als er matrixborden langs de weg worden geplaatst die de maximumsnelheid aangeven. Zie de foto.

foto

In het eerdere onderzoek (situatie zonder matrixborden) van VVN hielden

111 van de 169 automobilisten op de Monsterweg zich aan de snelheidslimiet. In het vervolgonderzoek, waarin er matrixborden geplaatst waren, hielden 183 van de 213 automobilisten zich aan de snelheidslimiet. In de twee onderzoeken is het deel van de automobilisten dat zich aan de snelheidslimiet houdt dus verschillend.

Vraag 14 4 punten

Bepaal met behulp van het formuleblad of dit verschil gering, middelmatig of groot is.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

  • Een correcte kruistabel, bijvoorbeeld (1p)

hield zich aan de hield zich niet aan de (totaal) snelheidslimiet snelheidslimiet situatie zonder

111 58 (169) matrixborden situatie met

183 30 (213) matrixborden (totaal) (294) (88) (382)

111· 30

  • 183 · 58

Opmerking Als bij de berekening van phi voor a, b, c en d de getallen 111, 169, 183 en

213 worden gebruikt, voor deze vraag maximaal 2 scorepunten toekennen.

Motorblokken bestellen

Een fabrikant produceert jaarlijks

27 000 auto’s van een bepaald type. De fabrikant bestelt de 27 000 motorblokken die hiervoor nodig zijn bij een leverancier. De fabrikant kan deze 27 000 motorblokken in één keer bestellen of over meerdere bestellingen verdelen. Het aantal motorblokken is bij elke bestelling even groot. Zo kan de fabrikant bijvoorbeeld

5 keer 5400 motorblokken bestellen of

20 keer 1350.

De fabrikant betaalt een prijs van 2000 euro per motorblok. Daarnaast betaalt de fabrikant voor iedere bestelling bestelkosten. Na levering worden de motorblokken door de fabrikant in een opslagruimte geplaatst totdat ze nodig zijn. Het lijkt misschien handig om elk jaar alle motorblokken in één keer te bestellen, omdat de fabrikant dan maar één keer bestelkosten hoeft te betalen. De fabrikant heeft dan echter wel een grotere opslagruimte nodig en dat kost geld. Bestelt hij meerdere keren per jaar een kleinere hoeveelheid, dan kan hij een kleinere opslagruimte gebruiken en is hij dus minder geld kwijt aan opslag.

Het aantal motorblokken is dus bij elke bestelling even groot. Dit aantal heet de bestelhoeveelheid q. Ongeacht de bestelhoeveelheid worden er per bestelling steeds dezelfde bestelkosten B (in euro’s) gerekend.

De totale jaarlijkse kosten (in euro’s) voor de fabrikant bestaan uit:

de kosten van alle motorblokken (ofwel 27 000 · 2000 = 54 000000 );

27 000

  • de totale bestelkosten ( · B ); q
  • de kosten voor opslag: bij deze fabrikant 60q .

Hierin is q de bestelhoeveelheid en B de bestelkosten per bestelling (in euro’s).

Vraag 15 2 punten

Leg uit, zonder een getallenvoorbeeld te gebruiken, waarom de totale

27 000 bestelkosten gelijk zijn aan ·B. q

Bekijk het antwoord
  • Het aantal bestellingen is (1)
  • Per bestelling zijn de kosten B (euro), dus in totaal zijn de bestelkosten 27 000 gelijk aan · B (euro) (1)

HA-1024-a-o De fabrikant berekent de totale jaarlijkse kosten TK in euro’s dus met de volgende formule:

27 000 TK = 54 000 000 + · B + 60q (formule 1) q In plaats van alle 27 000 motorblokken voor een heel jaar in 1 keer te bestellen kan de fabrikant er ook voor kiezen om ze in 10 keer te bestellen.

Vraag 16 4 punten

Bereken het verschil in totale jaarlijkse kosten tussen deze twee mogelijkheden als de bestelkosten per bestelling 1800 euro zijn.

Bekijk het antwoord

Opmerking Als in de formule voor TK in het tweede en derde antwoordelement respectievelijk 10 en 1 is ingevuld voor q, voor deze vraag maximaal

2 scorepunten toekennen.

Er is een bepaalde bestelhoeveelheid waarbij de totale jaarlijkse kosten minimaal zijn: dit is de zogenaamde optimale bestelhoeveelheid. Deze kan berekend worden met de volgende formule:

27 000 · B = 60q (formule 2) q Hierin is q de optimale bestelhoeveelheid en B de bestelkosten per bestelling in euro’s.

De fabrikant wil de totale jaarlijkse kosten minimaliseren en bestelt dus de optimale bestelhoeveelheid.

Vraag 17 4 punten

Bereken hoeveel keer per jaar de fabrikant dan een bestelling moet plaatsen als de bestelkosten per bestelling 1800 euro zijn.

Bekijk het antwoord
  • De vergelijking ·1800 = 60q moet worden opgelost (1)
  • Beschrijven hoe deze vergelijking kan worden opgelost (1)
  • Dit geeft q = 900 (1)
  • Het aantal bestellingen is , dus 30 (1)

Formule 2 is te herleiden tot de vorm q = a · B , waarin a een getal is.

Vraag 18 4 punten

Laat deze herleiding zien en geef a als geheel getal.

Bekijk het antwoord
  • 27 000 · B = 60 q 2 (1)
  • q = 450 B (1)
  • q= 450 B geeft q = 21, 21... · B (of q = 450 · B ) (1)
  • (Afgerond geeft dit) het antwoord: q = 21 B (of a = 21 ) (1)

Sprinten met rugwind

Op 16 augustus 2009 verbrak Usain Bolt op de wereldkampioenschappen atletiek in Berlijn het wereldrecord op de 100 meter sprint door een tijd te lopen van 9,58 seconden. Het wereldrecord van de vorige wereldrecordhouder, Asafa Powell, was 9,74 seconden.

Stel dat Bolt en Powell bovengenoemde tijden met constante snelheid in dezelfde race hadden gelopen.

Vraag 19 3 punten

Bereken hoeveel meter Powell dan nog te gaan had op het moment dat Bolt finishte. Geef je antwoord in twee decimalen.

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

  • Toen Bolt finishte had Powell 9,58 ·10, 266... (= 98,357...) (m) afgelegd (1p)
  • Powell had nog 100
    • 98,357... = 1, 64 (m) te gaan (1)

of 9,58

  • De snelheid van Powell was (= 0,98357...) keer zo groot als die 9, 74 van Bolt (1p)
  • Powell had 0,98357... ·100 (= 98,357...) (m) afgelegd op het moment dat Bolt finishte (1p)
  • Powell had nog 100
    • 98,357... = 1, 64 (m) te gaan (1)

De tijd die een sprinter loopt, hangt ook af van de wind die tijdens de sprint waait. Bij rugwind krijgt de sprinter als het ware een duwtje in de rug en zal hij een snellere tijd lopen. De Engelse wiskundige Barrow heeft voor het geval van rugwind de volgende formule afgeleid: 2 W ·M Z = 1,03M

  • 0,03M · 1
  • 100 Hierin is M de tijd (in seconden) die gelopen wordt met rugwindsnelheid W (in meters per seconde) en Z de tijd (in seconden) die gelopen wordt zonder wind.

Een geregistreerde tijd mag alleen als record tellen als de rugwindsnelheid niet groter is dan 2,0 meter per seconde. Toen Bolt in Berlijn zijn wereldrecord van 9,58 seconden liep, was de rugwindsnelheid 0,9 meter per seconde.

Vraag 20 5 punten

Bereken met behulp van de formule welke tijd Bolt gehaald zou hebben als de rugwindsnelheid 2,0 meter per seconde was geweest. Geef je antwoord in twee decimalen.

Bekijk het antwoord

Opmerkingen

  • Als de getallen 0,9 en 2,0 in bovenstaande berekening zijn verwisseld, voor deze vraag maximaal 4 scorepunten toekennen. 2 2, 0 · M
  • Als de vergelijking 9,58 = 1, 03M
  • 0, 03M · 1
  • wordt 100 opgelost, voor deze vraag maximaal 2 scorepunten toekennen. 2 2, 0 · 9,58
  • Als het antwoord met 1, 03 · 9,58
  • 0, 03 · 9,58 · 1
  • berekend 100 wordt, voor deze vraag geen scorepunten toekennen.

AOW-uitkering1)

Alle inwoners van Nederland ontvangen op basis van de Algemene Ouderdomswet (AOW) vanaf een bepaalde leeftijd (de AOW-leeftijd) een uitkering van de overheid: de AOW-uitkering. Tot en met 2012 was de AOW-leeftijd 65 jaar. Wanneer iemand de AOW-leeftijd heeft bereikt, noemt men hem of haar AOW-gerechtigd. In deze opgave nemen we aan dat iedere AOW-gerechtigde dezelfde AOW-uitkering ontvangt. In 2012 was deze uitkering 10 980 euro per persoon per jaar.

Het aantal ouderen in Nederland neemt toe. Als de Algemene Ouderdomswet niet verandert, zal het jaarlijkse totaalbedrag aan AOW-uitkeringen toenemen. Daarom wordt de AOW-leeftijd sinds 2013 met stappen verhoogd. Iemand stelt voor om bovendien de AOW-uitkering per persoon te verlagen, zodat het totaalbedrag aan AOW-uitkeringen in

2023 hetzelfde is als het totaalbedrag aan AOW-uitkeringen in 2012. Om de hoogte van deze nieuwe AOW-uitkering te berekenen, nemen we het volgende aan:

  • Het aantal inwoners is gedurende elk jaar constant.
  • In 2012 was dit aantal inwoners 16,7 miljoen.
  • Sinds 2012 neemt het aantal inwoners elk jaar toe met 0,44%.

Verder nemen we aan:

  • Het aantal AOW-gerechtigden is gedurende elk jaar een constant percentage van het aantal inwoners van Nederland.
  • In 2012 was dit percentage 16,2%.
  • In 2023 is dit percentage 17,7%.

Vraag 21 6 punten

Onderzoek hoe hoog de AOW-uitkering per persoon in 2023 moet zijn, zodat het totaalbedrag aan AOW-uitkeringen in 2023 hetzelfde is als het totaalbedrag aan AOW-uitkeringen in 2012.

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

  • Bij een AOW-uitkering van 10 980 (euro) is het totaalbedrag aan AOW-uitkeringen 10 980 · 3,10... = 34 061,... (miljoen); dat zou een toename van 34 061,...
    • 29 705,... = 4356,... (miljoen) betekenen; dus moet de AOW-uitkering 4356,...: 3,10... = 1404, 30 (euro) lager worden; dus de AOW-uitkering per persoon in 2023 moet

10 980

  • 1404, 30 = 9575, 70 (of 9576) (euro) zijn (1p)

of

  • Het aantal AOW-gerechtigden in 2023 is ( = 1,14... ) keer zo 2, 70... groot als in 2012 (1p)
  • De AOW-uitkering per persoon in 2023 moet 1,14... keer zo klein zijn

10 980 als in 2012, dus = 9575,70 (of 9576) (euro) (1) 1,14...

Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen havo Wiskunde A 2022, tijdvak 1. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2022/havo/documenten/cse-1/ha-1024-a-22-1-o

Andere examens wiskunde A havo

Hoe ToetsChecker wiskunde A per vraagtype nakijkt, lees je op wiskunde A toetsen nakijken met AI.

Veelgestelde vragen

Hoeveel vragen heeft het eindexamen wiskunde A havo 2022, tijdvak 1?

Het centraal examen wiskunde A havo 2022, tijdvak 1 loopt tot vraag 21. Van 18 vragen staat het onderwerp in de vragenbank. De meeste vragen gaan over statistiek (6), formules en grafieken (5) en lineaire verbanden (4).

Wat zijn de antwoorden van het examen wiskunde A havo 2022, tijdvak 1?

Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.

Waar vind ik het correctievoorschrift van wiskunde A havo 2022, tijdvak 1?

Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2022/havo/documenten/cse-1/ha-1024-a-22-1-c). Bij dit examen hoort ook een aanvulling op het correctievoorschrift.

Hoe oefen ik met het examen wiskunde A havo 2022, tijdvak 1 en krijg ik feedback?

Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.