Eindexamen wiskunde A havo 2023, tijdvak 2: vragen en antwoorden

Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Minder rokers, Voedselconsumptie, Aantal stemmen per liedje, Geregistreerde misdrijven, De 100 meter, Testresultaten en afhakers.

Kort antwoord

Het centraal examen wiskunde A havo 2023, tijdvak 2 telt 23 vragen. De meeste vragen gaan over statistiek (9), formules en grafieken (8) en exponentiële groei (3). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.

Onderwerpen in dit examen

Onderwerp per vraag in het centraal examen wiskunde A havo 2023, tijdvak 2. Elke vraag is eenmalig door een AI-model bij een onderwerp ingedeeld; per vraag kan dat afwijken.
OnderwerpVragenAantal
Statistiek1-2, 5-7, 15-17, 239
Formules en grafieken3, 9-13, 20, 228
Exponentiële groei14, 19, 213
Lineaire verbanden41
Normale verdeling81
Veranderingen en afgeleide181

Vergeleken met andere jaren

Vergeleken met de andere 17 examens wiskunde A havo sinds 2018: dit examen vroeg meer over statistiek (39% van de vragen, gemiddeld 32%) en formules en grafieken (35% van de vragen, gemiddeld 29%). Minder over lineaire verbanden (4% van de vragen, gemiddeld 14%).

Opgaven en correctievoorschrift

De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.

Oefenen als leerling

Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen wiskunde A havo 2023, tijdvak 2 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.

Nakijken als docent

  1. Start gratis vanaf deze pagina

    Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen wiskunde A havo 2023, tijdvak 2 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.

  2. Laat de klas het examen maken

    Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.

  3. Geef de resultaten vrij

    Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.

ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.

Vragen en antwoorden

Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen wiskunde A havo 2023, tijdvak 2. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.

Minder rokers

Figuur 1 komt uit het rapport Volksgezondheid Toekomst Verkenning 2018 van het RIVM1). In deze figuur zijn voor Nederland het percentage van de mannen dat rookt en het percentage van de vrouwen dat rookt op 1 juli voor de jaren 1990 tot en met 2018 weergegeven.

figuur 1 Percentage rokers 18 jaar of ouder

Deze hele opgave gaat alleen over mannen en vrouwen van 18 jaar of ouder.

Op 1 juli 2015 telde Nederland 6 618 000 mannen en 6 853 000 vrouwen van 18 jaar of ouder.

Vraag 1 4 punten

Bereken met behulp van figuur 1 hoeveel procent van de rokers op

1 juli 2015 man was. Geef je antwoord in hele procenten.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Opmerkingen

  • De percentages mogen met een marge van 0,5 worden afgelezen.
  • Als de kandidaat alleen het percentage van de mannen dat rookt afleest en daarmee het aantal mannen dat rookt berekent, voor deze vraag maximaal 1 scorepunt toekennen.

Voor de periode vanaf 2018 heeft het RIVM een formule opgesteld om de ontwikkeling van het percentage van de mannen dat rookt te voorspellen. Men gaat uit van een lineaire afname volgens de volgende formule: Pm = −0,61t + 25,93 (formule 1)

Hierin is Pm het percentage van de mannen dat rookt en t het aantal jaren vanaf 1 juli 2018.

noot 1 RIVM = Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu

Het RIVM beweert dat volgens formule 1 het percentage van de mannen dat rookt voor de start van het jaar 2040 gehalveerd is ten opzichte van

1 juli 2018.

Vraag 2 3 punten

Onderzoek of deze bewering juist is.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

  • 1 januari 2040 komt overeen met t = 21,5 (1p)
  • Op 1 januari 2040 is Pm = (−0, 61 · 21,5 + 25,93 =)12,815 (1p)
  • Bij halvering zou Pm = 12,965 zijn (dus Pm is lager voor 2040), dus de bewering is juist (1p)

Opmerking Als de kandidaat rekent met de helft van de afgelezen waarde 25,5 en antwoordt dat de bewering niet juist is, voor deze vraag geen scorepunten in mindering brengen.

Figuur 2 is ontstaan door in figuur 1 de trendlijn te tekenen voor het percentage van de vrouwen dat rookt.

figuur 2 Percentage rokers 18 jaar of ouder

De percentages van de vrouwen die roken op 1 juli in 1995 en 2004 liggen precies op de trendlijn. Met deze gegevens kan een formule voor de trendlijn worden opgesteld:

Pv = −0,33 t + 30, 67 (formule 2)

Hierin is Pv het percentage van de vrouwen dat rookt en t het aantal jaren vanaf 1 juli 1990.

De percentages van de vrouwen die roken in 1995 en 2004 zijn gehele getallen.

Vraag 3 3 punten

Bereken met deze percentages de getallen in formule 2 in drie decimalen.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • Aflezen van de percentages 29 en 26 in 1995 respectievelijk 2004 (1)
  • De richtingscoëfficiënt van de lijn is = −0,3333... en dat is 2004 − 1995 in drie decimalen −0,333 (1)
  • Het startgetal in de formule (ofwel het percentage op 1 juli 1990) is 29 − −0,333... · 5 = 30,6666... en dat is in drie decimalen 30,667 (1)

Het percentage van de mannen dat rookt, kan vanaf 1 juli 2018 worden berekend met formule 1. Het percentage van de vrouwen dat rookt, kan vanaf 1 juli 1990 worden berekend met formule 2.

Vraag 4 5 punten

Onderzoek in welk jaar het percentage van de mannen dat rookt en het percentage van de vrouwen dat rookt gelijk zullen zijn.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

  • Het inzicht dat formule 1 of 2 aangepast moet worden (2p)
  • Bijvoorbeeld: de vergelijking Pv = −0,33t + 30, 67
    • 0,33 · 28(= −0,33t + 21, 43) geldt vanaf 1 juli 2018, dus de vergelijking −0,33t + 21, 43 = −0,61t + 25,93 moet worden opgelost (1)
  • Beschrijven hoe het oplossen van deze vergelijking leidt tot t = 16,07... (1p)

Opmerkingen

  • Voor het derde antwoordelement van het eerste alternatief en het eerste antwoordelement van het tweede alternatief mogen uitsluitend 0 of 2 scorepunten worden toegekend.
  • Als gerekend wordt met de in de vorige vraag van deze opgave berekende waarden, geen scorepunten in mindering brengen.

Voedselconsumptie

In de periode 2012-2014 is onderzocht wat kinderen en volwassenen aten en dronken. Deze voedselconsumptiepeiling is uitgevoerd bij personen die toen tussen de 1 en 79 jaar oud waren en in Nederland woonden. Om een goed beeld te krijgen van wat er gedurende het jaar gegeten en gedronken werd, is de gegevensverzameling gelijkmatig verdeeld over de dagen van het jaar.

Vraag 5 2 punten

Geef een voorbeeld van welk vertekend beeld je zou kunnen krijgen wanneer de gegevensverzameling niet gelijkmatig over de dagen van het jaar verdeeld is.

Bekijk het antwoord

Opmerking Voor het antwoord mogen uitsluitend 0 of 2 scorepunten worden toegekend.

In de voedselconsumptiepeiling werd onderscheid gemaakt tussen vast voedsel (inclusief zuivel) en dranken (zonder zuivel). Daarnaast werd ook gekeken of de voedingsmiddelen binnen of buiten de Schijf van Vijf vallen. De Schijf van Vijf is een hulpmiddel dat wordt gebruikt in de voorlichting over gezonde voeding en bevat vijf categorieën met aanbevolen voedingsmiddelen:

  • dranken (zonder zuivel)
  • brood, graanproducten en aardappelen
  • smeer- en bereidingsvetten
  • zuivel, noten, vis, peulvruchten, vlees en ei
  • groente en fruit

Buiten de Schijf van Vijf vallen bijvoorbeeld koekjes, cola, chips, witbrood en vla, maar ook groenten met toegevoegd zout in pot of fruit op siroop in blik.

Op de volgende bladzijde staat op de verticale as van figuur 1 de gemiddelde voedselconsumptie per persoon per dag (in gram).

figuur 1 Gemiddelde voedselconsumptie per persoon

Vraag 6 4 punten

Bereken met behulp van figuur 1 welk percentage van de totale voedselconsumptie per persoon per dag bestond uit dranken (zonder zuivel). Geef je antwoord in hele procenten.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Opmerking De voedselconsumptie mag telkens worden afgelezen met een marge van

25 gram per dag.

Figuur 1 kwam tot stand op basis van een steekproef van 2237 personen. Ga uit van de volgende aannames:

  • de steekproef is aselect en representatief
  • de populatie bestaat uit in Nederland wonende personen met een leeftijd tussen de 1 en 79 jaar
  • de gemiddelde voedselconsumptie per persoon is normaal verdeeld
  • het bijbehorende 95%-betrouwbaarheidsinterval van het populatiegemiddelde van de gemiddelde voedselconsumptie per persoon is 25 gram breed We kunnen dan de standaardafwijking berekenen die bij de steekproef hoort.

Vraag 7 4 punten

Bereken deze standaardafwijking. Geef je antwoord in gehele grammen.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • De breedte van het 95%-betrouwbaarheidsinterval is 4 · (1)
  • De vergelijking 4 · = 25 moet worden opgelost (1)
  • Beschrijven hoe deze vergelijking kan worden opgelost (1)
  • Het antwoord: 296 (gram) (1)

De behoefte aan voedingsstoffen verschilt per persoon en is normaal verdeeld. Een voedingsnorm is de aanbevolen hoeveelheid voedingsstof die genoeg is voor bijna alle mensen. Zie figuur 2.

[figuur 2: zie het originele examen]

Omdat figuur 2 gebaseerd is op de aanname dat de individuele behoefte normaal verdeeld is, kan er concreter worden aangegeven wat er bedoeld wordt met ‘bijna alle mensen’.

Vraag 8 2 punten

Geef het percentage dat hier bedoeld wordt met ‘bijna alle mensen’.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Opmerking Als de kandidaat wel de vuistregel van de normale verdeling gebruikt die zegt dat 95% van de waarnemingen zich bevindt tussen het gemiddelde plus of min twee keer de standaardafwijking en komt tot een foutief percentage (van bijvoorbeeld 2,5), voor deze vraag 1 scorepunt toekennen.

Aantal stemmen per liedje

De Top 2000 is een jaarlijks terugkerend radioprogramma. Mensen kunnen vooraf stemmen op liedjes. De 2000 populairste liedjes worden achter elkaar gedraaid. Alleen de aantallen stemmen op het liedje op positie 1 en het liedje op positie 2000 worden openbaar gemaakt. Men vermoedt dat de volgende formule een goede schatting geeft voor het aantal stemmen op een liedje in de ranglijst:

E S= voor N = 1, 2, 3, …, 2000 (formule 1)

E ( N

  • 1) 1+

2000 · L

Hierin is:

  • N de positie in de ranglijst;
  • S het geschatte aantal stemmen op het liedje dat op positie N in de ranglijst staat;
  • E het werkelijke aantal stemmen op het liedje dat op positie 1 in de ranglijst staat;
  • L het werkelijke aantal stemmen op het liedje dat op positie 2000 in de ranglijst staat.

Met formule 1 kun je een schatting maken van het aantal stemmen op het liedje dat op positie 1 in de ranglijst staat.

Vraag 9 2 punten

Laat zien dat dit geschatte aantal overeenkomt met het werkelijke aantal stemmen op dit liedje.

Bekijk het antwoord
  • N = 1 invullen in de formule van S (1)
  • Dit geeft S = = = = E E ·0 1+ 0 1 1+ 2000 · L (dus het geschatte aantal stemmen op het liedje dat op positie 1 staat, komt overeen met het werkelijke aantal stemmen op dit liedje) (1)

Het liedje met de meeste stemmen komt op positie 1, het liedje dat daarna de meeste stemmen heeft, komt op positie 2, enzovoort. Logischerwijs zou dus het geschatte aantal stemmen S op een liedje lager moeten worden naarmate N groter wordt.

Vraag 10 3 punten

Laat met een redenering zien dat formule 1 deze eigenschap heeft.

Bekijk het antwoord
  • (N is minstens 1 en E is positief, dus) als N groter wordt, wordt E ( N − 1) groter (1)
  • (L is positief en constant, dus) als E ( N − 1) groter wordt (wordt E ( N − 1) groter, want de teller van de breuk wordt groter en de noemer 2000 · L E ( N − 1) blijft gelijk en) wordt 1 + ook groter (want bij de groter 2000 · L wordende breuk wordt alleen de constante 1 opgeteld) (1)
  • S is een breuk waarvan (de teller constant blijft en) de noemer groter wordt, dus de uitkomst van S wordt lager (1)

Voor de Top 2000 van 2006 geldt:

  • het liedje op positie 1 had 10 000 stemmen;
  • het liedje op positie 2000 had 150 stemmen.

Hiermee kan formule 1 herleid worden tot:

300 000 S= (formule 2) N + 29

Vraag 11 4 punten

Geef deze herleiding.

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

10 000

  • S= (1p)

10 000( N

  • 1) 1+

2000 ·150

10 000

  • Dit geeft S = (1) N −1 1+ 30

30 ·10 000

  • Dit geeft S = (1) N −1

30 + 30 · 30

300 000

  • Dit geeft S = (1) N + 29 of

10 000

  • S= (1p)

10 000( N

  • 1) 1+

2000 ·150

10 000

  • Dit geeft S = (1p)

10 000 N

  • 10 000 1+

300 000

10 000 · 300 000

  • Dit geeft S = (1p)

300 000 + 10 000 N

  • 10 000

300 000 300 000

  • Dit geeft S = (dus) S = (1p)

30 + N

  • 1 N + 29

Over de Top 2000 van 2006 is meer bekend dan gebruikelijk: er zijn in totaal 1,5 miljoen stemmen uitgebracht.

Vraag 12 3 punten

Bereken hoeveel procent van de stemmen in totaal op de top 3 van deze Top 2000 is uitgebracht volgens formule 2. Geef je antwoord in hele procenten.

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

  • ·100(%) = 2(%) (1p)

1500 000

Omdat het aantal stemmen per liedje normaal gesproken niet openbaar gemaakt wordt, vraagt men zich af wat men bij de Top 2000 doet als een liedje precies evenveel stemmen krijgt als een ander liedje. Als we met formule 2 het geschatte aantal stemmen per liedje berekenen en dat vervolgens afronden op een geheel getal, dan kan het zijn dat er na afronding liedjes zijn die evenveel stemmen hebben gekregen.

Vraag 13 3 punten

Bereken hoeveel liedjes er in de Top 2000 van 2006 zijn die volgens formule 2 na afronding 200 stemmen zouden hebben gekregen.

Bekijk het antwoord

Opmerkingen

300 000

  • Bij het oplossen van de vergelijking = 200 leidend tot N = 1471 N + 29 en het antwoord 1 liedje, voor deze vraag maximaal 1 scorepunt toekennen.
  • Bij de antwoorden 2, 3, 4, 5 of 6 liedjes, voor deze vraag maximaal

2 scorepunten toekennen.

Geregistreerde misdrijven

In de onderstaande figuur staat voor Nederland het aantal geregistreerde misdrijven per duizend inwoners per jaar. Er is ook een uitsplitsing gemaakt naar verschillende types misdrijven, waaronder vermogensmisdrijven en geweldsmisdrijven.

figuur

Van 1960 tot 1985 steeg het totaal aantal geregistreerde misdrijven van

13 naar 81 per duizend inwoners. Neem aan dat deze stijging exponentieel verliep.

Vraag 14 4 punten

Bereken met deze gegevens het jaarlijkse groeipercentage. Geef je antwoord in één decimaal.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Opmerkingen 1

  • Als gerekend wordt met ( 81
  • 13) 25 , voor deze vraag maximaal

2 scorepunten toekennen. 81

  • Als gerekend wordt met : 25 , voor deze vraag maximaal 13

2 scorepunten toekennen.

In 1985 was bijna 80% van het totaal aantal geregistreerde misdrijven een vermogensmisdrijf.

Vraag 15 3 punten

Beredeneer met behulp van de figuur, zonder een berekening te maken, of dit percentage in 2002 hoger of lager was dan in 1985.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • In 2002 was het totaal aantal geregistreerde misdrijven per 1000 inwoners (ongeveer 93) hoger dan in 1985 (ongeveer 81) (1)
  • Het aantal vermogensmisdrijven per 1000 inwoners in 2002 is vrijwel gelijk aan het aantal in 1985 (1)
  • Het percentage vermogensmisdrijven in 2002 was dus lager dan in 1985 (1)

Sinds het begin van deze eeuw daalt het totaal aantal geregistreerde misdrijven, met name door een daling van het aantal geregistreerde vermogensmisdrijven. Een voorbeeld van een vermogensmisdrijf is een woninginbraak. Iemand vermoedt dat er in het begin van deze eeuw bij een kleiner percentage van de woningen werd ingebroken dan aan het eind van de vorige eeuw. Om hier zicht op te krijgen is in 2004 in een aselecte steekproef uit de woningen gekeken bij welk percentage er in dat jaar was ingebroken. De resultaten kunnen worden vergeleken met die van een aselecte steekproef uit de woningen in 1998. Zie de tabel.

tabel

1998 2004

aantal woningen 3437 1456

percentage woningen waarbij is ingebroken 2,15 1,58

De tabel laat zien dat het steekproefpercentage woningen waarbij is ingebroken in 2004 lager is dan in 1998. We gaan deze gegevens op twee manieren met elkaar vergelijken.

Vraag 16 3 punten

Onderzoek of het steekproefpercentage uit 2004 in het 95%-betrouwbaarheidsinterval ligt van het populatiepercentage in 1998.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • De ondergrens van het 95%-betrouwbaarheidsinterval voor de 0, 0215 · (1 − 0, 0215 ) populatieproportie in 1998 is 0, 0215 − 2 · (1)
  • Deze ondergrens is 0,0165…(of 1,65…) (1)
  • (0,0158 (of 1,58) is kleiner dan deze ondergrens, dus) het steekproefpercentage uit 2004 ligt niet in het 95%-betrouwbaarheidsinterval van het populatiepercentage in 1998 (1)

In 2004 is het steekproefpercentage woningen waarbij is ingebroken lager dan in 1998.

Vraag 17 4 punten

Onderzoek met behulp van het formuleblad of het verschil in steekproefpercentage woningen waarbij is ingebroken in de twee steekproeven groot, middelmatig of gering is.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

  • Opstellen van een relevante kruistabel als (2p)

1998 2004 totaal wel inbraak 74 23 (97) geen inbraak 3363 1433 (4796) totaal (3437) (1456)

74 ·1433

  • 23 · 3363

Opmerking Voor het eerste antwoordelement mag voor een niet volledig juist antwoord

1 scorepunt worden toegekend.

De 100 meter

In deze opgave bekijken we een wiskundig model van een sprint over

100 meter hardlopen. In dit model gaan we uit van 2 fases:

  • fase I: zo snel mogelijk op topsnelheid komen;
  • fase II: de topsnelheid vasthouden tot het einde van de sprint. Van een bepaalde topatleet staat in figuur 1 de afgelegde afstand A in meter uitgezet tegen de tijd t in seconden.

[figuur 1: zie het originele examen]

Deze atleet legt zijn sprint in 9,9 seconden af. Na 4,0 seconden bereikt hij zijn topsnelheid; dan heeft hij al 31 meter afgelegd.

Je kunt met deze gegevens zijn topsnelheid berekenen; deze is afgerond 11,7 m/s.

Vraag 18 3 punten

Bereken deze topsnelheid in twee decimalen.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • De atleet legt op zijn topsnelheid in (9,9 − 4,0 =)5,9 seconden (100 − 31 =) 69 meter af (1)
  • De topsnelheid is (m/s) (1)
  • Dit is (11,694…(m/s), dus) in twee decimalen 11,69 (m/s) (1)

Het eerste deel van de grafiek is (toenemend) stijgend. Je kunt je afvragen of er sprake is van exponentiële groei. In de tabel staan een aantal waarden uit fase I van die sprint.

tabel t (s) 1,2 1,9 3,0

A (m) 5 10 20

Vraag 19 3 punten

Onderzoek met behulp van de tabelwaarden of er sprake kan zijn van exponentiële groei.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

  • De groeifactor per seconde van t = 1, 2 naar t = 1,9 is = 2, 691... (1) 5 1

20 1,1

  • De groeifactor per seconde van t = 1,9 naar t = 3,0 is = 1,877... (1) 10

Het verband tussen de aflegde afstand A in meter en de tijd t in seconden in fase I kan voor de atleet benaderd worden door de formule:

A = 3,8 · t1,5

De atleet moet in het begin nog op snelheid komen. Hij zal daarom ook langer doen over de eerste 25 meter dan over de laatste 25 meter van de

100 meter. Bij de laatste 25 meter is hij immers al op topsnelheid.

Vraag 20 5 punten

Bereken hoeveel seconden hij hier langer over doet. Geef je antwoord in één decimaal.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Opmerking Als in plaats van 11,7 gerekend wordt met de in de eerste vraag van deze opgave berekende waarde, geen scorepunten in mindering brengen.

Er is voor fase I ook een formule die de snelheid v in m/s vrij goed beschrijft. Deze is van de vorm: v=k· t

Vraag 21 3 punten

Bereken met behulp van zijn topsnelheid de waarde van k voor deze atleet.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Opmerking Als in plaats van 11,7 gerekend wordt met de in de eerste vraag van deze opgave berekende waarde, geen scorepunten in mindering brengen.

In de vragen hiervoor is de hele sprint van een topatleet over 100 meter beschreven. In figuur 2 staan vier globale grafieken (a, b, c, d), waarbij de snelheid v uitgezet is tegen de tijd t.

[figuur 2: zie het originele examen]

Er is één grafiek die het best past bij de sprint van de topatleet.

Vraag 22 3 punten

Welke grafiek is dat? Licht je antwoord toe.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Opmerkingen

  • Als grafiek d is gekozen zonder goede argumenten, geen scorepunten toekennen voor deze vraag.
  • Als grafiek d is gekozen op basis van één goed argument, 1 scorepunt toekennen voor deze vraag.

Testresultaten en afhakers

Wanneer artsen een nieuwe behandeling testen op patiënten, is het mogelijk dat er tijdens het onderzoek een aantal patiënten afhaakt (de afhakers). Dit komt bijvoorbeeld omdat ze de behandeling te belastend vinden. Het succespercentage P van een nieuwe behandeling kan op twee verschillende manieren berekend worden:

exclusief afhakers inclusief afhakers Hierbij worden patiënten Hierbij worden patiënten die afhaken niet meegeteld. die afhaken wel meegeteld. In formulevorm: In formulevorm:

G G Pexclusief = ·100 Pinclusief = ·100 G+N G+N +A

Hierin geldt:

  • G is het aantal patiënten dat de behandeling volhoudt en geneest
  • N is het aantal patiënten dat de behandeling volhoudt en niet geneest
  • A is het aantal patiënten dat afhaakt.

Het wel of niet meetellen van het aantal patiënten dat afhaakt in het testresultaat zal tot verschillende succespercentages leiden, zie figuur.

figuur

In het voorbeeld in de figuur is het absolute verschil tussen de twee succespercentages gelijk aan 25.

Het wel of niet meetellen van het aantal patiënten dat afhaakt bij de berekening van het succespercentage kan tot forse verschillen leiden. Men heeft afgesproken dat het succespercentage alleen berekend wordt als het percentage patiënten dat afhaakt niet hoger is dan 20%.

We kijken nu naar een onderzoek waarbij het percentage patiënten dat afhaakt gelijk was aan het maximale percentage van 20%. Bij dit onderzoek waren er uiteindelijk 240 patiënten die de behandeling hadden volgehouden en was het absolute verschil tussen de twee succespercentages 16. Er kan nu onderzocht worden wat het aantal patiënten moet zijn geweest dat de behandeling heeft volgehouden, maar niet is genezen.

Vraag 23 7 punten

Voer dit onderzoek uit en bepaal dit aantal.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • Pexclusief = ·100 (1)
  • (240 patiënten die volhouden is 80% van alle patiënten aan het begin van het onderzoek, dus) het totaal aantal patiënten aan het begin van het 240 onderzoek is = 300 (1)
  • Pinclusief = ·100 (1)
  • De vergelijking ·100 − ·100 = 16 moet worden opgelost (1)
  • Beschrijven hoe deze vergelijking kan worden opgelost (1)
  • De oplossing: G = 192 (1)
  • Het aantal patiënten dat de behandeling volhoudt, maar niet geneest, is (240 − 192 =)48 (1)

Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen havo Wiskunde A 2023, tijdvak 2. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2023/havo/documenten/cse-2/ha-1024-a-23-2-o

Andere examens wiskunde A havo

Hoe ToetsChecker wiskunde A per vraagtype nakijkt, lees je op wiskunde A toetsen nakijken met AI.

Veelgestelde vragen

Hoeveel vragen heeft het eindexamen wiskunde A havo 2023, tijdvak 2?

Het centraal examen wiskunde A havo 2023, tijdvak 2 telt 23 vragen. De meeste vragen gaan over statistiek (9), formules en grafieken (8) en exponentiële groei (3).

Wat zijn de antwoorden van het examen wiskunde A havo 2023, tijdvak 2?

Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.

Waar vind ik het correctievoorschrift van wiskunde A havo 2023, tijdvak 2?

Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2023/havo/documenten/cse-2/ha-1024-a-23-2-c). Bij dit examen hoort ook een aanvulling op het correctievoorschrift.

Hoe oefen ik met het examen wiskunde A havo 2023, tijdvak 2 en krijg ik feedback?

Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.