Eindexamen wiskunde A havo 2026, tijdvak 1: vragen en antwoorden

Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Steeds minder bos, Fitnesscentra, Examenresultaten, Palingen, 2,6 miljard T-rexen?.

Kort antwoord

Het centraal examen wiskunde A havo 2026, tijdvak 1 telt 19 vragen. De meeste vragen gaan over exponentiële groei (7), formules en grafieken (5) en statistiek (3). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.

Onderwerpen in dit examen

Onderwerp per vraag in het centraal examen wiskunde A havo 2026, tijdvak 1. Elke vraag is eenmalig door een AI-model bij een onderwerp ingedeeld; per vraag kan dat afwijken.
OnderwerpVragenAantal
Exponentiële groei3-6, 9, 15-167
Formules en grafieken7-8, 17-195
Statistiek10-11, 133
Lineaire verbanden1-22
Normale verdeling12, 142

Vergeleken met andere jaren

Vergeleken met de andere 17 examens wiskunde A havo sinds 2018: dit examen vroeg meer over exponentiële groei (37% van de vragen, gemiddeld 17%) en normale verdeling (11% van de vragen, gemiddeld 1%). Minder over statistiek (16% van de vragen, gemiddeld 34%).

Opgaven en correctievoorschrift

De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.

Oefenen als leerling

Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen wiskunde A havo 2026, tijdvak 1 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.

Nakijken als docent

  1. Start gratis vanaf deze pagina

    Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen wiskunde A havo 2026, tijdvak 1 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.

  2. Laat de klas het examen maken

    Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.

  3. Geef de resultaten vrij

    Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.

ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.

Vragen en antwoorden

Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen wiskunde A havo 2026, tijdvak 1. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.

Steeds minder bos

Volgens de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties was de (totale) bosoppervlakte over de gehele wereld in 1990 ongeveer 4240 miljoen hectare (ha). Deze oppervlakte is in de periode 1990-2020 steeds kleiner geworden. Zie de tabel. Hierin worden drie perioden van elk 10 jaar onderscheiden.

Tabel: jaarlijkse verandering bosoppervlakte

periodeverandering (in miljoen ha/jaar)verandering (in %/jaar)
1990-2000-7,84-0,19
2000-2010-5,17-0,13
2010-2020-4,74-0,12

In de volgende twee vragen gaan we met gegevens uit de tabel op twee manieren de bosoppervlakte in 2020 berekenen.

Neem aan dat de bosoppervlakte in elk van de drie onderscheiden perioden lineair afnam.

Vraag 1 3 punten

Bereken met de bosoppervlakte in 1990 en met de gegevens in de kolom ‘verandering (in miljoen ha/jaar)’ de bosoppervlakte in 2020. Geef je antwoord in een geheel aantal miljoen hectare.

Bekijk het antwoord

In de perioden 1990-2000, 2000-2010 en 2010-2020 is er respectievelijk 78,4; 51,7 en 47,4 (miljoen hectare) bos verdwenen

In de gehele periode 1990-2020 is er in totaal 177,5 (miljoen hectare) bos verdwenen

In 2020 is er dan (4240 − 177,5 = 4062,5 dus) 4063 (miljoen hectare) bos

Neem nu aan dat de bosoppervlakte in elk van de drie onderscheiden perioden exponentieel afnam.

Vraag 2 3 punten

Bereken met de bosoppervlakte in 1990 en met de gegevens in de kolom ‘verandering (in %/jaar)’ de bosoppervlakte in 2020. Geef je antwoord in een geheel aantal miljoen hectare.

Bekijk het antwoord

In de perioden 1990-2000, 2000-2010 en 2010-2020 zijn de jaarlijkse groeifactoren respectievelijk 0,9981; 0,9987 en 0,9988

0{,}9981^{10} \cdot 0{,}9987^{10} \cdot 0{,}9988^{10} \;(\approx 0{,}9569\ldots)

In 2020 is er dan (4240 · 0,9569... ≈ 4057,3... dus) 4057 (miljoen hectare) bos

De Verenigde Naties hebben in 2017 als doel gesteld dat de bosoppervlakte in de wereld in 2030 met 3% gestegen moet zijn ten opzichte van 2015. We gaan ervan uit dat dit percentage bereikt moet worden door een vast groeipercentage per jaar vanaf 2015. We kunnen op basis hiervan berekenen hoe groot dit jaarlijkse groeipercentage dan moet zijn.

Vraag 3 4 punten

Bereken dit jaarlijkse groeipercentage. Geef je antwoord in één decimaal.

Bekijk het antwoord

De groeifactor per 15 jaar is 1,03

De groeifactor per jaar is $1{,}03^{\frac{1}{15}}$

Dit is 1,00197...

Het antwoord: 0,2(%)

Opmerking: Als gerekend wordt met 1,03:15, voor deze vraag maximaal 2 scorepunten toekennen.

Er is ook onderzoek gedaan naar de bosoppervlakte die is verbrand. In een wetenschappelijk artikel stond de onderstaande figuur over hoeveel bosoppervlakte in de periode 2003-2012 is verbrand. In de figuur staan tien meetpunten afgebeeld. Op basis van deze punten is een lijn getrokken die zo goed mogelijk bij deze meetpunten past.

Voor deze lijn kan een formule worden opgesteld van de vorm:

B = \ldots \cdot t + \ldots

Hierin is B de verbrande bosoppervlakte (in miljoenen hectare) en t het aantal jaren na 2003. Op de puntjes moeten getallen komen te staan.

Vraag 4 3 punten

Bereken deze getallen aan de hand van de gegevens van 2004 en 2011. Geef de getallen in één decimaal.

Puntgrafiek van de verbrande bosoppervlakte (in miljoenen ha) in 2003-2012, met tien meetpunten en een getrokken lijn erdoorheen. Bekijk in Opgaven, pagina 5

Bekijk het antwoord

De coördinaten van de twee punten (1, 75) en (8, 60)

Het eerste getal is (60 − 75)/(8 − 1) = −2,14... dus −2,1

Het tweede getal is 75 + 2,14... · 1 = 77,14... dus 77,1

Opmerking: De waarde bij 2004 mag afgelezen worden met een marge van 1.

Fitnesscentra

Op 1 januari 2015 telde Nederland 1970 fitnesscentra. Op 1 januari 2019 was dit aantal lineair gegroeid tot 2200 fitnesscentra. Ga ervan uit dat ook in de jaren daarna het aantal fitnesscentra in Nederland op dezelfde manier lineair blijft groeien.

Vraag 5 4 punten

Bereken op 1 januari van welk jaar er voor het eerst meer dan 3000 fitnesscentra in Nederland zullen zijn.

Bekijk het antwoord

De toename per 4 jaar is 2200 − 1970 (= 230)

De toename per jaar is dus $230 : 4$ (= 57,5)

Er moeten na 1 januari 2019 meer dan (3000 − 2200 =) 800 fitnesscentra bij komen

Dit duurt $800 : 57{,}5 = 13{,}91\ldots$ (jaar), dus (op 1 januari) 2033

De fitnesscentra in Nederland hadden op 1 januari 2015 ruim 2,1 miljoen klanten. Op 1 januari 2019 was dit opgelopen tot bijna 2,6 miljoen. Zie de tabel. Hierin worden de fitnesscentra onderverdeeld op basis van het aantal werknemers.

Tabel: aantal klanten (×1000) van fitnesscentra in Nederland

201520172019
0 tot 3 werknemers352337325
3 tot 5 werknemers214236226
5 tot 10 werknemers322308315
10 of meer werknemers124114761720
totaal212923572586

Iemand beweert dat de procentuele toename van het aantal klanten in de periode van 1 januari 2015 tot 1 januari 2019 het grootst is bij fitnesscentra met 10 of meer werknemers.

Vraag 6 3 punten

Onderzoek of deze bewering juist is.

Bekijk het antwoord

Bij fitnesscentra met 0 tot 3 werknemers en bij fitnesscentra met 5 tot 10 werknemers is het aantal klanten gedaald; die hebben geen toename van het aantal klanten

Bij fitnesscentra met 3 tot 5 werknemers is de procentuele toename van het aantal klanten $\frac{226 - 214}{214} \cdot 100 = 5{,}\ldots\%$

Bij fitnesscentra met 10 of meer werknemers is dit $\frac{1720 - 1241}{1241} \cdot 100 = 38{,}\ldots\%$, dus de bewering is juist

of

Een antwoord als: Bij fitnesscentra met 0 tot 3 werknemers en bij fitnesscentra met 5 tot 10 werknemers is het aantal klanten gedaald; die hebben geen toename van het aantal klanten

Bij fitnesscentra met 3 tot 5 werknemers: van 214 naar 226 is een toename van 12 en dat is minder dan 10% (van 214)

Bij fitnesscentra met 10 of meer werknemers: van 1241 naar 1720 is een toename van bijna 500 en dat is meer dan 10% (van 1241), dus de bewering is juist

In de rest van deze opgave kijken we naar de ontwikkeling van het totaal aantal klanten van de fitnesscentra in Nederland. We gaan op zoek naar een formule waarmee deze ontwikkeling beschreven kan worden. De formule moet voldoen aan de volgende eisen:

  • Op 1 januari 2019 zijn er 2,586 miljoen klanten.
  • Vanaf 1 januari 2019 neemt het aantal klanten steeds toe.
  • Op den duur bereikt het aantal klanten net niet de waarde van 3 miljoen.

Eerst kijken we naar formules van de vorm (formule 1):

N = b \cdot g^{t}

Hierin is N het aantal klanten (in miljoenen), t het aantal jaren na 1 januari 2019 en b en g zijn getallen.

Formules van deze vorm kunnen niet tegelijkertijd aan alle drie de genoemde eisen voldoen.

Vraag 7 3 punten

Leg voor elk van de drie genoemde eisen uit of formules van de vorm van formule 1 er aan kunnen voldoen.

Bekijk het antwoord

Formule 1 kan voldoen aan eis 1 door voor b de waarde 2,586 te kiezen

Formule 1 kan voldoen aan eis 2 indien g groter is dan 1

Formule 1 kan niet voldoen aan eis 3, want om N te laten toenemen moet g groter zijn dan 1, maar dan groeit N bij een formule van deze vorm ook onbeperkt door

De volgende formule voldoet wel aan alle drie de eisen (formule 2):

N = \frac{3}{1 + 0{,}16 \cdot 0{,}92^{t}}

Hierin is N het aantal klanten (in miljoenen) en t het aantal jaren na 1 januari 2019.

Vraag 8 4 punten

Toon aan dat formule 2 aan alle drie de eisen voldoet.

Bekijk het antwoord

t = 0 invullen in formule 2 geeft afgerond N = 2,586 (dus formule 2 voldoet aan eis 1)

In formule 2 wordt de noemer steeds kleiner als t toeneemt (omdat 0,92^t afneemt)

Dan neemt N steeds toe (omdat er een constant getal gedeeld wordt door een steeds kleiner wordend getal, dus formule 2 voldoet aan eis 2)

(Voor grote waarden van t nadert 0,92^t naar 0, dus) op den duur bereikt het aantal klanten volgens formule 2 net niet de waarde 3 ($\frac{3}{1 + 0{,}16 \cdot 0} = 3$, dus formule 2 voldoet aan eis 3)

Opmerking: Als in plaats van het tweede en derde antwoordelement een schets met toelichting gebruikt wordt, voor deze vraag geen scorepunten in mindering brengen.

Vraag 9 5 punten

Bereken met behulp van formule 2 in welk jaar het aantal klanten voor het eerst minder dan 5% van de waarde van 3 miljoen af ligt.

Bekijk het antwoord

5% minder dan de waarde van 3 (miljoen) is 0,95 · 3 (= 2,85) (miljoen)

\frac{3}{1 + 0{,}16 \cdot 0{,}92^{t}} = 2{,}85

Beschrijven hoe deze vergelijking kan worden opgelost

De oplossing t = 13,3...

Het antwoord: (13,3... jaar na 1 januari 2019, dus in) 2032

Examenresultaten

In de onderstaande tabel staan voor twee examenjaren voor alle havo-kandidaten het slaagpercentage en het aantal kandidaten per profiel.

Tabel

2019201920202020
slaagpercentage (in %)aantal kandidatenslaagpercentage (in %)aantal kandidaten
natuur en techniek91,411 14297,210 509
natuur en gezondheid86,311 70897,211 868
economie en maatschappij87,826 13697,626 173
cultuur en maatschappij88,1572698,45904

Vraag 10 2 punten

Leg uit waarom het niet zinvol is om bij de slaagpercentages in de tabel de 95%-betrouwbaarheidsintervallen te vermelden.

Bekijk het antwoord

Een antwoord waaruit het inzicht blijkt dat het in de tabel om de populatie gaat en niet om een steekproef (en dat daarom de percentages exact zijn)

Opmerking: Voor deze vraag mogen uitsluitend 0 of 2 scorepunten worden toegekend.

In 2019 is er op de havo een verschil in het slaagpercentage tussen de profielen natuur en techniek en cultuur en maatschappij. Er was geen enkele leerling die beide profielen had.

Vraag 11 4 punten

Onderzoek met behulp van het formuleblad of dit verschil in slaagpercentages tussen deze twee profielen groot, middelmatig of gering is.

Bekijk het antwoord

In 2019 zijn 10 184 kandidaten met het profiel NT geslaagd en 5045 kandidaten met het profiel CM

Een correcte kruistabel, bijvoorbeeld:

profielgeslaagdniet geslaagd(totaal)
NT10 184958(11 142)
CM5045681(5726)
(totaal)(15 229)(1639)(16 868)

\phi = \frac{10184 \cdot 681 - 958 \cdot 5045}{\sqrt{(10184 + 958)(10184 + 5045)(958 + 681)(5045 + 681)}}

φ ≈ 0,052...; (dit ligt tussen −0,2 en 0,2, dus) het verschil is gering

Opmerking: Als in het derde antwoordelement uitsluitend gerekend wordt met slaagpercentages, voor deze vraag maximaal 1 scorepunt toekennen.

In de onderstaande figuur staan de frequentieverdelingen van de gemiddelde SE-cijfers die de havo-kandidaten hebben behaald in 2019 en 2020.

Vraag 12 2 punten

Leg voor de grafiek van 2020 uit waarom er geen sprake is van een normale verdeling.

Frequentieverdelingen (in %) van het gemiddelde SE-cijfer van havo-kandidaten in 2019 (stippellijn) en 2020 (doorgetrokken lijn), van 4,5 tot 8,5. Bekijk in Opgaven, pagina 9

Bekijk het antwoord

Voorbeeld van een juist antwoord: De vorm van de verdeling van de SE-cijfers in 2020 is niet symmetrisch (dus kan deze verdeling niet normaal verdeeld zijn)

Opmerking: Voor deze vraag mogen uitsluitend 0 of 2 scorepunten worden toegekend.

Aan de hand van de figuur kan beredeneerd worden of het gemiddelde van de gemiddelde SE-cijfers in 2020 lager of hoger was dan in 2019. Er kan ook beredeneerd worden of de standaardafwijking van de gemiddelde SE-cijfers in 2020 kleiner of groter was dan in 2019. Er zijn vier mogelijkheden:

  • I In 2020 is het gemiddelde hoger en is de standaardafwijking groter dan in 2019.
  • II In 2020 is het gemiddelde hoger en is de standaardafwijking kleiner dan in 2019.
  • III In 2020 is het gemiddelde lager en is de standaardafwijking groter dan in 2019.
  • IV In 2020 is het gemiddelde lager en is de standaardafwijking kleiner dan in 2019.

Vraag 13 3 punten

Welke van de vier genoemde mogelijkheden is juist? Licht je antwoord toe met redeneringen.

Bekijk het antwoord

In 2020 komen de lagere cijfers (tussen de 4,8 en 5,7) minder vaak voor dan in 2019; daarentegen komen de iets hogere cijfers (tussen de 5,7 en 6,4) vaker voor dan in 2019. De andere cijfers komen vrijwel even vaak voor. Daarom zal het gemiddelde in 2020 hoger zijn dan in 2019

De verdeling van 2020 is smaller dan de verdeling van 2019. Daarom zal de standaardafwijking in 2020 kleiner zijn dan in 2019

Mogelijkheid II is dus de juiste

Opmerking: Als mogelijkheid II is gekozen zonder goede argumenten, voor deze vraag geen scorepunten toekennen.

Opmerking: Als mogelijkheid II is gekozen op basis van één goed argument, voor deze vraag 1 scorepunt toekennen.

Stel dat de verdeling van de gemiddelde SE-cijfers van de havo-kandidaten in een bepaald jaar wel normaal verdeeld was, met gemiddelde 6,2 en standaardafwijking 0,5.

Vraag 14 3 punten

Bereken het percentage van de havo-kandidaten dat dan in dat jaar een gemiddeld SE-cijfer tussen 5,7 en 7,2 zou hebben gehaald.

Bekijk het antwoord

34% heeft een SE-cijfer tussen 5,7 en 6,2 (vuistregels normale verdeling)

34% + 13,5% heeft een SE-cijfer tussen 6,2 en 7,2 (vuistregels normale verdeling)

34 + 34 + 13,5 = 81,5(%) heeft een SE-cijfer tussen 5,7 en 7,2

of

16% heeft een SE-cijfer lager dan 5,7 (vuistregels normale verdeling)

2,5% heeft een SE-cijfer hoger dan 7,2 (vuistregels normale verdeling)

100 − 16 − 2,5 = 81,5(%) heeft een SE-cijfer tussen 5,7 en 7,2

Palingen

Palingen zijn vissen die op de lijst van bedreigde diersoorten staan. In Europa is de palingstand (het aantal palingen) in de periode 1950-2004 sterk gedaald. Dit is te zien aan de indexcijfers in de figuur. De verticale as, waarop de indexcijfers staan, heeft een logaritmische schaalverdeling. De indexcijfers geven aan hoeveel procent de palingstand in een bepaald jaar is ten opzichte van een gekozen basisjaar. Het basisjaar in de figuur is 1950, dus het indexcijfer van 1950 is 100. Het indexcijfer van 1969 is 32. Dit betekent dat in 1969 de palingstand 32 procent is van de palingstand in 1950.

De rechte lijn in de figuur geeft de trend weer. Als het indexcijfer van de palingstand in Europa precies volgens deze lijn zou afnemen, dan zou er sprake zijn van een vast afnamepercentage per jaar.

Vraag 15 5 punten

Bereken dit jaarlijkse afnamepercentage met behulp van de waarden voor 1960 en 1992 op deze lijn. Geef je antwoord in één decimaal.

Logaritmische grafiek van de indexcijfers van de palingstand in Europa 1950-2004, met jaargegevens en een rechte trendlijn. Bekijk in Opgaven, pagina 11

Bekijk het antwoord

De waarden voor 1960 en 1992 op de lijn aflezen: 100 respectievelijk 10

De groeifactor per 32 jaar is $\frac{10}{100}$

De groeifactor per jaar is $\left(\frac{10}{100}\right)^{\frac{1}{32}}$

Dit is 0,9305...

Het antwoord: 6,9(%)

Opmerking: Als gerekend wordt met $\frac{10}{100} : 32$, voor deze vraag maximaal 3 scorepunten toekennen.

Opmerking: Als gerekend wordt met $(10 - 100)^{\frac{1}{32}}$, voor deze vraag maximaal 3 scorepunten toekennen.

Palingen komen 6000 km van Nederland in de Sargassozee uit het ei en groeien uit tot larven. Tijdens de reis met de Atlantische Golfstroom naar de Europese kust ontwikkelen de larven zich tot glasaal. Vanuit de Noordzee trekken de glasalen naar de Nederlandse binnenwateren om daar uit te groeien tot volwassen palingen.

De lengte van een paling in Nederland kan benaderd worden met de formule (formule 1):

L = 7{,}3 + 3t

Hierin is L de lengte (in cm) en t de tijd (in jaren) die de paling in Nederland doorbrengt.

Het gewicht van een paling tijdens zijn verblijf in Nederland kan benaderd worden met de formule (formule 2):

G = 0{,}0008 \cdot L^{3{,}2049}

Hierin is G het gewicht (in grammen) en L de lengte (in cm).

Na een aantal jaren vertrekken de palingen uit Nederland en zwemmen ze terug naar de Sargassozee om zich daar voort te planten. Mannelijke palingen hebben bij hun vertrek uit Nederland een gewicht van ongeveer 148 gram.

Vraag 16 5 punten

Bereken hoeveel tijd deze mannelijke palingen in Nederland hebben doorgebracht. Geef je antwoord in gehele maanden.

Bekijk het antwoord

De vergelijking $148 = 0{,}0008 \cdot L^{3{,}2049}$ moet worden opgelost

Beschrijven hoe de oplossing L = 44,00... gevonden wordt

Dit geeft de vergelijking $44{,}00\ldots = 7{,}3 + 3 \cdot t$

De oplossing van deze vergelijking is t = 12,23... (jaar)

De palingen brengen 147 maanden (of 12 jaar en 3 maanden) in Nederland door

De conditie van een paling wordt berekend met de formule (formule 3):

C = \frac{100G}{L^{3}}

Hierin is C de conditie, G het gewicht (in grammen) en L de lengte (in cm).

Stel dat de lengte van een paling met 50% toeneemt.

Vraag 17 4 punten

Bereken met welk percentage het gewicht van deze paling moet toenemen om ervoor te zorgen dat de conditie gelijk blijft.

Bekijk het antwoord

De lengte neemt met een factor 1,5 toe

$L^{3}$ neemt met een factor $1{,}5^{3}$ (= 3,375) toe

(Om C gelijk te houden) moet G (ook) met een factor 3,375 toenemen

Het antwoord: 237,5(%)

Opmerking: Als met een getallenvoorbeeld is gewerkt, voor deze vraag geen scorepunten in mindering brengen.

Door de formules 2 en 3 te combineren, is een formule van de volgende vorm af te leiden (formule 4):

C = 0{,}08 \cdot L^{0{,}2}

Hierin is C de conditie en L de lengte (in cm).

Het getal 0,2 in formule 4 is een afgerond getal.

Vraag 18 3 punten

Bereken dit getal in vier decimalen.

Bekijk het antwoord

C = \frac{100 \cdot 0{,}0008 \cdot L^{3{,}2049}}{L^{3}}

Het inzicht dat $\frac{L^{3{,}2049}}{L^{3}} = L^{3{,}2049 - 3}$

Het antwoord: 0,2049

Opmerkingen: Als met een getallenvoorbeeld wordt gerekend, voor deze vraag geen scorepunten in mindering brengen.

Voor de gemiddelde zwemsnelheid van een paling geldt (formule 5):

v = 0{,}5 \cdot L

Hierin is v de gemiddelde zwemsnelheid (in cm/s) en L de lengte (in cm).

Ga uit van een paling met een conditie van 0,191.

Vraag 19 5 punten

Bereken met de formules 4 en 5 hoeveel dagen deze paling doet over een reis van 6000 km (van Nederland naar de Sargassozee). Geef je antwoord in hele dagen.

Bekijk het antwoord

De vergelijking $0{,}08 \cdot L^{0{,}2} = 0{,}191$ moet worden opgelost

Beschrijven hoe de oplossing L = 77,5...(cm) gevonden kan worden

v = 0,5 · 77,5... (≈ 38,7... cm/s)

De reis (over 6000 km = 600 000 000 cm) duurt $\frac{600\,000\,000}{38{,}7\ldots} (= 15\,469\,074{,}9\ldots)$ (seconden)

Het antwoord: $\left(\frac{15\,469\,074{,}9\ldots}{60 \cdot 60 \cdot 24} = 179{,}0\ldots\right)$ 179 (dagen)

Opmerking: Als in plaats van 0,2 met een nauwkeurigere waarde wordt gerekend, leidend tot een daarbij passend antwoord, voor deze vraag geen scorepunten in mindering brengen.

2,6 miljard T-rexen?

Er wordt veel onderzoek gedaan naar T-rexen, een dinosaurussoort die miljoenen jaren geleden op aarde leefde en nu is uitgestorven. Om te berekenen hoeveel T-rexen er op enig moment leefden, worden de volgende aannames gedaan:

  • Het leefgebied van de T-rexen was steeds 2 miljoen vierkante kilometer.
  • Er leefden gemiddeld genomen steeds 10 T-rexen in een leefgebied van duizend vierkante kilometer.
  • Er hebben gedurende 2,5 miljoen jaar T-rexen op aarde geleefd.
  • Een T-rex werd gemiddeld genomen 19 jaar oud.

Op basis van deze aannames hebben onderzoekers van de Berkeley-universiteit in Californië berekend dat er dan in totaal zo'n 2,6 miljard T-rexen op aarde geleefd moeten hebben.

De onderzoekers hebben aangegeven dat zij de gemiddelde leeftijd van een T-rex niet heel precies hebben kunnen vaststellen. Het is dus denkbaar dat T-rexen gemiddeld genomen geen 19 jaar, maar bijvoorbeeld 21 jaar oud werden. Een hogere waarde van de gemiddelde leeftijd van een T-rex zal leiden tot een lagere schatting van het aantal T-rexen dat op aarde geleefd moet hebben.

Neem aan dat de gemiddelde leeftijd van een T-rex hoger dan 19 jaar is geweest.

Vraag 20 7 punten

Onderzoek hoeveel hele jaren ouder dan 19 jaar de T-rexen gemiddeld genomen maximaal kunnen zijn, zodat er nog steeds naar schatting minstens 2 miljard T-rexen op aarde geleefd moeten hebben.

Bekijk het antwoord

Twee miljoen vierkante kilometer is 2000 keer duizend vierkante kilometer

Gemiddeld genomen leefden er per duizend km² steeds 10 T-rexen, dus in totaal steeds 2000 keer 10 is 20 000 T-rexen

Het aantal ‘tijdsperioden’ is $\frac{2{,}5 \cdot 10^{6}}{L}$, met L de gemiddelde leeftijd

Het aantal T-rexen is $\frac{2{,}5 \cdot 10^{6} \cdot 20\,000}{L}$

De vergelijking $\frac{2{,}5 \cdot 10^{6} \cdot 20\,000}{L} = 2 \cdot 10^{9}$ moet worden opgelost

Beschrijven hoe deze vergelijking kan worden opgelost (bij een leeftijd van 25 jaar 2 miljard T-rexen; bij een leeftijd van 26 jaar 1,92... miljard T-rexen)

Het antwoord: 6 (jaar)

Opmerking: Indien alleen is nagerekend dat $\frac{2{,}5 \cdot 10^{6} \cdot 20\,000}{19} \approx 2{,}6$ miljard T-rexen, hiervoor maximaal 3 scorepunten toekennen.

Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen havo Wiskunde A 2026, tijdvak 1. Figuren en de exacte opmaak staan in het originele examen.

Andere examens wiskunde A havo

Hoe ToetsChecker wiskunde A per vraagtype nakijkt, lees je op wiskunde A toetsen nakijken met AI.

Veelgestelde vragen

Hoeveel vragen heeft het eindexamen wiskunde A havo 2026, tijdvak 1?

Het centraal examen wiskunde A havo 2026, tijdvak 1 telt 19 vragen. De meeste vragen gaan over exponentiële groei (7), formules en grafieken (5) en statistiek (3).

Wat zijn de antwoorden van het examen wiskunde A havo 2026, tijdvak 1?

Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.

Waar vind ik het correctievoorschrift van wiskunde A havo 2026, tijdvak 1?

Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2026/havo/documenten/cse-1/ha-1024-a-26-1-c).

Hoe oefen ik met het examen wiskunde A havo 2026, tijdvak 1 en krijg ik feedback?

Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.