Eindexamen wiskunde B havo 2021, tijdvak 2: vragen en antwoorden
Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Rakende grafieken, Stedelijke gebieden, Rechthoek om cirkels, Exoten en rodelijstsoorten, Drie snijpunten, Functie met log, In de schijnwerper.
Het centraal examen wiskunde B havo 2021, tijdvak 2 telt 20 vragen. De meeste vragen gaan over exponentiële en logaritmische functies (7), meetkunde met coördinaten (4) en vergelijkingen en ongelijkheden (3). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.
Onderwerpen in dit examen
| Onderwerp | Vragen | Aantal |
|---|---|---|
| Exponentiële en logaritmische functies | 5-6, 10-11, 15-17 | 7 |
| Meetkunde met coördinaten | 1, 8, 18-19 | 4 |
| Vergelijkingen en ongelijkheden | 2, 13-14 | 3 |
| Differentiëren | 3, 7 | 2 |
| Functies en grafieken | 4, 12 | 2 |
| Bewijzen | 9 | 1 |
| Goniometrische functies | 20 | 1 |
Vergeleken met andere jaren
Vergeleken met de andere 17 examens wiskunde B havo sinds 2018: dit examen vroeg meer over exponentiële en logaritmische functies (35% van de vragen, gemiddeld 14%) en vergelijkingen en ongelijkheden (15% van de vragen, gemiddeld 8%). Minder over functies en grafieken (10% van de vragen, gemiddeld 24%) en goniometrische functies (5% van de vragen, gemiddeld 14%).
Opgaven en correctievoorschrift
De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.
Oefenen als leerling
Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen wiskunde B havo 2021, tijdvak 2 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.
Nakijken als docent
Start gratis vanaf deze pagina
Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen wiskunde B havo 2021, tijdvak 2 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.
Laat de klas het examen maken
Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.
Geef de resultaten vrij
Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.
ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.
Vragen en antwoorden
Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen wiskunde B havo 2021, tijdvak 2. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.
Rakende grafieken
1 De functie f is gegeven door f ( x) =
- 2 . De grafiek van f snijdt de 3x + 1 x-as in punt A en de y-as in punt B. Zie figuur 1.
[figuur 1: zie het originele examen]
Vraag 1 4 punten
Bereken exact de afstand tussen A en B.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- f (0) = −1 (dus B(0, −1) ) (1)
- f ( x) = 0 geeft − 2 = 0 en dus 3x + 1 = (1)
- Dit geeft x = − 14 (dus A( − 14 , 0) ) (1)
- AB = ( 14 )2 + 12 = 14 17 (of een gelijkwaardige uitdrukking) (1)
De functie g is gegeven door g ( x ) = −2 x 2 + 3 x + p . De grafieken van f en g raken elkaar in het punt C. Zie figuur 2. [figuur 2: zie het originele examen] De x-coördinaat van C noemen we xC en er geldt: xC ≈ 0,81.
Vraag 2 3 punten
Bereken p. Geef je eindantwoord in één decimaal.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- f (0,81) = −1, 46... (1)
- −1, 46... = −2 · (0,81) + 3 · 0,81 + p (1)
- (Dit geeft p = −2,57... dus) het eindantwoord: −2, 6 (1)
Dat de grafieken van f en g elkaar raken in punt C betekent dat de helling van beide grafieken in dat punt gelijk is. De x-coördinaat van C is hierboven in twee decimalen benaderd.
Vraag 3 6 punten
Bereken met behulp van differentiëren de waarde van xC nauwkeuriger. Geef je eindantwoord in drie decimalen.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerking Voor het eerste antwoordelement mogen uitsluitend 0 of 2 scorepunten worden toegekend.
Stedelijke gebieden
De Amerikaan Bettencourt heeft onderzoek gedaan naar een mogelijk verband tussen het aantal inwoners N en de lengte van het wegennet W in mijlen in een stedelijk gebied. Om van een aantal stedelijke gebieden de gegevens in één figuur duidelijk te kunnen weergeven is van elk gebied log (W ) uitgezet tegen log ( N ) . Het resultaat is de puntenwolk in de figuur.
figuur
Bettencourt heeft een verband tussen log (W ) en log ( N ) opgesteld. In de figuur is de lijn l getekend die dit verband weergeeft. Deze figuur staat ook op de uitwerkbijlage.
Vraag 4 3 punten
Bepaal met behulp van lijn l op de uitwerkbijlage de lengte van het wegennet in een gebied met 1 miljoen inwoners. Geef je eindantwoord in honderden mijlen.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerking Bij het aflezen van log (W ) is een marge van 0,1 toegestaan.
Een formule voor l is van de vorm log (W ) = a · log ( N ) + b (1)
Uit de figuur volgt dat een gebied met 100 000 inwoners een wegennet heeft van ongeveer 650 mijl en een gebied met 10 000 000 inwoners een wegennet heeft van ongeveer 31 000 mijl.
Vraag 5 4 punten
Bereken a en b met behulp van deze gegevens. Geef de getallen in je eindantwoord in twee decimalen.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
- Beschrijven hoe dit stelsel kan worden opgelost (2p)
- Hieruit volgt a = 0,84 en b = −1,38 (1p)
Opmerking In het derde antwoordalternatief mogen voor het tweede antwoordelement 0, 1 of 2 scorepunten worden toegekend.
In zijn onderzoek komt Bettencourt tot de formule: 5 W = 0,043 · N 6 (2) Voor de volgende vraag vergelijken we twee stedelijke gebieden met elkaar: gebied A en gebied B. Voor gebied B geldt dat het twee keer zoveel inwoners heeft als gebied A.
Vraag 6 3 punten
Bereken met behulp van formule (2) hoeveel procent de lengte van het wegennet van gebied B groter is dan de lengte van het wegennet van gebied A. Geef je eindantwoord in hele procenten.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerking Als een kandidaat met behulp van een getallenvoorbeeld rekent, hiervoor geen scorepunten in mindering brengen.
De verhouding tussen N en W wordt verkeersdruk D genoemd.
Dus: N D= (3) W Hierin is D het aantal inwoners per mijl.
In de praktijk geldt: als in een stedelijk gebied het aantal inwoners toeneemt, neemt de verkeersdruk ook toe (ondanks de toename van de lengte van het wegennet).
Voor D moet dus gelden dat de grafiek van D als functie van N stijgend is. In drie stappen kan dit worden onderzocht: a Druk D met behulp van de formules (2) en (3) uit in N. dD b Bepaal de afgeleide van de bij stap a gevonden formule. dN c Onderzoek of deze afgeleide voor alle waarden van N groter is dan 0.
Vraag 7 4 punten
Onderzoek met dit stappenschema of de grafiek van D als functie van N inderdaad stijgend is.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- N • D= 5 (1) 0, 043 · N 6 1 (1) • Dit is te schrijven als D = 0,043 1 · N 6 ( = 23, 2... · N 6 ) (1) dD 1 1 = 6 · 0,043 · N − 6 ( = 3,87... · N − 6 ) 5 (5) • (1) dN dD dD • is altijd groter dan 0 (of de grafiek van ligt altijd boven de dN dN N-as) (dus de grafiek van D is stijgend) (1) (4)
Rechthoek om cirkels
Cirkel c1 met middelpunt M 1 wordt gegeven door x 2 + ( y
- 3) = 9 . 2
Cirkel c2 met straal 2 en middelpunt M 2 raakt c1 .
De twee cirkels worden omsloten door een rechthoek ABCD zodanig dat:
- de hoekpunten A en B op de x-as liggen;
- de lengte van zijde AD gelijk is aan de diameter van c1 ;
- c1 de zijden AB, CD en AD raakt;
- c2 de zijden BC en CD raakt. Zie figuur 1. Deze figuur staat ook op de uitwerkbijlage.
[figuur 1: zie het originele examen]
Vraag 8 5 punten
Bereken exact de coördinaten van M 2 . Je kunt hierbij gebruik maken van de figuur op de uitwerkbijlage.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- (De y-coördinaat van M1 is 3 en de straal van c1 is 3, dus) yC = yD = 6 (1)
- (De straal van c2 is 2, dus) de y-coördinaat van M 2 is yC − 2 = 4 (1)
- M 1M 2 = ( 3 + 2 = ) 5 (1)
- Voor de x-coördinaat van M 2 geldt 52 = x 2 + 12 (1)
- Hieruit volgt x = 24 ( = 2 6 ) (en de coördinaten van M 2 zijn dus (2 6, 4) ) (1)
Verder is gegeven cirkel c3 met middelpunt M 3 . Deze cirkel raakt c2 en de zijden AB en BC. Zie figuur 2.
[figuur 2: zie het originele examen]
In figuur 2 is ook de driehoek M 2 M 3 N aangegeven, waarbij punt N dezelfde x-coördinaat heeft als M 3 en dezelfde y-coördinaat als M 2 . In driehoek M 2 M 3 N is α = ∠M 2 M 3 N en is hoek N een rechte hoek. Er geldt: 2−r sin ( α ) = r+2 Hierin is r de straal van c3 . Zie figuur 2.
Vraag 9 3 punten
Bewijs de juistheid van deze formule.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
M2N
Exoten en rodelijstsoorten
De bruine rat, de Japanse oester en de Amerikaanse vogelkers zijn voorbeelden van dier- en plantensoorten die oorspronkelijk niet in Nederland voorkwamen, maar die bewust of onbewust door de mens in Nederland zijn ingevoerd. Zulke soorten worden exoten genoemd.
In figuur 1 is voor de periode 1910
- 2000 eens per tien jaar, telkens op
1 januari van het aangegeven jaar, het aantal exoten in Nederland weergegeven. In deze figuur is ook een grafiek weergegeven die de ontwikkeling van deze aantallen benadert.
[figuur 1: zie het originele examen]
Uit figuur 1 valt af te lezen dat het aantal exoten in Nederland in de periode van 1 januari 1910 tot 1 januari 1950 van 22 tot 46 is toegenomen.
Neem aan dat het aantal exoten sinds 1 januari 1910 exponentieel is gegroeid. Dan volgt uit de gegevens voor de periode 1910
- 1950 dat dit aantal elke tien jaar met ongeveer 20% is toegenomen.
Vraag 10 4 punten
Bereken met behulp van de gegevens van 1910 en 1950 dit percentage nauwkeuriger. Geef je eindantwoord in één decimaal.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- • De groeifactor over de periode 1910-1950 is 46 22 1 Dus de groeifactor per 10 jaar is ( 46 22 ) 1 • 4 1 ( 4622 ) = 1, 2024... 1 4 • (1) • Het gevraagde percentage is 20,2(%) (1) of • De vergelijking 22 · g 4 = 46 moet worden opgelost (1) • Beschrijven hoe deze vergelijking opgelost kan worden (1) • Hieruit volgt g = 1, 2024... (1) • Het gevraagde percentage is 20,2(%) (1) (4)
We gaan bij de volgende vraag uit van een toename van 20% per tien jaar.
Vraag 11 4 punten
Bereken na hoeveel jaar het aantal exoten volgens de bovenstaande exponentiële groei voor het eerst verdubbeld is. Geef je eindantwoord in hele jaren.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Voor de groeifactor per jaar g geldt g = (1, 20 ) 10 waaruit volgt dat 1 • g = 1,018... (1)
Opmerkingen
- Het eindantwoord 38 jaar ook goed rekenen.
- Als een kandidaat met een nauwkeuriger waarde van de groeifactor per tien jaar werkt, hiervoor geen scorepunten in mindering brengen.
Er bestaat een zogenaamde rode lijst van diersoorten in Nederland die met uitsterven bedreigd worden. Daarom worden deze diersoorten ook wel rodelijstsoorten genoemd.
In figuur 2 is de ontwikkeling van de rodelijstsoorten in de periode
1997
- 2012 te zien. Hierbij zijn de aantallen aangegeven als percentage ten opzichte van het aantal in 1997.
In figuur 2 is ook een rechte lijn getekend die de ontwikkeling van het aantal rodelijstsoorten benadert. Volgens deze benadering neemt het aantal rodelijstsoorten vanaf 1997 lineair af. Figuur 2 staat ook vergroot op de uitwerkbijlage.
[figuur 2: zie het originele examen]
In 2004 was het werkelijke aantal rodelijstsoorten 694.
Met behulp van de lineaire afname volgens de getekende rechte lijn werd in 2013 een voorspelling gedaan voor het aantal rodelijstsoorten in 2020. Het daadwerkelijke aantal rodelijstsoorten in 2020 bleek 551 te zijn. Dit aantal is duidelijk hoger dan het aantal volgens de voorspelling.
Vraag 12 5 punten
Bereken hoeveel het daadwerkelijke aantal rodelijstsoorten in 2020 verschilt met de voorspelling volgens de rechte lijn. Gebruik hiervoor de figuur op de uitwerkbijlage.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
- 11% daling in 7 jaar geeft ( 11 · = ) 36,14…% daling in 23 jaar (1) 7
- Aflezen van het percentage in (bijvoorbeeld) 2014 geeft 7, 2 ( ·100% =) 72% (1) 10
Opmerking Bij het aflezen van de percentages is een marge van 2 procentpunten toegestaan.
Drie snijpunten
Op het domein [ 0, 3π] is de functie f gegeven door f ( x ) = −1 + 2sin ( x
- 23 π ) Op het gegeven domein is het punt P de eerste top rechts van de y-as van de grafiek van f. Zie de figuur.
figuur
Vraag 13 4 punten
Bereken exact de coördinaten van P.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
- ( ) Uit −1 + 2sin ( x
- 23 π ) = −3 volgt sin x
- 23 π = −1 (1)
- De coördinaten van een top van y = sin( x) zijn (
- 12 π,
- 1) (1)
- Verschuiving van 23 π naar rechts levert de coördinaten ( 16 π,
- 1) (van een top van y = sin ( x
- 23 π ) ) (1)
- Vermenigvuldiging ten opzichte van de x-as met factor 2 levert de coördinaten ( 16 π,
- 2 ) (van een top van y = 2sin ( x
- 23 π ) ) (1)
- Verschuiving van 1 naar beneden levert de coördinaten ( 16 π,
- 3) van P, (top van y = −1 + 2sin ( x
- 23 π ) ) (1)
De punten A, B en C zijn de drie snijpunten van de grafiek van f met de x-as. Lijnstuk BC is a keer zo lang als lijnstuk AB.
Vraag 14 5 punten
Bereken exact de waarde van a.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
- Dit geeft voor de x-coördinaat van A: x
- 23 π = 16 π dus x = 56 π (1)
- Voor de x-coördinaat van de top tussen A en B geldt: x = xP + π = 16 π + π dus de x-coördinaat van B is 1 16 π + 62 π = 1 12 π (1p)
- De periode van f is 2π dus de x-coördinaat van C is 2 56 π (1p)
2 56 π
- 1 12 π
Functie met log
2 De functie f is gegeven door f ( x ) = 4 log 2 . De grafiek van f
2 x + 3x snijdt de x-as in de punten A en B. De asymptoten van de grafiek van f snijden de x-as in S en O. Zie de figuur.
figuur
Vraag 15 3 punten
Bereken exact de x-coördinaat van S.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- Een verticale asymptoot treedt op als 2 x 2 + 3 x = 0 (1)
- x(2 x + 3) = 0 (1)
- x = 0 of x = − 32 (= − 1 12 ) dus de x-coördinaat van S is − 32 ( = − 1 12 ) (1)
Vraag 16 5 punten
Bereken exact de coördinaten van A en B.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- 2 (2) • Uit 4 log 2 = 0 volgt (2) =1 (1) 2 x + 3x 2 x + 3x • Hieruit volgt 2 x 2 + 3 x = 2 dus 2 x 2 + 3 x − 2 = 0 (1) • Dit geeft (2 x − 1)( x + 2) = 0 (of het gebruik van de abc-formule) (1) • x = 12 of x = − 2 (1) • Het eindantwoord: A( − 2, 0) en B ( 12 ,0) (1) (5)
Op het domein 0, → is functie f ook te schrijven als: f ( x) = 12
- 4 log( x)
- 4 log(2 x + 3)
Vraag 17 3 punten
Toon dit aan.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerking Als een kandidaat uitgaat van de tweede gegeven formule en daarmee de juistheid van de eerste formule aantoont, dit ook goed rekenen.
In de schijnwerper
foto
Een lichtspot geeft een bundel licht. Zie de foto. Voor de lichtbundel van een bepaalde lichtspot geldt dat in figuur 1 een zijaanzicht de buitenste lichtstralen een hoek van 50° met elkaar maken. Zie figuur 1.
Deze lichtspot hangt 300 cm boven een vloer. Als de lichtbundel recht naar beneden wordt gericht, ontstaat op de vloer een cirkelvormige lichtvlek. In figuur 2 is een zijaanzicht van deze situatie schematisch weergegeven. Hierin is S de lichtspot.
[figuur 2: zie het originele examen]
Vraag 18 3 punten
Bereken de oppervlakte van de cirkelvormige lichtvlek. Geef je eindantwoord in gehele cm2.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- r • tan(25ο ) = met r de straal van de cirkelvormige lichtvlek (1) 300 • r = 139,89... (1) 2 • Het eindantwoord: ( π· (139,89...) = 61 480,5... dus) 61 481 (cm ) (2) 1 (3)
De lichtspot kan gedraaid worden, zodat de lichtbundel ook op andere delen van de vloer gericht kan worden. Hierbij blijft in een zijaanzicht de hoek tussen de buitenste lichtstralen 50°. Het is mogelijk om de lichtspot zo ver naar rechts te draaien dat er een 500 centimeter lange lichtvlek op de vloer ontstaat. Een zijaanzicht van deze situatie is in figuur 3 schematisch weergegeven.
[figuur 3: zie het originele examen]
In figuur 3 is PQ de lengte van de lichtvlek. V is het punt op de vloer recht onder S en α = ∠ VSP . Er geldt dus: ∠PSQ = 50° .
∠SQV is uit te drukken in α . Met behulp van de sinusregel in driehoek PSQ kan SP ook uitgedrukt worden in α . Er geldt: SP ≈ 653 · sin ( 40 °
- α ) (1p)
Vraag 19 3 punten
Toon dit aan.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- ∠VSQ = 50° + α en dus ( ∠PQS = ) 180 ° − 90 ° − ( 50 ° + α ) = 40 ° − α (1)
- Gebruik van de sinusregel (in driehoek PSQ) geeft SP 500 = (1)
- Dit geeft SP = · sin ( 40 ° − α ) ( ≈ 653 · sin ( 40 ° − α ) ) (1)
In driehoek VSP geldt: 300 SP = (2) cos ( α )
Met behulp van formule (1) en formule (2) is hoek α te berekenen.
Vraag 20 4 punten
Bereken hoeveel graden de lichtspot vanuit de situatie in figuur 2 naar rechts gedraaid moet worden om de situatie van figuur 3 te krijgen. Geef je eindantwoord in gehele graden.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- De vergelijking = 653 · sin ( 40° − α ) moet worden opgelost (1)
- Beschrijven hoe deze vergelijking opgelost kan worden (1)
- α = 11,9...° (1)
- Het eindantwoord: ( 11, 9...° + 25 ° = 36,9...° dus) 37° (1)
Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen havo Wiskunde B 2021, tijdvak 2. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2021/havo/documenten/cse-2/ha-1025-a-21-2-o
Andere examens wiskunde B havo
- 2026, tijdvak 1
- 2026, tijdvak 2
- 2025, tijdvak 1
- 2025, tijdvak 2
- 2024, tijdvak 1
- 2024, tijdvak 2
- 2023, tijdvak 1
- 2023, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 1
- 2022, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 3
- 2021, tijdvak 1
- 2021, tijdvak 3
- 2019, tijdvak 1
- 2019, tijdvak 2
- 2018, tijdvak 1
- 2018, tijdvak 2
Hoe ToetsChecker wiskunde B per vraagtype nakijkt, lees je op wiskunde B toetsen nakijken met AI.
Veelgestelde vragen
Hoeveel vragen heeft het eindexamen wiskunde B havo 2021, tijdvak 2?
Het centraal examen wiskunde B havo 2021, tijdvak 2 telt 20 vragen. De meeste vragen gaan over exponentiële en logaritmische functies (7), meetkunde met coördinaten (4) en vergelijkingen en ongelijkheden (3).
Wat zijn de antwoorden van het examen wiskunde B havo 2021, tijdvak 2?
Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.
Waar vind ik het correctievoorschrift van wiskunde B havo 2021, tijdvak 2?
Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2021/havo/documenten/cse-2/ha-1025-a-21-2-c). Bij dit examen hoort ook een aanvulling op het correctievoorschrift.
Hoe oefen ik met het examen wiskunde B havo 2021, tijdvak 2 en krijg ik feedback?
Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.