Eindexamen wiskunde B havo 2026, tijdvak 1: vragen en antwoorden
Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Hoeken, Exponentiële functies, Hyperbool, Temperatuur in de grond, Een wortelfunctie benaderen, Gelijkvormige driehoeken, Komeetbanen.
Het centraal examen wiskunde B havo 2026, tijdvak 1 telt 16 vragen. De meeste vragen gaan over meetkunde met coördinaten (7), exponentiële en logaritmische functies (4) en functies en grafieken (4). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.
Onderwerpen in dit examen
| Onderwerp | Vragen | Aantal |
|---|---|---|
| Meetkunde met coördinaten | 1-2, 6-7, 14-16 | 7 |
| Exponentiële en logaritmische functies | 3-4, 10-11 | 4 |
| Functies en grafieken | 5, 8, 12-13 | 4 |
| Goniometrische functies | 9 | 1 |
Vergeleken met andere jaren
Vergeleken met de andere 17 examens wiskunde B havo sinds 2018: dit examen vroeg meer over meetkunde met coördinaten (44% van de vragen, gemiddeld 20%) en exponentiële en logaritmische functies (25% van de vragen, gemiddeld 14%). Minder over differentiëren (0% van de vragen, gemiddeld 13%) en vergelijkingen en ongelijkheden (0% van de vragen, gemiddeld 9%).
Opgaven en correctievoorschrift
De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.
Oefenen als leerling
Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen wiskunde B havo 2026, tijdvak 1 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.
Nakijken als docent
Start gratis vanaf deze pagina
Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen wiskunde B havo 2026, tijdvak 1 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.
Laat de klas het examen maken
Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.
Geef de resultaten vrij
Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.
ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.
Vragen en antwoorden
Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen wiskunde B havo 2026, tijdvak 1. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.
Hoeken
De cirkel $c$ met middelpunt $M$ is gegeven door de vergelijking:
x^2+y^2-10x-6y=135
De lijn $k$ heeft vergelijking $y=-2x$.
De lijn $l$ is de lijn door de punten $O$ en $M$. Zie figuur 1.
Vraag 1 4 punten
Onderzoek op exacte wijze of $k$ en $l$ elkaar loodrecht snijden.
Cirkel $c$ met middelpunt $M$, lijn $k$ en lijn $l$ door $O$ en $M$ (figuur 1). Bekijk in Opgaven, pagina 2
Bekijk het antwoord
$x^2+y^2-10x-6y=135$ kan geschreven worden in de vorm $(x-5)^2+(y-3)^2=r^2$, dus de coördinaten van $M$ zijn $(5, 3)$
$l$ heeft richtingscoëfficiënt $\frac{3}{5}$
$(\text{rc}_k\cdot\text{rc}_l=)\,-2\cdot\frac{3}{5}\neq-1$ (of $\text{rc}_k\neq-\frac{5}{3}$)
Dus $k$ en $l$ snijden elkaar niet loodrecht
of
$\text{rc}_k=-2$, dus als $l$ en $k$ elkaar loodrecht snijden, dan zou $\text{rc}_l=\frac{1}{2}$ moeten zijn
$x^2+y^2-10x-6y=135$ kan geschreven worden in de vorm $(x-5)^2+(y-3)^2=r^2$, dus de coördinaten van $M$ zijn $(5, 3)$
$l$ heeft richtingscoëfficiënt $\frac{3}{5}$
Dus $k$ en $l$ snijden elkaar niet loodrecht
Opmerking: als in het eerste antwoordelement van het eerste antwoordalternatief of in het tweede antwoordelement van het tweede antwoordalternatief een foutieve waarde van $r$ is gegeven, hiervoor geen scorepunten in mindering brengen.
Lijn $k$ snijdt het deel van de cirkel boven de $x$-as in het punt $P$. Het punt $Q(0, 15)$ is het snijpunt van $c$ met de positieve $y$-as. Zie figuur 2.
Vraag 2 7 punten
In figuur 2 is de hoek aangegeven die de lijn door $P$ en $Q$ met de $x$-as maakt.
Bereken algebraïsch deze hoek in graden. Geef je eindantwoord als geheel getal.
Cirkel $c$, lijn $k$ door $P$ en $O$, de lijn door $P$ en $Q$ en de hoek die deze lijn met de $x$-as maakt. Bekijk in Opgaven, pagina 2
Bekijk het antwoord
(Substitutie van $y=-2x$ in de vergelijking van $c$ geeft) $x^2+(-2x)^2-10x-6\cdot(-2x)=135$
Dit geeft $5x^2+2x-135=0$
De discriminant $D=2704$
$x_P=\frac{-2-\sqrt{2704}}{10}=-5\frac{2}{5}$ ($x_P=5$ voldoet niet)
$y_P=10\frac{4}{5}$
De richtingscoëfficiënt van de lijn door $P$ en $Q$ is $\frac{10\frac{4}{5}-15}{-5\frac{2}{5}-0}\,(=\frac{7}{9})$ (of: in driehoek $PP'Q$, met $P'$ de loodrechte projectie van $P$ op de $y$-as, is de tangens van de gevraagde hoek gelijk aan $\frac{4\frac{1}{5}}{5\frac{2}{5}}$)
Een berekening waaruit volgt dat de gevraagde hoek gelijk is aan $38(^\circ)$
Exponentiële functies
De functie $f$ wordt gegeven door $f(x)=2^{3-x^2}$ en de functie $g$ wordt gegeven door $g(x)=\left(\frac{1}{2}\right)^{2-x^2}$.
De grafieken van $f$ en $g$ hebben twee snijpunten. Beide snijpunten hebben dezelfde $y$-coördinaat.
Vraag 3 4 punten
Bereken exact deze $y$-coördinaat. Schrijf je antwoord in de vorm $\sqrt{a}$ met $a$ een geheel getal.
Bekijk het antwoord
De $x$-coördinaten van de snijpunten zijn oplossingen van de vergelijking $2^{3-x^2}=\left(\frac{1}{2}\right)^{2-x^2}$ die is te herleiden tot $2^{3-x^2}=\left(2^{-1}\right)^{2-x^2}$
Dit geeft $2^{3-x^2}=2^{-2+x^2}$ en dus $3-x^2=-2+x^2$
Hieruit volgt $x^2=2\frac{1}{2}$
De $y$-coördinaat is $2^{\frac{1}{2}}=\sqrt{2}$ (of $\left(\frac{1}{2}\right)^{-\frac{1}{2}}=2^{\frac{1}{2}}=\sqrt{2}$)
De functie $h$ wordt gegeven door $h(x)=f(x)+g(x)$. De grafiek van $h$ heeft drie toppen, waaronder het punt $T$ op de $y$-as. Zie de figuur.
Vraag 4 5 punten
Op de grafiek van $h$ liggen links van de $y$-as twee punten waarin de raaklijn helling $2$ heeft; het punt dat het dichtst bij de $y$-as ligt, is het punt $A$. De hoogte van $A$ is kleiner dan de hoogte van $T$.
Bereken het verschil tussen deze hoogtes. Geef je eindantwoord in drie decimalen.
Grafiek van $h$ met twee dalen links en rechts en het hoogste punt $T$ op de $y$-as; punt $A$ ligt links van de $y$-as. Bekijk in Opgaven, pagina 3
Bekijk het antwoord
$y_T=h(0)=8{,}25$
Beschrijven hoe met de GR de grafiek van de afgeleide van $h$ kan worden bepaald
Beschrijven hoe met de GR de $x$-coördinaat van een punt op de grafiek van $h$ met helling $2$ kan worden bepaald
$x_A=-0{,}191\ldots$
Het hoogteverschil is $8{,}25-h(-0{,}191\ldots)=0{,}194$
Hyperbool
De functie $f$ wordt gegeven door $f(x)=\frac{3}{x}+2$. De grafiek van $f$ is een hyperbool. Op deze hyperbool ligt het punt $P(2, 3\frac{1}{2})$. De lijn $k$ raakt de hyperbool in $P$. Zie figuur 1.
Een vergelijking van $k$ is $y=-\frac{3}{4}x+5$.
Vraag 5 4 punten
Bewijs dit.
Hyperbool $f$ met raaklijn $k$ in $P(2, 3\frac{1}{2})$ (figuur 1). Bekijk in Opgaven, pagina 4
Bekijk het antwoord
$\frac{3}{x}=3x^{-1}$
$f'(x)=-3x^{-2}\,(=-\frac{3}{x^2})$
$f'(2)=-\frac{3}{4}$
Een exacte toelichting waaruit volgt dat in de vergelijking $y=-\frac{3}{4}x+b$ de waarde van $b$ gelijk is aan $5$
of
(Lijn $k$ is niet horizontaal of verticaal, dus $k$ is een raaklijn aan de hyperbool als geldt:) de vergelijking $\frac{3}{x}+2=-\frac{3}{4}x+5$ moet precies één oplossing hebben
De vergelijking $\frac{3}{4}x^2-3x+3=0$ moet precies één oplossing (ongelijk aan $0$) hebben
De discriminant $D=0$, dus $k$ is een raaklijn aan de hyperbool
(Aantonen dat $P$ op $k$ ligt:) $3\frac{1}{2}=-\frac{3}{4}\cdot2+5$, dus $k$ raakt de hyperbool in $P$
De lijn $l$ met vergelijking $y=-\frac{3}{4}x-1$ raakt de hyperbool in het punt $Q(-2, \frac{1}{2})$. Lijn $l$ snijdt de $y$-as in het punt $A$. Zie figuur 2.
In deze figuur is ook de horizontale asymptoot van de hyperbool gestippeld weergegeven. Lijn $k$ snijdt deze asymptoot in het punt $B$.
Vraag 6 5 punten
Het lijkt of de lijnstukken $AB$ en $PQ$ even lang zijn.
Onderzoek op exacte wijze of $AB$ en $PQ$ even lang zijn.
Hyperbool $f$ met raaklijnen $k$ en $l$, punt $A$ op de $y$-as, de gestippelde asymptoot en punt $B$ op $k$ (figuur 2). Bekijk in Opgaven, pagina 4
Bekijk het antwoord
$PQ=\sqrt{4^2+3^2}=5$
$y_A=-1$ (dus $A(0,-1)$)
Een vergelijking van de horizontale asymptoot is $y=2$
$x_B$ is oplossing van de vergelijking $-\frac{3}{4}x+5=2$ en dit geeft $x=4$ (dus $B(4,2)$)
$AB=\sqrt{4^2+3^2}=5$ (, dus $AB$ en $PQ$ zijn even lang)
of
$y_A=-1$ (dus $A(0,-1)$)
Een vergelijking van de horizontale asymptoot is $y=2$
$x_B$ is oplossing van de vergelijking $-\frac{3}{4}x+5=2$ en dit geeft $x=4$ (dus $B(4,2)$)
De richtingscoëfficiënt van de lijn door $P$ en $Q$ is $\frac{3\frac{1}{2}-\frac{1}{2}}{2--2}=\frac{3}{4}$ en van de lijn door $A$ en $B$ $\frac{2--1}{4-0}=\frac{3}{4}$
De raaklijnen zijn evenwijdig en de lijnen $PQ$ en $AB$ zijn evenwijdig, (of: vierhoek $ABPQ$ is een parallellogram,) dus $AB$ en $PQ$ zijn even lang
of
$y_A=-1$ (dus $A(0,-1)$)
Een vergelijking van de horizontale asymptoot is $y=2$
$x_B$ is oplossing van de vergelijking $-\frac{3}{4}x+5=2$ en dit geeft $x=4$ (dus $B(4,2)$)
$x_B-x_A=4-0=4$ en $y_B-y_A=2--1=3$
$x_P-x_Q=2--2=4=x_B-x_A$ en $y_P-y_Q=3\frac{1}{2}-\frac{1}{2}=3=y_B-y_A$, (dus $\sqrt{(x_B-x_A)^2+(y_B-y_A)^2}=\sqrt{(x_P-x_Q)^2+(y_P-y_Q)^2}$) dus $AB$ en $PQ$ zijn even lang
of
$y_A=-1$ (dus $A(0,-1)$)
Een vergelijking van de horizontale asymptoot is $y=2$
$x_B$ is oplossing van de vergelijking $-\frac{3}{4}x+5=2$ en dit geeft $x=4$ (dus $B(4,2)$)
$x_A-x_Q=0--2=2$ en $x_B-x_P=4-2=2$
De raaklijnen zijn evenwijdig, (dus omdat $x_A-x_Q=x_B-x_P$ geldt ook $y_A-y_Q=y_B-y_P$, dus $\sqrt{(x_A-x_Q)^2+(y_A-y_Q)^2}=\sqrt{(x_B-x_P)^2+(y_B-y_P)^2}$,) dus $AQ=BP$. Dan zijn $AB$ en $PQ$ ook evenwijdig, (of: vierhoek $ABPQ$ is een parallellogram,) dus $AB$ en $PQ$ zijn even lang
De functie $g$ ontstaat uit de functie $f$ door een logaritme van $f$ te nemen:
g(x)={}^2\log\left(\frac{3}{x}+2\right)
De grafiek van $g$ snijdt de $x$-as in het punt $C$. De $y$-as is een verticale asymptoot van de grafiek van $g$. Links van de $y$-as is er nog een verticale asymptoot. Deze asymptoot snijdt de $x$-as in het punt $D$. Zie figuur 3.
Vraag 7 4 punten
Bereken exact de lengte van het lijnstuk $CD$.
Grafiek van $g$ met de verticale asymptoot langs de $y$-as en de verticale asymptoot links daarvan; $C$ op de $x$-as en $D$ op de linker asymptoot. Bekijk in Opgaven, pagina 5
Bekijk het antwoord
$x_C$ is oplossing van de vergelijking $\frac{3}{x}+2=1$
Dit geeft $x=-3$
$x_D$ is oplossing van de vergelijking $\frac{3}{x}+2=0$
Dit geeft $x=-1\frac{1}{2}$, dus de lengte van $CD$ is $1\frac{1}{2}$
De functie $h$ wordt gegeven door $h(x)={}^2\log(2x)-{}^2\log\left(x-1\frac{1}{2}\right)$. In figuur 4 is de grafiek van $h$ weergegeven. Het deel van de grafiek van $g$ dat rechts van de $y$-as ligt, is ook weergegeven.
Vraag 8 3 punten
Bewering: als de grafiek van $h$ $1\frac{1}{2}$ naar links wordt verschoven, dan valt de verschoven grafiek samen met het rechterdeel van de grafiek van $g$.
Onderzoek op exacte wijze of deze bewering juist is.
Grafiek van $h$ met een pijl $1\frac{1}{2}$ naar links, naast het rechterdeel van de grafiek van $g$ (figuur 4). Bekijk in Opgaven, pagina 5
Bekijk het antwoord
Een vergelijking van de $1\frac{1}{2}$ naar links verschoven grafiek is $y={}^2\log\left(2\left(x+1\frac{1}{2}\right)\right)-{}^2\log\left(x+1\frac{1}{2}-1\frac{1}{2}\right)$
Herleiden tot $y={}^2\log\left(\frac{2x+3}{x}\right)$ (voor $x>0$)
Teller en noemer van de breuk delen door $x$ geeft $y={}^2\log\left(2+\frac{3}{x}\right)$ (voor $x>0$), dus de bewering is juist
of
Als (het weergegeven deel van) de grafiek van $y={}^2\log\left(\frac{3}{x}+2\right)$ $1\frac{1}{2}$ naar rechts wordt verschoven, dan is $y={}^2\log\left(\frac{3}{x-1\frac{1}{2}}+2\right)$ een vergelijking van deze naar rechts verschoven grafiek
$\frac{3}{x-1\frac{1}{2}}+2=\frac{3}{x-1\frac{1}{2}}+\frac{2(x-1\frac{1}{2})}{x-1\frac{1}{2}}=\frac{2x}{x-1\frac{1}{2}}$
${}^2\log\left(\frac{2x}{x-1\frac{1}{2}}\right)={}^2\log(2x)-{}^2\log\left(x-1\frac{1}{2}\right)$ (voor $x>1\frac{1}{2}$), dus de bewering is juist
Temperatuur in de grond
Gedurende de dag verandert de temperatuur van de buitenlucht. Meestal is het in de nacht kouder dan overdag en is het in de middag het warmst. De temperatuur van de grond op verschillende diepten zal zich aanpassen aan de temperatuur van de buitenlucht. Die aanpassing loopt in de tijd wat achter ten opzichte van de temperatuur van de buitenlucht.
We kijken eerst naar gemeten temperaturen op verschillende diepten in veengrond. We doen dat voor een bepaalde periode van twee dagen. Op basis van de meetresultaten op de grond (0 cm diep) en op twee verschillende diepten (5 cm diep en 10 cm diep) zijn in een model drie sinusoïden getekend. Zie de figuur.
Hierbij is $T$ de temperatuur in graden Celsius en $t$ het aantal uren na het begin van de twee dagen, met $t=0$ om 0.00 uur. De figuur staat vergroot op de uitwerkbijlage.
In deze figuur is bijvoorbeeld af te lezen dat de temperatuur op de grond in de loop van de middag maximaal is. De maximale temperaturen op een diepte van 5 cm en 10 cm worden op een later tijdstip bereikt.
Bij elke grafiek hoort een formule van de vorm $T=a+b\cdot\sin(c(t-d))$.
Vraag 9 4 punten
Bepaal de waarden van $a$, $b$, $c$ en $d$ voor de grafiek op de grond. Geef $a$, $b$ en $d$ als geheel getal en geef $c$ in één decimaal. Gebruik de figuur op de uitwerkbijlage.
Drie gemeten temperatuursinusoïden (op 0, 5 en 10 cm diep) over twee dagen, vergroot weergegeven. Bekijk in Uitwerkbijlage, pagina 1
Bekijk het antwoord
(De evenwichtstemperatuur is 20 graden, dus) $a=20$
(De amplitude is 13, dus) $b=13$
(De periode is 24 uur, dus) $\frac{2\pi}{24}=0{,}26\ldots$, dus $c=0{,}3$
(De grafiek gaat op $t=8$ stijgend door de evenwichtsstand, dus) $d=8$ (of een andere correcte waarde)
Opmerking: als uitsluitend de waarden van $a$, $b$, $c$ en $d$ van een andere grafiek dan die op de grond is bepaald, voor deze vraag hoogstens 2 scorepunten toekennen.
Naarmate je dieper in de grond meet, worden de verschillen tussen de maximale en minimale temperatuur kleiner. Dit is in de figuur aan de amplitudes van de grafieken te zien. In het model neemt de amplitude van de grafiek exponentieel af met de diepte.
De amplitude van de grafiek van 5 cm diepte is 5,5. De amplitude van de grafiek van 10 cm diepte is 2,3. Met behulp van deze amplitudes kan de groeifactor van de amplitude per 5 cm diepte worden berekend. Hieruit volgt de procentuele afname per 1 cm diepte.
Vraag 10 3 punten
Bereken algebraïsch deze procentuele afname van de amplitude per 1 cm diepte. Geef je eindantwoord in gehele procenten.
Bekijk het antwoord
De groeifactor per 5 cm is $\frac{2{,}3}{5{,}5}\,(=0{,}418\ldots)$
De groeifactor per 1 cm is $\left(\frac{2{,}3}{5{,}5}\right)^{\frac{1}{5}}\,(=0{,}839\ldots)$
Dat is $16\%$ afname (per cm)
Opmerking: als gebruik is gemaakt van de in vraag 9 bepaalde amplitude op de grond, dan geen scorepunten in mindering brengen.
Tijdens een periode van vorst bevriest de grond. Om te weten hoe diep de vorst in de grond zit, wordt dagelijks de vorstindex bepaald. Hiervoor worden de gemiddelde dagtemperaturen (in $^\circ C$) vanaf het begin van de vorstperiode opgeteld. De vorstindex $I$ is het tegengestelde van de uitkomst van deze optelling. Er geldt dus:
I=-(\text{som van de gemiddelde dagtemperaturen vanaf het begin van de vorstperiode})
Voor drie opeenvolgende dagen op een bepaalde plaats staat hieronder een voorbeeld van de berekening van de vorstindex $I$, waarbij het op dag 1 begint te vriezen.
| dagnummer | gemiddelde dagtemperatuur | som van de gemiddelde dagtemperaturen vanaf het begin van de vorstperiode | vorstindex $I$ |
|---|---|---|---|
| 1 | −4,5 °C | −4,5 | 4,5 |
| 2 | −7,5 °C | −4,5 + −7,5 = −12 | 12 |
| 3 | 2 °C | −4,5 + −7,5 + 2 = −10 | 10 |
Op een plaats met lichte kleigrond willen we bepalen tot hoe diep de vorst in de grond zit. Deze diepte wordt in een vereenvoudigd wiskundig model benaderd met de formule:
z=4\sqrt{I}
met $z$ de diepte in cm en $I$ de vorstindex.
Op deze plaats geldt na een aantal dagen flinke vorst dat de vorst tot 20 cm in de grond zit. De weersvoorspelling is dat op de dagen die volgen, de gemiddelde dagtemperatuur elke dag 6 graden Celsius boven 0 is. Met die weersvoorspelling is te berekenen na hoeveel dagen de vorst op deze plaats voor het eerst helemaal uit de grond is verdwenen.
Vraag 11 4 punten
Bereken met behulp van de formule voor $z$ na hoeveel hele dagen de vorst voor het eerst helemaal uit de grond is verdwenen.
Bekijk het antwoord
Er geldt: $20=4\sqrt{I}$
Hieruit volgt $I=\left(\frac{20}{4}\right)^2=25$
(Er moet gelden $z=0$, dus) $I$ moet $0$ worden
Na 5 hele dagen (omdat $4<\frac{25}{6}<5$) is de vorst uit de grond verdwenen
Een wortelfunctie benaderen
De functie $f$ wordt gegeven door $f(x)=1+2\sqrt{4-x}$. De functie $g$ wordt gegeven door $g(x)=a\cdot x^3+b\cdot x^2+c\cdot x+d$. Hierin zijn $a$, $b$, $c$ en $d$ constanten.
In de figuur is de grafiek van $f$ weergegeven. Ook is voor een keuze van de waarden van $a$, $b$, $c$ en $d$ de grafiek van $g$ gestippeld weergegeven. In de buurt van $x=0$ benadert de grafiek van $g$ de grafiek van $f$.
Voor de weergegeven grafieken geldt: $f(0)=g(0)$ en $f'(0)=g'(0)$.
Uit $f(0)=g(0)$ volgt $d=5$.
De waarde van $c$ volgt uit $f'(0)=g'(0)$.
Er geldt: $c=-\frac{1}{2}$.
Vraag 12 4 punten
Bewijs dat $c=-\frac{1}{2}$.
Grafiek van $f$ (wortelfunctie) en gestippeld de grafiek van $g$, die elkaar in de buurt van $x=0$ benaderen. Bekijk in Opgaven, pagina 8
Bekijk het antwoord
De afgeleide van $4-x$ is $-1$
$f'(x)=-\frac{1}{\sqrt{4-x}}\,(=-(4-x)^{-\frac{1}{2}})$
$g'(x)=3a\cdot x^2+2b\cdot x+c$
Uit $f'(0)=g'(0)$ volgt $c=\frac{-1}{\sqrt{4-0}}=-\frac{1}{2}$
Voor de grafiek van $g$ in de figuur geldt verder: $a=-\frac{1}{256}$ en $b=-\frac{1}{32}$.
Daarmee wordt de functie $g$ gegeven door $g(x)=-\frac{1}{256}x^3-\frac{1}{32}x^2-\frac{1}{2}x+5$.
De grafiek van $f$ ligt nergens boven de grafiek van $g$. Hoe verder $x$ van $0$ afwijkt, des te groter is de verticale afstand tussen de twee grafieken.
Vraag 13 3 punten
Bereken voor welke twee waarden van $x$ de verticale afstand gelijk is aan $0{,}05$. Geef je eindantwoorden in twee decimalen.
Bekijk het antwoord
De vergelijking $-\frac{1}{256}x^3-\frac{1}{32}x^2-\frac{1}{2}x+5-\left(1+2\sqrt{4-x}\right)=0{,}05$ moet worden opgelost
Beschrijven hoe deze vergelijking kan worden opgelost
De oplossingen $x=-3{,}37$ en $x=2{,}56$
Gelijkvormige driehoeken
Gegeven zijn de gelijkvormige driehoeken $ABS$ en $CDS$. De zijden $AB$ en $CD$ zijn evenwijdig. Het punt $S$ is het snijpunt van de lijnstukken $AC$ en $BD$.
Het punt $E$ ligt op het lijnstuk $AB$ en het punt $F$ ligt op het lijnstuk $AS$ zodanig dat het lijnstuk $EF$ evenwijdig is met het lijnstuk $BS$.
Verder geldt dat $BS=11$, $DS=4$, $CD=5$, $EB=2$ en $\angle CSD=60^\circ$. Zie de figuur.
Vraag 14 7 punten
Bereken de lengte van het lijnstuk $AF$. Geef je eindantwoord in één decimaal.
Gelijkvormige driehoeken $ABS$ en $CDS$ met evenwijdige zijden $AB$ en $CD$; $E$ op $AB$, $F$ op $AS$ en $EF$ evenwijdig met $BS$. Bekijk in Opgaven, pagina 9
Bekijk het antwoord
(Driehoek $ABS$ is gelijkvormig met driehoek $CDS$, dus) $\frac{AB}{5}=\frac{11}{4}$
Dan is $AB=13{,}75$
(Driehoek $AEF$ is gelijkvormig met driehoek $ABS$, dus) $\frac{EF}{11}=\frac{13{,}75-2}{13{,}75}$
Hieruit volgt dat $EF=9{,}4$
Gebruik van de cosinusregel in driehoek $AEF$ geeft $11{,}75^2=9{,}4^2+AF^2-2\cdot9{,}4\cdot AF\cdot\cos(60^\circ)$
Beschrijven hoe deze vergelijking kan worden opgelost
Het antwoord $AF=13{,}2$
of
(Driehoek $ABS$ is gelijkvormig met driehoek $CDS$, dus) $\frac{AB}{5}=\frac{11}{4}$
Dan is $AB=13{,}75$
Gebruik van de cosinusregel in driehoek $CDS$ geeft $5^2=4^2+CS^2-2\cdot4\cdot CS\cdot\cos(60^\circ)$
Beschrijven hoe deze vergelijking kan worden opgelost
Hieruit volgt dat $CS=5{,}60\ldots$
(Driehoek $AEF$ is gelijkvormig met driehoek $CDS$, dus) $\frac{AF}{5{,}60\ldots}=\frac{13{,}75-2}{5}$
Het antwoord $AF=13{,}2$
of
Gebruik van de cosinusregel in driehoek $CDS$ geeft $5^2=4^2+CS^2-2\cdot4\cdot CS\cdot\cos(60^\circ)$
Beschrijven hoe deze vergelijking kan worden opgelost
Hieruit volgt dat $CS=5{,}60\ldots$
(Driehoek $ABS$ is gelijkvormig met driehoek $CDS$, dus) $\frac{AB}{5}=\frac{AS}{5{,}60\ldots}=\frac{11}{4}$
Dan is $AS=15{,}41\ldots$ en $AB=13{,}75$
(Driehoek $ABS$ is gelijkvormig met driehoek $AEF$, dus) $\frac{15{,}41\ldots}{AF}=\frac{13{,}75}{13{,}75-2}$
Het antwoord $AF=13{,}2$
of
Gebruik van de sinusregel in driehoek $CDS$ geeft $\frac{5}{\sin(60^\circ)}=\frac{4}{\sin(\angle C)}$
Dan is $\angle C=43{,}85\ldots^\circ$ en $\angle D=(180^\circ-60^\circ-43{,}85\ldots^\circ)=76{,}14\ldots^\circ$
Gebruik van de cosinusregel in driehoek $CDS$ geeft $CS^2=4^2+5^2-2\cdot4\cdot5\cdot\cos(76{,}14\ldots^\circ)$, dus $CS=5{,}60\ldots$ (of gebruik van de sinusregel in driehoek $CDS$ geeft $\frac{CS}{\sin(76{,}14\ldots^\circ)}=\frac{5}{\sin(60^\circ)}$ (of $\frac{CS}{\sin(76{,}14\ldots^\circ)}=\frac{4}{\sin(43{,}85\ldots^\circ)}$), dus $CS=5{,}60\ldots$)
(Driehoek $ABS$ is gelijkvormig met driehoek $CDS$, dus) $\frac{AB}{5}=\frac{AS}{5{,}60\ldots}=\frac{11}{4}$
Dan is $AS=15{,}41\ldots$ en $AB=13{,}75$
(Driehoek $ABS$ is gelijkvormig met driehoek $AEF$, dus) $\frac{15{,}41\ldots}{AF}=\frac{13{,}75}{13{,}75-2}$
Het antwoord $AF=13{,}2$
Komeetbanen
Kometen zijn relatief kleine hemellichamen die vaak in een baan om een ster draaien. In deze opgave bekijken we komeetbanen rondom onze zon. Zo'n baan heeft twee symmetrieassen, een lange en een korte as, die loodrecht op elkaar staan. Het snijpunt van deze assen is het midden van de baan. De zon $Z$ bevindt zich op de lange as, maar niet in het midden.
De afstand van de komeet tot het middelpunt van de zon varieert. Als de komeet zich op de lange as bevindt, worden de grootste afstand $g$ en de kleinste afstand $k$ bereikt.
In figuur 1 zijn twee voorbeelden van een komeetbaan met zijn symmetrieassen getekend.
Komeetbanen hebben verschillende vormen. De vorm hangt samen met $g$ en $k$. Hoe kleiner het verschil tussen $g$ en $k$, hoe meer de baan op een cirkel gaat lijken. Een maat voor de vorm van de baan is de excentriciteit.
De excentriciteit $e$ wordt berekend met de formule:
e=\frac{g-k}{g+k}
Voor twee komeetbanen met een verschillende waarde voor $g$ en ook voor $k$ geldt dat afstand $g$ vier keer zo groot is als afstand $k$.
Vraag 15 3 punten
Onderzoek op exacte wijze of beide banen dezelfde excentriciteit hebben.
Bij dit onderzoek is het gebruik van getallenvoorbeelden onvoldoende.
Twee komeetbanen (ellipsen) met hun symmetrieassen en de zon $Z$ op de lange as (figuur 1). Bekijk in Opgaven, pagina 10
Bekijk het antwoord
Er geldt $g=4k$ (of $k=\frac{1}{4}g$)
Invullen geeft $e=\frac{4k-k}{4k+k}$ (of $e=\frac{g-\frac{1}{4}g}{g+\frac{1}{4}g}$)
Teller en noemer delen door $k$ (of $g$) geeft een constante waarde $\left(e=\frac{3}{5}\right)$, dus deze banen hebben allemaal dezelfde excentriciteit
Kometen worden aangeduid met een nummer gevolgd door een letter. In figuur 2 is de baan van komeet 53P weergegeven. Figuur 2 is vergroot weergegeven op de uitwerkbijlage.
Voor deze baan geldt:
- de lengte van de lange as op de uitwerkbijlage is gelijk aan 10 cm;
- de excentriciteit is 0,553.
Met een stelsel van vergelijkingen kan de plaats van de zon op de lange as in de tekening worden bepaald. Ga ervan uit dat de zon zich rechts van het midden bevindt.
Vraag 16 5 punten
Bereken de waarde van $g$ (of $k$) in één decimaal en teken vervolgens de plaats van de zon op de uitwerkbijlage.
Baan van komeet 53P als ellips met gestippelde lange as; de plaats van de zon moet op de lange as getekend worden. Bekijk in Uitwerkbijlage, pagina 2
Bekijk het antwoord
In de figuur op de uitwerkbijlage geldt $g+k=10$
Ook geldt $\frac{g-k}{g+k}=0{,}553$, dus $g-k=5{,}53$
Beschrijven hoe het stelsel van vergelijkingen kan worden opgelost
Dit geeft $g=7{,}8$ (of nauwkeuriger) (of $k=2{,}2$ (of nauwkeuriger))
Het tekenen van de correcte plaats van de zon met een marge van 2 mm
of
In de figuur op de uitwerkbijlage geldt $g+k=10$
Ook geldt $\frac{g-k}{g+k}=0{,}553$, dus $g-k=5{,}53$
(Uit de symmetrie van de komeetbaan in de korte as volgt) $k=\frac{10-(g-k)}{2}$
Dit geeft $k=2{,}2$ (of nauwkeuriger) (of $g=7{,}8$ (of nauwkeuriger))
Het tekenen van de correcte plaats van de zon met een marge van 2 mm
De omlooptijd $T$ is de tijd die een komeet er over doet om één keer om de zon te draaien. De lengte van de halve lange as van de baan is $a$.
In figuur 3 is voor de kometen 53P, 54P, 56P en 57P $a^3$ uitgezet tegen $T^2$. De omlooptijd $T$ is in jaren en de lengte $a$ in miljarden kilometer. Tussen $a$ en $T$ bestaat een verband: er geldt dat $a^3$ recht evenredig is met $T^2$. In figuur 3 is door middel van een lijn het recht evenredige verband weergegeven. Figuur 3 staat vergroot op de uitwerkbijlage.
De komeet 55P draait in 33,2226 jaar om de zon. Het bijbehorende punt ligt buiten figuur 3.
Vraag 17 5 punten
Bereken de lengte $a$ van de halve as van de baan van komeet 55P. Voor het bepalen van de evenredigheidsconstante kun je de figuur op de uitwerkbijlage gebruiken. Geef je eindantwoord in miljarden kilometer in twee decimalen.
Grafiek van $a^3$ uitgezet tegen $T^2$ voor de kometen 53P, 54P, 56P en 57P, met de rechte lijn door de oorsprong (figuur 3). Bekijk in Uitwerkbijlage, pagina 3
Bekijk het antwoord
Er geldt $a^3=c\cdot T^2$ (, met $c$ de evenredigheidsconstante)
Aflezen van de coördinaten van één punt op de lijn (bijvoorbeeld $(190;0{,}64)$) (uitgezonderd $(0,0)$)
Dit geeft $c=0{,}003368\ldots$
Voor 55P geldt $a^3=0{,}003368\ldots\cdot33{,}2226^2\,(=3{,}7178\ldots)$
Dit geeft $a=\sqrt[3]{0{,}003368\ldots\cdot33{,}2226^2}$, dus het eindantwoord is $1{,}55$
of
Er geldt $T^2=c\cdot a^3$ (, met $c$ de evenredigheidsconstante)
Aflezen van de coördinaten van één punt op de lijn (bijvoorbeeld $(190;0{,}64)$) (uitgezonderd $(0,0)$)
Dit geeft $c=296{,}875$
Voor 55P geldt $33{,}2226^2=296{,}875a^3$
Dit geeft $a=\sqrt[3]{\frac{33{,}2226^2}{296{,}875}}$, dus het eindantwoord is $1{,}55$
of
Voor twee punten $(T_1^2,a_1^3)$ en $(T_2^2,a_2^3)$ op de lijn geldt $\frac{a_1^3}{T_1^2}=\frac{a_2^3}{T_2^2}$
Aflezen van de coördinaten van één punt op de lijn (bijvoorbeeld $(190;0{,}64)$) (uitgezonderd $(0,0)$)
Voor 55P geldt $\frac{a^3}{33{,}2226^2}=\frac{0{,}64}{190}$
Dit geeft voor $a$ het eindantwoord $1{,}55$
Opmerkingen: als bij de drie antwoordalternatieven het aflezen leidt tot een eindantwoord voor $a$ buiten het interval $[1{,}54;1{,}56]$, via een correcte berekening, dan 1 scorepunt in mindering brengen. Voor het eerste antwoordelement van het derde antwoordalternatief mogen uitsluitend 0 of 2 scorepunten worden toegekend.
Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen havo Wiskunde B 2026, tijdvak 1. Figuren en de exacte opmaak staan in het originele examen.
Andere examens wiskunde B havo
- 2026, tijdvak 2
- 2025, tijdvak 1
- 2025, tijdvak 2
- 2024, tijdvak 1
- 2024, tijdvak 2
- 2023, tijdvak 1
- 2023, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 1
- 2022, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 3
- 2021, tijdvak 1
- 2021, tijdvak 2
- 2021, tijdvak 3
- 2019, tijdvak 1
- 2019, tijdvak 2
- 2018, tijdvak 1
- 2018, tijdvak 2
Hoe ToetsChecker wiskunde B per vraagtype nakijkt, lees je op wiskunde B toetsen nakijken met AI.
Veelgestelde vragen
Hoeveel vragen heeft het eindexamen wiskunde B havo 2026, tijdvak 1?
Het centraal examen wiskunde B havo 2026, tijdvak 1 telt 16 vragen. De meeste vragen gaan over meetkunde met coördinaten (7), exponentiële en logaritmische functies (4) en functies en grafieken (4).
Wat zijn de antwoorden van het examen wiskunde B havo 2026, tijdvak 1?
Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.
Waar vind ik het correctievoorschrift van wiskunde B havo 2026, tijdvak 1?
Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2026/havo/documenten/cse-1/ha-1025-a-26-1-c).
Hoe oefen ik met het examen wiskunde B havo 2026, tijdvak 1 en krijg ik feedback?
Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.