Eindexamen wiskunde B havo 2021, tijdvak 3: vragen en antwoorden

Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Transistors en opslagcapaciteit, Hetzelfde snijpunt met de y-as, Twee transformaties, Bouwkraan, Prooidieren en roofdieren, Raaklijn aan cirkel, Logaritmen en snijpunten, Maximale richtingscoëfficiënt.

Kort antwoord

Het centraal examen wiskunde B havo 2021, tijdvak 3 loopt tot vraag 17. Van 15 vragen staat het onderwerp in de vragenbank. De meeste vragen gaan over exponentiële en logaritmische functies (3), bewijzen (3) en differentiëren (3). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.

Onderwerpen in dit examen

Onderwerp per vraag in het centraal examen wiskunde B havo 2021, tijdvak 3, voor de vragen waarvan het onderwerp bekend is. Elke vraag is eenmalig door een AI-model bij een onderwerp ingedeeld; per vraag kan dat afwijken.
OnderwerpVragenAantal
Exponentiële en logaritmische functies2, 15-163
Bewijzen4, 12-133
Differentiëren5, 10, 173
Functies en grafieken6, 9, 113
Meetkunde met coördinaten7-8, 143

Vergeleken met andere jaren

Vergeleken met de andere 17 examens wiskunde B havo sinds 2018: dit examen vroeg meer over bewijzen (20% van de vragen, gemiddeld 5%) en differentiëren (20% van de vragen, gemiddeld 12%). Minder over goniometrische functies (0% van de vragen, gemiddeld 14%) en vergelijkingen en ongelijkheden (0% van de vragen, gemiddeld 9%).

Opgaven en correctievoorschrift

De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.

Oefenen als leerling

Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen wiskunde B havo 2021, tijdvak 3 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.

Nakijken als docent

  1. Start gratis vanaf deze pagina

    Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen wiskunde B havo 2021, tijdvak 3 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.

  2. Laat de klas het examen maken

    Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.

  3. Geef de resultaten vrij

    Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.

ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.

Vragen en antwoorden

Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen wiskunde B havo 2021, tijdvak 3. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.

Transistors en opslagcapaciteit

In een smartphone zit een processor. Zo’n processor bestaat meestal uit veel uiterst kleine transistors. Het aantal transistors in een processor is in de loop van de jaren enorm toegenomen.

Een producent van smartphones bracht in september 2013 een telefoon op de markt met een processor die 1 miljard transistors bevatte. Diezelfde producent heeft elk opvolgend jaar, steeds in september, een nieuwe telefoon uitgebracht. In 2018 bracht deze producent een telefoon uit met een processor die 6,9 miljard transistors bevatte. Neem aan dat het aantal transistors in een processor in de tussentijd exponentieel groeide en dat deze groei zich in de jaren daarna voortzette. Je kunt dan voor de telefoon die de producent in 2021 uitbrengt, berekenen hoe groot het aantal transistors is dat de processor van die telefoon zal bevatten.

Vraag 1 3 punten

Bereken dit aantal in miljarden. Geef je eindantwoord als geheel getal.

Bekijk het antwoord
  • 6,9 • De groeifactor per vijf jaar is ( = ) 6,9 (1) 1 1 • De groeifactor per jaar is 6,9 5 (= 1, 47...) (1) • In 2021 zal het aantal transistors 1, 47... ≈ 22 (miljard) zijn 8 1 (3)

Op 1 januari 1992 was de prijs per miljoen transistors 222 dollar. Vanaf dat moment nam de prijs per miljoen transistors af met 32% per jaar. Er komt een moment dat de prijs per miljoen transistors voor het eerst minder is dan 0,1 dollarcent, dus minder dan 0,001 dollar.

Vraag 2 4 punten

Bereken in welk jaar dat het geval is.

Bekijk het antwoord

Opmerking Voor het eindantwoord 2024 geen scorepunten in mindering brengen.

Als je een computerbestand opslaat, dan komt zo’n bestand bijvoorbeeld op een harde schijf (harddisk) terecht. De opslagcapaciteit van een harde schijf is het aantal GB (gigabyte) dat op die schijf kan worden opgeslagen. Op basis van de opslagcapaciteit van een harde schijf en de prijs van de schijf kun je berekenen wat de prijs per GB is. Deze prijs per GB is in de afgelopen jaren enorm gedaald. In de figuur is deze prijsdaling te zien. Op de verticale as is log( p ) uitgezet. Hierin is p de prijs per GB in dollars.

figuur

In het jaar 2004 was het heel gebruikelijk om te werken met een harde schijf van 250 GB. In 2013 waren harde schijven van 2 TB (terabyte) gebruikelijk. Er geldt: 1 TB = 1000 GB.

Met deze gegevens kun je berekenen hoeveel procent goedkoper een harde schijf van 2 TB uit 2013 was dan een harde schijf van 250 GB uit 2004.

Vraag 3 4 punten

Bereken dit percentage. Geef je eindantwoord als geheel getal.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerking Bij het aflezen van log( p ) in 2013 is een marge van 0,1 toegestaan.

Hetzelfde snijpunt met de y-as

De functies f en g worden gegeven door: f ( x) = x 3

  • x 2
  • 7 x
  • 29 g ( x) = ( x 2 + x
  • 2 ) ( x
  • 3)

De grafieken van f en g snijden elkaar in twee punten. Dit zijn de punten

A en B. De lijn door A en B snijdt de y-as in het punt S.

Het snijpunt van de grafiek van g met de y-as is het punt T.

Vraag 4 7 punten

Bewijs dat S en T dezelfde y-coördinaat hebben.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • De y-coördinaat van T is ( g (0) =) 6 (1)
  • g ( x) = x 3 − 2 x 2 − 5 x + 6 (1)
  • x 3 − x 2 − 7 x − 29 = x 3 − 2 x 2 − 5 x + 6 geeft x 2 − 2 x − 35 = 0 (1)
  • ( x + 5)( x − 7) = 0 , dus x = −5 of x = 7 (1)
  • Invullen geeft respectievelijk y = −144 en y = 216 (1)
  • De richtingscoëfficiënt van de lijn door A en B is = 30 (1)
  • Voor de lijn door A en B geldt dus y = 30 x + b ; invullen van bijvoorbeeld (7, 216) geeft b = 6 , dus de y-coördinaat van S is 6 (dus S en T hebben dezelfde y-coördinaat) (1)

Twee transformaties

De functie f wordt gegeven door f ( x ) = 2 3 x

  • 4 . De lijn l heeft vergelijking y = 34 x .

Lijn l wordt c eenheden omhoog geschoven. Hierdoor ontstaat de lijn m die een raaklijn is aan de grafiek van f. Zie figuur 1.

[figuur 1: zie het originele examen]

Vraag 5 8 punten

Bereken exact met behulp van differentiëren de waarde van c.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerking Voor het eerste antwoordelement mogen uitsluitend 0 of 2 scorepunten worden toegekend.

Lijn l heeft twee punten gemeenschappelijk met de grafiek van f. Door lijn l te vermenigvuldigen ten opzichte van de x-as met factor p ontstaat een nieuwe lijn. Er is één waarde van p met p > 0 waarvoor die nieuwe lijn precies één punt gemeenschappelijk heeft met de grafiek van f. Deze situatie is weergegeven in figuur 2.

[figuur 2: zie het originele examen]

Vraag 6 6 punten

Bereken exact deze waarde van p.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Na vermenigvuldiging ten opzichte van de x-as van lijn l met factor p ontstaat een lijn met vergelijking y = p · 34 x (1)
  • De vergelijking 2 3x − 4 = p · 34 x moet één oplossing hebben (1)
  • 9 16 (1)
  • 9 16 p 2 x 2 − 12 x + 16 = 0 (1)
  • D = 0 geeft 144 − 36 p 2 = 0 (1)
  • Hieruit volgt p 2 = 4 , dus p = 2 ( p = −2 voldoet niet) (1)

Bouwkraan

In de zesde eeuw voor Christus vonden de Grieken de bouwkraan uit, waarmee je zware voorwerpen kunt optakelen. In de figuren 1a tot en met 1d zie je dat een blok wordt opgetakeld en 2,5 meter verderop op een stapel blokken wordt neergelaten.

[figuur 1: zie het originele examen]

De kraan bestaat uit:

  • een paal RQ van 9 meter, die kan scharnieren om R;
  • een kabel PQ met een lengte die aangepast kan worden;
  • een kabel recht omlaag vanuit Q met een lengte die aangepast kan worden.

Verder geldt:

  • de afstand tussen P en R is 5,5 meter;
  • het te verplaatsen blok hangt aan de kabel ergens onder Q.

De verplaatsing gaat als volgt:

  • Het blok in figuur 1a takelt men omhoog door de kabel onder Q korter te maken. Hierdoor ontstaat de situatie van figuur 1b.
  • Vervolgens maakt men kabel PQ langer, waardoor paal RQ linksom scharniert en het blok naar links beweegt. Zo ontstaat de situatie van figuur 1c.
  • Ten slotte laat men het blok recht omlaag zakken door de kabel onder Q weer langer te maken. Zo ontstaat de situatie van figuur 1d.

In figuur 2 zie je de situatie van de figuren 1a en 1b schematisch weergegeven. Het punt op de grond recht onder punt Q, noemen we S. Ergens op lijnstuk QS bevindt zich het midden van het blok.

figuur 2 beginsituatie

Als de bouwkraan zich in de situatie van de figuren 1a en 1b bevindt, is de lengte van PQ gelijk aan 12 meter. ∠SRQ is dan afgerond 71 graden. Deze hoek kan nauwkeuriger berekend worden.

Vraag 7 4 punten

Bereken algebraïsch ∠SRQ in graden. Geef je eindantwoord in één decimaal.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • De cosinusregel in ΔPQR geeft 122 = 5,52 + 92 − 2 · 5,5 · 9 · cos(∠PRQ) (1)
  • Beschrijven hoe deze vergelijking algebraïsch kan worden opgelost (1)
  • Dit geeft ∠PRQ = 109,31...(°) (1)
  • Dus ∠SRQ = 180 − 109,31... = 70, 68...(°) , dus ∠SRQ ≈ 70, 7(°) (1)

Zoals in figuur 1 is te zien, moet het blok 2,5 meter naar links worden verplaatst. Kabel PQ moet dus zo veel langer worden dat de afstand tussen R en S met 2,5 meter toeneemt. Figuur 2, de beginsituatie, staat ook op de uitwerkbijlage.

Vraag 8 4 punten

Bereken algebraïsch de lengte van kabel PQ in de situatie van de figuren 1c en 1d. Geef je eindantwoord in meters in één decimaal. Je kunt hierbij de figuur op de uitwerkbijlage gebruiken.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

  • Hieruit volgt ∠SRQ = 52, 51...(°) , dus ∠PRQ = 180
    • 52,51... = 127, 48...(°) (1)
  • De cosinusregel in ΔPQR geeft PQ2 = 5,52 + 92
    • 2 · 5,5 · 9 · cos(127, 48...°) , waaruit volgt dat PQ ≈ 13,1 (m) (1)

Opmerking Als de kandidaat bij de vorige vraag een eindantwoord had anders dan 70,7°, en daarmee in deze vraag rekent, dan bij deze vraag geen scorepunten in mindering brengen.

Prooidieren en roofdieren

Er bestaan wiskundige modellen die het verband aangeven tussen aantallen prooidieren en roofdieren. Deze modellen worden prooi-roofdiermodellen genoemd.

Als er in een gebied veel prooidieren zijn, dan zal na verloop van tijd het aantal roofdieren in dat gebied sterk toenemen, omdat die zich voldoende kunnen voeden met de prooidieren. Door die toename van het aantal roofdieren zal het aantal prooidieren teruglopen. Hierdoor kunnen de roofdieren minder voedsel vinden en zullen zij in aantal afnemen. Als gevolg daarvan zal het aantal prooidieren weer toenemen. En daarmee begint deze cyclus weer opnieuw. In figuur 1 wordt een model van zo’n cyclus weergegeven.

[figuur 1: zie het originele examen]

De grafieken van het aantal roofdieren en het aantal prooidieren zijn in dit model sinusoïden.

Vraag 9 4 punten

Stel op algebraïsche wijze een functievoorschrift voor r op waarmee je het aantal roofdieren r in figuur 1 kunt berekenen als functie van de tijd t in jaren.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerking Wanneer de kandidaat een functievoorschrift opstelt passend bij de grafiek van de prooidieren, voor deze vraag maximaal 3 scorepunten toekennen.

In de rest van deze opgave gaan we uit van een ander prooi-roofdiermodel: p(t ) = 4800 + 3400 · sin ( 14 π(t

  • 3) ) r (t ) = 2500 + 1300 · cos ( 14 π(t + 1) ) Hierin is p het aantal prooidieren, r het aantal roofdieren en t de tijd in jaren. In figuur 2 zijn de grafieken van p en r geschetst.

[figuur 2: zie het originele examen]

In elke periode is er één moment waarop de groeisnelheid van het aantal prooidieren maximaal is. In het bijbehorende punt op de grafiek is de helling dus maximaal.

Vraag 10 3 punten

Bereken deze maximale groeisnelheid. Geef je eindantwoord in gehele honderdtallen prooidieren per jaar.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

  • Uit het functievoorschrift van p volgt dat de maximale groeisnelheid wordt bereikt op t = 3 (want daar stijgt de grafiek door de evenwichtsstand) (1) p (3, 001)
    • p (3)
  • Deze groeisnelheid wordt benaderd door (of 0, 001 beschrijven hoe de richtingscoëfficiënt van de raaklijn aan de grafiek voor t = 3 met de GR gevonden kan worden) (1p)

Opmerkingen

  • Als een differentiequotiënt wordt gebruikt, en hierbij een interval wordt gehanteerd met Δt > 0, 001 leidend tot het antwoord 2700, dan geen scorepunten in mindering brengen.
  • Wanneer de kandidaat het functievoorschrift van r in plaats van dat van p gebruikt, voor deze vraag maximaal 2 scorepunten toekennen.

Iemand zegt: “Op de momenten dat er 4300 prooidieren zijn, zijn er … roofdieren of … roofdieren.”

Vraag 11 4 punten

Bereken welke twee getallen op de plaats van de puntjes moeten staan, zodat de uitspraak juist is. Geef deze getallen in gehele honderdtallen.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • De vergelijking 4800 + 3400 · sin ( 14 π(t − 3) ) = 4300 moet worden opgelost (1)
  • Beschrijven hoe deze vergelijking kan worden opgelost (1)
  • Dit geeft bijvoorbeeld t = 2,81... en t = 7,18... (1)
  • r (2,81...) ≈ 1200 en r (7,18...) ≈ 3800 (dus dit zijn de getallen die op de puntjes moeten staan) (1)

Raaklijn aan cirkel

De cirkel c heeft vergelijking x + y = 25 . Het middelpunt van c is O.

2 2

Het punt P (−3, −4) ligt op c. De lijn l is de raaklijn aan de cirkel in P. Lijn l snijdt de x-as in het punt S. Cirkel c snijdt de x-as in de punten A en B. Zie figuur 1.

[figuur 1: zie het originele examen]

Een vergelijking van l is y =

  • 34 x
  • 6 14 .

Vraag 12 3 punten

Bewijs dat y =

  • 34 x
  • 6 14 inderdaad een vergelijking van l is.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • • De richtingscoëfficiënt van de lijn door O en P is 43 (1) • De raaklijn aan c in P heeft dus richtingscoëfficiënt − 34 (1) • P (−3, −4) ligt op de lijn met vergelijking y = − x + b ; hieruit volgt 3 4 b = −6 14 (dus is y = − 34 x − 6 14 inderdaad een vergelijking van l) (1) of • Omdat −4 = − 34 · −3 − 6 14 , ligt P op de lijn met vergelijking y = − 34 x − 6 14 (1) • Voor gemeenschappelijke punten van c en de lijn met vergelijking y = − 34 x − 6 14 geldt x 2 + ( − 34 x − 6 14 ) = 25 ; herleiden tot 2 1 169 x 2 + 9 83 x + 14 161 = 0 (1) • De bijbehorende discriminant is ( 9 ) − 4 ·1 169 ·14 161 = 0 (dus de lijn met 3 2 8 vergelijking y = − 34 x − 6 14 heeft één punt gemeenschappelijk met c, dus is y = − 34 x − 6 14 inderdaad een vergelijking van l) (1) of • Omdat −4 = − 34 · −3 − 6 14 , ligt P op de lijn met vergelijking y = − 34 x − 6 14 (1) • De richtingscoëfficiënt van de lijn door O en P is 43 (1) • Omdat · − = −1 , staat OP loodrecht op de lijn met vergelijking 4 3 3 4 y = − 34 x − 6 14 (dus is y = − 34 x − 6 14 inderdaad een vergelijking van l) (1) (3)

Er geldt AS · BS = PS 2 .

Vraag 13 5 punten

Bewijs dat voor de situatie van figuur 1 inderdaad geldt AS · BS = PS 2 .

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • • Voor de x-coördinaat van S geldt − 34 x − 6 14 = 0 ; dit geeft x = −8 13 (1) • xA = −5 en xB = 5 (1) • AS = −5 − −8 = 3 en BS = 8 + 5 = 13 1 3 1 3 1 3 1 3 (1) PS 2 = ( −8 13 − −3) + (0 − −4) 2 = 44 94 (of met Pythagoras in ΔOPS : 2 • PS 2 = ( 8 13 ) − 52 = 44 94 ) 2 1 • AS · BS = 3 13 ·13 13 = 44 94 (dus AS · BS = PS 2 ) (1) (5)

De gelijkheid AS · BS = PS 2 geldt algemener, namelijk voor elke situatie waarin geldt:

  • A, B en P zijn drie willekeurige punten op een cirkel;
  • het punt S is het snijpunt van de lijn door A en B met de raaklijn aan de cirkel in P.

In figuur 2 is de cirkel d met middelpunt M (5, 4) en straal 3 weergegeven. De punten A, B en P zijn drie punten op de cirkel.

De lijn m is de raaklijn aan de cirkel in P. Het punt S is het snijpunt van lijn m en de lijn door A en B. Verder is gegeven dat AB = 4 en BS = 3 . Figuur 2 staat ook op de uitwerkbijlage.

[figuur 2: zie het originele examen]

Vraag 14 4 punten

Bereken exact de afstand tussen punt S en cirkel d. Je kunt hierbij de figuur op de uitwerkbijlage gebruiken.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • • AS = 7 en BS = 3 , dus PS 2 = (7 · 3 =) 21 (1) • Lijn m staat loodrecht op PM, dus MS = 21 + 3 2 (2) 1 • Dus MS = 30 (1) • Dus de afstand tussen punt S en cirkel d is 30 − 3 (1) of • AS = 7 en BS = 3 , dus PS 2 = (7 · 3 =) 21 (1) • Als F en G snijpunten van de lijn door M en S met d zijn (met F het dichtst bij S), dan geldt: als FS = x , dan GS = 6 + x (en x is de gevraagde afstand) (1) • (Er moet gelden FS · GS = PS 2 ,) dus de vergelijking x(6 + x) = 21 moet worden opgelost (1) −6 + 120 • Exact oplossen geeft x = (of een gelijkwaardige uitdrukking) 2 −6 − 120 (x= voldoet niet) (1) 2 of • Als C het midden van lijnstuk AB is, dan geldt ∠ACM = 90° (omdat ΔAMB gelijkbenig is) (1) • Pythagoras in ΔACM geeft MC = 3 − 2 = 52 (2) 1 • ( CS = 12 · 4 + 3 = 5 , dus) Pythagoras in ΔMCS geeft 2 MS = 52 + 5 = 30 (1) • Dus de afstand tussen punt S en cirkel d is 30 − 3 (1) (4)

Logaritmen en snijpunten

De functies f en g worden gegeven door f ( x ) = log(2 x

  • 4) g ( x ) = log(6
  • x ) Beide grafieken hebben een verticale asymptoot. Het punt S is het snijpunt van de grafieken van f en g. Zie figuur 1.

[figuur 1: zie het originele examen]

De afstand van S tot de asymptoot van de grafiek van g is groter dan de afstand van S tot de asymptoot van de grafiek van f.

Vraag 15 5 punten

Bereken exact hoeveel keer zo groot.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • • De verticale asymptoten kunnen worden gevonden door de vergelijkingen 2 x − 4 = 0 en 6 − x = 0 op te lossen (1) • Dit geeft x = 2 en x = 6 voor de asymptoot van de grafiek van f respectievelijk g (1) • Voor de x-coördinaat van S geldt ( log(2 x − 4) = log(6 − x ) , dus) 2x − 4 = 6 − x (1) • Dit geeft x = 103 (1) • De afstanden van S tot de asymptoten van f en g zijn respectievelijk 3 − 2 = 3 en 6 − 3 = 3 , dus het antwoord: ( 3 : 3 =) 2 (keer zo groot) 10 4 10 8 8 4 1 (5)

De lijn met vergelijking x = a ligt rechts van S en snijdt de grafieken van f en g in de punten P en Q. De waarde van a is zo gekozen dat de lengte van lijnstuk PQ gelijk is aan 1. Zie figuur 2.

[figuur 2: zie het originele examen]

Vraag 16 5 punten

Bereken exact de waarde van a.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerking Als wordt gewerkt met x in plaats van met a, hiervoor geen scorepunten in mindering brengen.

Maximale richtingscoëfficiënt

Op het domein 0, → wordt de functie f gegeven door:

1 f ( x) = 3

  • −x x2 Het punt P ligt op de grafiek van f. De x-coördinaat van P is p. De y-coördinaat van P is dus f ( p ) . De lijn l gaat door de oorsprong O en door P. De richtingscoëfficiënt van l noemen we a. Er geldt: Δy f ( p ) a= = Δx p In de figuren 1 en 2 is lijn l voor twee posities van P getekend. In figuur 2 is a groter dan in figuur 1.

[figuur 1: zie het originele examen]

[figuur 2: zie het originele examen]

Er is een waarde van p waarvoor a maximaal is. Deze waarde van p kun je berekenen door eerst a uit te drukken in p.

Vraag 17 5 punten

Bereken exact de waarde van p waarvoor a maximaal is.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerking Als wordt gewerkt met x in plaats van met p, hiervoor geen scorepunten in mindering brengen.

Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen havo Wiskunde B 2021, tijdvak 3. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2021/havo/documenten/cse-3/ha-1025-a-21-3-o

Andere examens wiskunde B havo

Hoe ToetsChecker wiskunde B per vraagtype nakijkt, lees je op wiskunde B toetsen nakijken met AI.

Veelgestelde vragen

Hoeveel vragen heeft het eindexamen wiskunde B havo 2021, tijdvak 3?

Het centraal examen wiskunde B havo 2021, tijdvak 3 loopt tot vraag 17. Van 15 vragen staat het onderwerp in de vragenbank. De meeste vragen gaan over exponentiële en logaritmische functies (3), bewijzen (3) en differentiëren (3).

Wat zijn de antwoorden van het examen wiskunde B havo 2021, tijdvak 3?

Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.

Waar vind ik het correctievoorschrift van wiskunde B havo 2021, tijdvak 3?

Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2021/havo/documenten/cse-3/ha-1025-a-21-3-c).

Hoe oefen ik met het examen wiskunde B havo 2021, tijdvak 3 en krijg ik feedback?

Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.