Eindexamen wiskunde B vwo 2019, tijdvak 1: vragen en antwoorden

Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Lijnen door de oorsprong en een cirkel, Rechts van het snijpunt, Altijd raak, Slingshot, 20 m Fk Fk 20 m, Een logaritmische functie en haar afgeleide, Gebroken goniometrische functie, Driehoek met bewegend hoekpunt, Afgeknotte paraboloïde.

Kort antwoord

Het centraal examen wiskunde B vwo 2019, tijdvak 1 loopt tot vraag 15. Van 14 vragen staat het onderwerp in de vragenbank. De meeste vragen gaan over meetkunde met coördinaten (3), bewijzen (3) en exponentiële en logaritmische functies (2). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.

Onderwerpen in dit examen

Onderwerp per vraag in het centraal examen wiskunde B vwo 2019, tijdvak 1, voor de vragen waarvan het onderwerp bekend is. Elke vraag is eenmalig door een AI-model bij een onderwerp ingedeeld; per vraag kan dat afwijken.
OnderwerpVragenAantal
Meetkunde met coördinaten1, 13-143
Bewijzen3-4, 153
Exponentiële en logaritmische functies8-92
Goniometrische functies10, 122
Differentiëren21
Integreren51
Vergelijkingen en ongelijkheden71
Functies en grafieken111

Vergeleken met andere jaren

Vergeleken met de andere 17 examens wiskunde B vwo sinds 2018: dit examen vroeg meer over bewijzen (21% van de vragen, gemiddeld 9%) en meetkunde met coördinaten (21% van de vragen, gemiddeld 12%). Minder over parameterkrommen (0% van de vragen, gemiddeld 10%) en functies en grafieken (7% van de vragen, gemiddeld 15%).

Opgaven en correctievoorschrift

De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.

Oefenen als leerling

Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen wiskunde B vwo 2019, tijdvak 1 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.

Nakijken als docent

  1. Start gratis vanaf deze pagina

    Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen wiskunde B vwo 2019, tijdvak 1 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.

  2. Laat de klas het examen maken

    Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.

  3. Geef de resultaten vrij

    Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.

ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.

Vragen en antwoorden

Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen wiskunde B vwo 2019, tijdvak 1. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.

Lijnen door de oorsprong en een cirkel

Gegeven is cirkel c met middelpunt (1, 7) en straal 5 . x 1 y = t · 2 is een vectorvoorstelling van een lijn k door de oorsprong.

Lijn k snijdt cirkel c in twee punten.

Vraag 1 5 punten

Bereken exact de coördinaten van deze snijpunten.

Bekijk het antwoord
  • Een vergelijking van c is ( x − 1) + ( y − 7 ) = 25 (1)
  • Voor de snijpunten geldt (t − 1) 2 + (2t − 7) 2 = 25 (1)
  • Herleiden tot 5t − 30t + 25 = 0 (1)
  • Een exacte berekening waaruit volgt t = 1 of t = 5 (1)
  • De snijpunten zijn (1, 2) en (5, 10) (1)

Rechts van het snijpunt

De functies f en g zijn gegeven door: figuur f ( x) = 3cos(2 x)

  • 2 x en y

g ( x) = 3

  • 2 x De grafiek van g snijdt de x-as in punt A. g De grafiek van f heeft diverse toppen, alle A met een positieve x-coördinaat. O x Punt B is de derde van deze toppen. Zie de figuur. f Er geldt: punt B ligt rechts van punt A.

Vraag 2 5 punten

Toon dit aan met behulp van de afgeleide van f. B

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Opmerking Als de kandidaat bij het differentiëren de kettingregel niet of niet correct heeft toegepast, voor deze vraag maximaal 3 scorepunten toekennen.

Altijd raak

Voor p ≥ 1 is de functie f p gegeven door:

f p ( x) = p + x

  • p

In figuur 1 is voor enkele waarden van p de grafiek van f p weergegeven en ook lijn k met vergelijking y = x + 14 .

[figuur 1: zie het originele examen] y k f7

f4

f3

f1

O x

Lijn k raakt de grafiek van f p voor elke waarde van p ≥ 1 .

Vraag 3 5 punten

Bewijs dit.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • 1 • f p' ( x) = (1) 2 x− p 1 • In het raakpunt moet gelden =1 (1) 2 x− p • Hieruit volgt x= 1+ p (1) 4 • f p ( 14 + p ) = p + 1 + p− p = p+ 1 4 (2) 1 • x= 1 + p invullen in de vergelijking van k geeft y = 14 + p + 14 = p + 12 , 4 dus lijn k raakt de grafiek van f p voor elke toegestane waarde van p (1) of 1 • Bekijk g ( x) = x , dan g' ( x) = (1) 2 x 1 • In het raakpunt moet gelden = 1 , dus x = 14 (1) 2 x • g ( 14 ) = 12 en x = 14 invullen in de vergelijking van k geeft y = 14 + 14 = 12 , dus lijn k raakt de grafiek van g (1) • De grafiek van f p ontstaat uit de grafiek van g door deze p naar rechts en p omhoog te verschuiven (1)  p • (Deze verschuiving komt overeen met de vector   en) dat is de  p richtingsvector van lijn k, dus lijn k raakt de grafiek van f p voor elke toegestane waarde van p (1) (5)

Voor p ≥ 1 heeft de grafiek van f p een randpunt, ook wel beginpunt genoemd. De randpunten van de grafieken in figuur 1 zijn met een stip aangegeven.

Er geldt voor elke p ≥ 1 : het randpunt van de grafiek van f p ligt op de grafiek van f p −1 .

Vraag 4 3 punten

Bewijs dat inderdaad voor p ≥ 1 geldt: het randpunt van de grafiek van f p ligt op de grafiek van f p −1 .

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • De x-coördinaat van het randpunt van de grafiek van f p is p (1)
  • f p −1 ( x) = p − 1 + x − p + 1 (1)
  • f p −1 ( p )= p= f p ( p ) (, dus het randpunt van de grafiek van f p ligt op de grafiek van f p −1 ) (1)

Punt A (1, 1) is het randpunt van de grafiek van f1 . Punt B (2, 2) is het randpunt van de grafiek van f 2 . B ligt dus op de grafiek van f1 . Door de punten A en B gaat een lijn l. V is het vlakdeel dat wordt ingesloten door lijn l en de grafiek van f1 . Zie figuur 2.

[figuur 2: zie het originele examen]

f2

B

f1

V l

A

Vraag 5 5 punten

Bereken exact de oppervlakte van V.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • • Een vergelijking van lijn l is y = x (1) 2 • ( De oppervlakte is gelijk aan ∫ 1 + x − 1 − x dx ) (1) 1 Een primitieve van 1 + x − 1 − x is x + 23 ( x − 1) 2 − 12 x 2 3 • (2) • De oppervlakte is gelijk aan 16 (1) (5)

Slingshot

De Slingshot is een kermisattractie. foto Tussen de toppen van twee palen hangt aan twee identieke elastische koorden een capsule die plaats biedt aan twee personen. Zie de foto. De capsule wordt allereerst omlaag getrokken tot aan de grond. Op dat moment gaan er twee personen in de capsule zitten. Vervolgens wordt de capsule losgelaten. De capsule schiet dan recht omhoog. Daarna valt hij recht omlaag, gaat weer omhoog, enzovoorts. Na enige tijd komt de capsule stil te hangen.

Gegeven is:

  • De palen staan 14 m uit elkaar.
  • De palen staan verticaal.
  • De palen zijn 20 m hoog.
  • Zonder uitrekking heeft elk koord een lengte van 8 m.
  • Elk koord trekt aan de capsule met een kracht die afhangt van de lengte van het uitgerekte koord. De grootte van deze kracht kan berekend worden met de formule: Fk = 0,6 · ( L
  • 8) Hierbij is Fk de grootte van de kracht in kN (kilonewton) en L de lengte van het uitgerekte koord in m (met L ≥ 8 ).

[figuur 1: zie het originele examen]

14 m

A B In figuur 1 is de beginsituatie weergegeven. De capsule is aangegeven met het punt C en de toppen van de palen met A en B. De capsule bevindt zich op de grond, midden tussen de palen. Beide koorden, CA en CB, zijn dan flink 20 m uitgerekt en staan strak.

Vraag 6 3 punten

Bereken de grootte van de kracht in kN Fk Fk waarmee een koord in de beginsituatie aan de capsule trekt. Geef je eindantwoord in één decimaal. C

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • =L 202 + 7 2 (1)
  • L = 21,18... (of L − 8 = 13,18... ) (1)
  • Fk = 7,9 (kN) (1)

20 m Fk Fk 20 m

αα Fz C

Op de capsule, inclusief de twee personen, werkt niet alleen de kracht van beide koorden, maar ook de zwaartekracht Fz , die recht naar beneden is gericht. Zie figuur 3. Deze zwaartekracht bedraagt 1,8 kN. In figuur 2 en figuur 3 is ook het hoogteverschil tussen C en de toppen van de palen met x aangegeven.

Na een aantal keren op en neer te zijn geslingerd, is de capsule tot stilstand gekomen. Op dat moment heft de zwaartekracht de twee krachten op die door de koorden samen worden uitgeoefend. Er geldt dan dus: Fkv = Fz

De hoogte waarop de capsule tot stilstand komt, is te berekenen door eerst Fkv in x uit te drukken.

Vraag 7 6 punten

Druk Fkv uit in x en bereken daarmee hoe hoog de capsule boven de grond hangt als hij tot stilstand is gekomen. Geef je eindantwoord in gehele meters.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • L • = x 2 + 49 (1) x • cos(α) = (1) L • ( x + 49 − 8) ⋅ x x+ 49 Fkv =2 ⋅ 0, 6 ⋅ (2) 2 1 • De vergelijking 2 ⋅ 0, 6 ⋅ ( x + 49 − 8 ) ⋅ 2 x 1,8 moet worden = 2 x + 49 opgelost (1) • Beschrijven hoe deze vergelijking wordt opgelost (1) • x = 7, 25... , dus het antwoord is 13 (m) (1) (6)

Een logaritmische functie en haar afgeleide

De functies f en g worden gegeven door: f ( x) = x ln( x)

  • x + 1 g ( x) = f ' ( x)

Vraag 8 5 punten

Bereken exact de x-coördinaten van de snijpunten van de grafieken van f en g.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • g ( x) =1 ⋅ ln( x) + x ⋅ 1x − 1 (1)
  • Uit f ( x) = g ( x) volgt x ln ( x ) − x + 1 =ln ( x ) (1)
  • Hieruit volgt ( x − 1) ln ( x ) = x −1 (1)
  • Hieruit volgt x − 1 =0 of ln( x) = 1 (1)
  • Dus x = 1 of x = e (1)

Er is één waarde van p waarvoor geldt: 2p

∫ g ( x) dx = 0 p

Voor deze waarde van p is de situatie in de figuur geschetst.

figuur y

g

p 2p x

Vraag 9 7 punten

Bereken exact deze waarde van p. Schrijf je eindantwoord in de vorm p = ae , waarbij a een getal is.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

  • Een exacte berekening waaruit volgt p = 14 e (1p)

of

  • De oppervlaktes van de vlakdelen moeten gelijk zijn en het snijpunt van de grafiek met de x-as ligt bij x = 1 , dus de vergelijking

1 2p

  • ∫ g ( x) dx = ∫ g ( x) d x moet worden opgelost (1) p (1p)
  • Dit geeft p ⋅ ln( p )
    • p + 1= 2 p ⋅ ln(2 p )
    • 2 p + 1 (1)

Gebroken goniometrische functie

De functie f is gegeven door: figuur 1 cos( x) y f ( x) =

  • sin 2 ( x) f Lijn k is de lijn met vergelijking y= 2.

A B k

Lijn k en de grafiek van f hebben oneindig veel snijpunten. De punten

A en B zijn de twee snijpunten met O x de kleinste positieve x-coördinaten. Deze zijn in figuur 1 aangegeven.

Vraag 10 6 punten

Bereken exact de x-coördinaten van A en B.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • De vergelijking = 2 moet worden opgelost (1)
  • = 2 (1)
  • Hieruit volgt 2 ⋅ cos 2 ( x) − cos( x) − 2 = 0 (1)
  • Beschrijven hoe deze vergelijking exact opgelost kan worden (1)
  • Dit geeft cos( x) = − 12 2 ( cos( x) = 2 heeft geen oplossingen) (1)
  • Hieruit volgt dat de x-coördinaten van A en B 34 π en 54 π zijn (1)

Voor elke waarde van p is de functie f p gegeven door: cos( x) f p ( x) = p

  • sin 2 ( x)

Vraag 11 6 punten

Onderzoek of er waarden van p zijn waarvoor de grafiek van f p perforaties heeft.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Opmerking Als de kandidaat de functies f p niet op hun hele domein beschouwt en bij het oplossen van cos( x) = 0 bijvoorbeeld alleen de oplossing x= 1π 2 gebruikt, voor deze vraag hoogstens 5 scorepunten toekennen.

In de rest van de opgave beperken we ons tot waarden van p waarvoor geldt: p ≠ 0 De punten op de grafiek van f p met x-coördinaten 0, π en 2π noemen we respectievelijk P, Q en R. In figuur 2 is voor een waarde van p de grafiek van f p weergegeven. Ook zijn de lijnstukken PQ en QR weergegeven.

[figuur 2: zie het originele examen] y

fp

P R

O x

Q

Er zijn waarden van p waarvoor PQ en QR loodrecht op elkaar staan.

Vraag 12 4 punten

Bereken exact deze waarden van p.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

  • Omdat driehoek PQR symmetrisch is ten opzichte van de verticale lijn door Q en xQ
    • xP = π , staan PQ en QR loodrecht op elkaar als ook yP
    • yQ = π (1)
  • ( ) ( ) ( De punten zijn P 0, 1p , Q π,
    • 1p en R 2π, 1p ) (1)

( ) (of het kwadraat is 2

  • De lengte van PQ en van QR is π2 + (2) p

( ) ) 2 π2 + (2) p 1

( ) + π + ( ) = ( 2π ) ,

2 2 (2)

Driehoek met bewegend hoekpunt

Lijn k gaat door de punten A (0, 10) en B (40, 0) . De baan van een punt P is gegeven door de volgende bewegingsvergelijkingen: x = 18 + 5t

y = 30

  • 3t De baan van punt P is de lijn m. Zie de figuur.

figuur y

40

P 30

20 m

10 A k

B O 10 20 30 40 50 60 70 x

Bij bijna elke positie van punt P vormen de punten A, B en P een driehoek ABP. Er is één uitzondering.

Vraag 13 5 punten

Bereken de coördinaten van P zodat A, B en P niet de hoekpunten van een driehoek vormen.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

  • Dit geeft x = 88 , waaruit volgt dat de coördinaten van P dan (88,
    • 12) zijn (1)

Vraag 14 8 punten

Onderzoek op algebraïsche wijze of er een positie van P is, zó dat driehoek ABP een rechte hoek heeft bij P én driehoek ABP een gelijkbenige driehoek is.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

  • AB is de diagonaal van het vierkant met hoekpunten A, B en P, dus P moet liggen op de andere diagonaal (de middelloodlijn van AB) op afstand 12 AB van het midden van het vierkant (1p)
  • M (20, 5) is het midden van lijnstuk AB (en van het vierkant) (1) υυυυρ  20 
  • Voor P moet gelden: OP =OM + AM L =  +   =  waarbij  5   20   25  υυυυρ υυυυρ AM L de vector is die je krijgt als je vector AM 90º linksom draait (2p)
  • Een berekening die aantoont dat het punt (25, 25) niet op lijn m ligt (2p)
  • ∠APB = 90° , dus P ligt op de cirkel met middellijn AB (1p)
  • De cirkel met middellijn AB heeft vergelijking ( x
    • 20) 2 + ( y
    • 5) 2 =

425 (1)

  • Snijden met lijn m geeft (18 + 5t
    • 20) 2 + (30
    • 3t
    • 5) 2 =

425 (1)

2 (2)

  • (18 + 5t ) 2 + (20
    • 3t ) 2 + (−22 + 5t ) 2 + (30
    • 3t ) 2 =102 + 402 =1700 (2)
  • Herleiden tot t 2
    • 5t + 6 =0 (of 68t 2
    • 340t + 408 = 0) (1)

5 ± (−5) 2

  • 4 ⋅1 ⋅ 6
  • 4 , 25 16 ) ( = (25,17...; 25, 69...) ) P (25 23 (1) 23

( 25 234 ) + (15 1623 ) =

2 (2)

  • AP (= BP) = 42 ( = 29, 66... )

880 529 (1)

  • AB = 1700 ( = 41, 23... ) (1p)
  • AB ≠ AP ⋅ 2 , dus hoek P is dan niet recht (dus zo’n punt P is er niet) (1) of
  • Dan ligt P op de middelloodlijn van AB (want PA en PB zijn dan even lang) (1p)
  • Een vergelijking van deze middelloodlijn is y
    • 5= 4 ( x
    • 20 ) (of y 4 x
    • 75 ) = (1)
  • 5 4 (18 + 5t
    • 20 ) Snijden met lijn m geeft 30
    • 3t −= (1)

AP 2 = ( 25 23 ) + (15 1623 ) = 880 529

2 (2)

  • 4 42 ( = 880, 07... ) (1p)
  • AB 2 =102 + 402 =1700 (1p)
  • 42 , dus hoek P is dan niet recht (dus zo’n punt P is er

1700 ≠ 2 ⋅ 880 529 niet) (1)

Afgeknotte paraboloïde

De functie f is gegeven door f ( x) = x . De grafiek van f is getekend in figuur 1, samen met de lijnen met vergelijkingen x = a en x = b , waarbij

0 < a < b . Midden tussen de punten (a, 0) en (b, 0) ligt het punt (m, 0) .

De grafiek van f, de x-as en de twee verticale lijnen sluiten een gebied in. Dit gebied, in figuur 1 met grijs aangegeven, wordt gewenteld om de x-as. Het omwentelingslichaam is een zogenaamde afgeknotte paraboloïde. Deze is afgebeeld in figuur 2.

figuur 1 figuur 2 y

f

O a m b x a m b

Bij de omwenteling beschrijft elk punt van de grafiek een cirkel. De oppervlakte van de cirkel die beschreven wordt door het punt (m, m ) noemen we A. De cirkelschijf met deze oppervlakte is met donkergrijs aangegeven in figuur 2. [figuur 3: zie het originele examen] In figuur 3 staat de afgeknotte paraboloïde b een kwartslag gedraaid. In die figuur is ook de hoogte h van de afgeknotte paraboloïde m h aangegeven.

a

Voor de inhoud V van de afgeknotte paraboloïde geldt de formule: V = h· A

Vraag 15 7 punten

Bewijs dit.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • b (2) • V = π∫ ( x ) dx (1) a 2 • Een primitieve van ( ) ( = x ) is x x (1) 2 2 1 • π ( 12 b 2 − 12 a 2 ) Dus V = (1) • m = 1 ( a + b) (1) 2 2 • A = π⋅ ( m ) = π m = π ⋅ ( a + b)1 2 1 • h= b − a (1) • h ⋅ A = (b − a ) ⋅ π ⋅ 12 (a + b) = π ⋅ 12 (b 2 − a 2 ) = π( 12 b 2 − 12 a 2 ) ( = V ) (1) of b (2) • V = π∫ ( ) dx x (1) a 2 • Een primitieve van ( x ) ( = x ) is x (1) 2 2 1 • a= m − 12 h en b= m + 12 h (1) • ( Dus V =12 π (m + 12 h) 2 − (m − 12 h) 2 ) (1) 2 ( ) π mh • 1 π 2mh = V= (1) 2 • A = π⋅ ( ) = πm m (1) • Dus h ⋅ A= h ⋅ π m ( = V ) (1) (7)

Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen vwo Wiskunde B 2019, tijdvak 1. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2019/vwo/documenten/cse-1/vw-1025-a-19-1-o

Andere examens wiskunde B vwo

Hoe ToetsChecker wiskunde B per vraagtype nakijkt, lees je op wiskunde B toetsen nakijken met AI.

Veelgestelde vragen

Hoeveel vragen heeft het eindexamen wiskunde B vwo 2019, tijdvak 1?

Het centraal examen wiskunde B vwo 2019, tijdvak 1 loopt tot vraag 15. Van 14 vragen staat het onderwerp in de vragenbank. De meeste vragen gaan over meetkunde met coördinaten (3), bewijzen (3) en exponentiële en logaritmische functies (2).

Wat zijn de antwoorden van het examen wiskunde B vwo 2019, tijdvak 1?

Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.

Waar vind ik het correctievoorschrift van wiskunde B vwo 2019, tijdvak 1?

Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2019/vwo/documenten/cse-1/vw-1025-a-19-1-c). Bij dit examen hoort ook een aanvulling op het correctievoorschrift.

Hoe oefen ik met het examen wiskunde B vwo 2019, tijdvak 1 en krijg ik feedback?

Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.