Eindexamen wiskunde B vwo 2024, tijdvak 1: vragen en antwoorden

Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Stijgend en horizontaal, Wachttijden, Verschuiven, Logaritme, wortel en exponent, Klavertje drie, Halve cirkel, Top, asymptoot en geen perforatie, Vereenvoudigde sterrenkunde.

Kort antwoord

Het centraal examen wiskunde B vwo 2024, tijdvak 1 telt 14 vragen. De meeste vragen gaan over differentiëren (3), integreren (3) en functies en grafieken (2). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.

Onderwerpen in dit examen

Onderwerp per vraag in het centraal examen wiskunde B vwo 2024, tijdvak 1. Elke vraag is eenmalig door een AI-model bij een onderwerp ingedeeld; per vraag kan dat afwijken.
OnderwerpVragenAantal
Differentiëren1-2, 143
Integreren3-53
Functies en grafieken6, 132
Exponentiële en logaritmische functies7-82
Parameterkrommen9-102
Meetkunde met coördinaten11-122

Vergeleken met andere jaren

Vergeleken met de andere 17 examens wiskunde B vwo sinds 2018: dit examen vroeg meer over integreren (21% van de vragen, gemiddeld 12%) en differentiëren (21% van de vragen, gemiddeld 13%). Minder over goniometrische functies (0% van de vragen, gemiddeld 11%) en bewijzen (0% van de vragen, gemiddeld 10%).

Opgaven en correctievoorschrift

De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.

Oefenen als leerling

Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen wiskunde B vwo 2024, tijdvak 1 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.

Nakijken als docent

  1. Start gratis vanaf deze pagina

    Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen wiskunde B vwo 2024, tijdvak 1 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.

  2. Laat de klas het examen maken

    Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.

  3. Geef de resultaten vrij

    Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.

ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.

Vragen en antwoorden

Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen wiskunde B vwo 2024, tijdvak 1. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.

Stijgend en horizontaal

De functie f wordt gegeven door f ( x) = x5

  • 3 x x . In figuur 1 is de grafiek van f weergegeven.

[figuur 1: zie het originele examen]

Op de grafiek ligt het punt A (1,

  • 2) .

Vraag 1 3 punten

Bewijs dat de grafiek van f in A stijgt.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Erratum

Bekijk het antwoord

Opmerking Als in het derde antwoordelement de positieve x-coördinaat van de top van de grafiek van f wordt berekend, gevolgd door een exact argument, waaruit volgt dat deze x-coördinaat kleiner is dan 1, dan mag het derde scorepunt worden toegekend.

Het lijnstuk PQ is horizontaal en heeft lengte 12 . De eindpunten P en Q van dit lijnstuk liggen op de grafiek van f. Zie figuur 2.

[figuur 2: zie het originele examen]

Vraag 2 4 punten

Bereken de x-coördinaat van P. Geef je eindantwoord in drie decimalen.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Erratum

Bekijk het antwoord
  • Als p de x-coördinaat van P is, dan is de x-coördinaat van Q gelijk aan p + 12 (1)
  • De vergelijking p5 − 3 p p = ( p + 12 )5 − 3( p + 12 ) p + 12 moet worden opgelost (1)
  • Beschrijven hoe deze vergelijking kan worden opgelost (1)
  • (Dit geeft p = 0, 6827... , dus) het eindantwoord is 0,683 (1)

Wachttijden

Een wachttijd is de tijd die je op een dienst moet wachten. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de tijd die nodig is om een medewerker van een klantenservice aan de telefoon te krijgen of de tijd die nodig is voordat je wordt geholpen bij de bakker.

In 1909 ontwikkelde de Deense wiskundige Agner Erlang een wiskundig model om te berekenen in hoeveel procent van de gevallen bepaalde wachttijden voorkomen. Dit percentage komt overeen met de oppervlakte onder een grafiek.

In deze opgave gaan we uit van een dienst waarbij het volgende model van Erlang hoort:

f (t ) = 50e

  • 2 t met t ≥ 0 1

Hierbij is t de tijd in minuten.

Stel dat je wilt weten in hoeveel procent van de gevallen de wachttijd tussen 3 en 4 minuten ligt. Je bepaalt dan de oppervlakte van het gebied dat wordt ingesloten door de grafiek van f , de t as en de lijnen met vergelijking t = 3 en t = 4 . Deze oppervlakte blijkt (afgerond) 8,8 te zijn. Dit wil zeggen dat in 8,8% van alle gevallen de wachttijd tussen 3 en 4 minuten ligt. Zie de figuur.

figuur

Vraag 3 3 punten

Bereken algebraïsch in hoeveel procent van de gevallen de wachttijd tussen 0 en 3 minuten ligt. Geef je eindantwoord in één decimaal.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Erratum

Bekijk het antwoord
  • 3 Het gevraagde percentage is ∫ 50e− 2 t dt 1 • (1) 0 Een primitieve van 50e− 2 t is −100e− 2 t 1 (1) • (1) 3 − t − t 3 −1 ∫ 50e 2 dt = −100e 2 0 ( = −100e 2 + 100 = 77, 68... ), dus het 1 1 (1) • 0 eindantwoord is 77,7(%) (1) (3)

Een wachttijd van meer dan twintig minuten komt in dit voorbeeld zelden voor. Daarom wordt de gemiddelde wachttijd berekend met: 20

1 ·

100 ∫ t · f ( t ) dt 0 Om de gemiddelde wachttijd te kunnen berekenen, maakt iemand gebruik

1 1 at van het gegeven dat y = t

  • 2 e een primitieve is van y = teat a a (met a ≠ 0 ).

1

1 at

Vraag 4 3 punten

Bewijs dat y = t

  • 2 e inderdaad een juiste primitieve is van y = teat a a voor elke waarde van a (met a ≠ 0 ).

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Erratum

Bekijk het antwoord
  • Uit y = t − 2 eat volgt y = t e at − 2 e at (1)
  • dy d 1 at 1 d at = t ·e + t · dt dt a a dt a ( ) a e − 2 eat (1)
  • = · e + t · e at − 2 e at en dus t − 2 e = te (dus het is dt a a a dt a a een juiste primitieve) (1)

Vraag 5 4 punten

Bereken algebraïsch de gemiddelde wachttijd in minuten voor de situatie

  • 1t met f (t ) = 50e 2 . Geef je eindantwoord als geheel getal.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Erratum

Bekijk het antwoord
  • 20 50 · ∫ t · e − 2 t dt 1 • tgemiddeld = (1) 100 0 Een primitieve van y = t · e− 2 t is (−2t − 4) · e− 2 t 1 (1) • (1) • Invullen van de grenzen in de primitieve geeft −44 · e−10 + 4 (of 3, 99... ) (1) • (Dus tgemiddeld = 1,99... ,) dus het eindantwoord is 2 (minuten) (1) (4)

Verschuiven

De functie f wordt gegeven door f ( x) = (3x

  • 7) 2 .

De grafiek van f wordt naar rechts en omhoog verschoven. Hierdoor ontstaat de grafiek van de functie g.

De grafiek van g gaat door het punt A ( 5, 40 ) . De helling van de raaklijn in

A aan de grafiek van g is

  • 6 .

Vraag 6 6 punten

Stel op exacte wijze een functievoorschrift van g op.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Erratum

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

  • Het functievoorschrift van g is te schrijven in de vorm g ( x ) = (3( x
    • a )
    • 7) 2 + b (1)
  • Er moet gelden g (5) = (3(5
    • 3)
    • 7) 2 + b = 40 (1)
  • Dit geeft b = 39 (dus g ( x ) = (3( x
    • 3)
    • 7) 2 + 39 ) (1)

of

  • Het functievoorschrift van g is te schrijven in de vorm g ( x) = (3 x
    • a ) 2 + b (1)
  • Er moet gelden (3 · 5
    • 16) 2 + b = 40 (1) 2
  • Dit geeft b = 39 (dus g ( x ) = (3 x
    • 16) + 39 ) (1)

of

  • Het functievoorschrift van g is te schrijven in de vorm g ( x ) = 9 x 2 + ax + b (2p)
  • Er moet gelden 9 · 52 + −96 · 5 + b = 40 (1p)
  • Dit geeft b = 295 (dus g ( x ) = 9 x 2
    • 96 x + 295 ) (1)

Opmerking Als in het eerste antwoordelement van het eerste antwoordalternatief of in het tweede antwoordelement van het tweede of derde antwoordalternatief de kettingregel niet is gebruikt, mogen voor dit antwoordelement geen scorepunten worden toegekend. Als de kettingregel wel is gebruikt, maar niet correct, mag voor dit antwoordelement hoogstens 1 scorepunt worden toegekend op basis van vakspecifieke regel 1.

Logaritme, wortel en exponent

De functie f wordt gegeven door f ( x ) = 2 log ( 1+ 8 ). x

De functie g is de inverse functie van f. In de figuur zijn de grafieken van f en g weergegeven.

figuur

Het gestippelde lijnstuk in de figuur is het kortst mogelijke verticale lijnstuk dat de grafieken van f en g met elkaar verbindt.

Vraag 7 5 punten

Bereken de lengte van dit lijnstuk. Geef je eindantwoord in twee decimalen.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Erratum

Bekijk het antwoord
  • • Voor een punt ( x, y ) op de grafiek van g geldt x = 2 log ( 1+ 8 ) y 1 • Hieruit volgt 22 x = 1 + 8 y (1) • (8) De rest van de herleiding tot y = log 2( 2x ) − 1 (dus ( ) g ( x) = 8 log 22 x − 1 ) (1) • Beschrijven hoe de minimale waarde van f ( x ) − g ( x ) kan worden bepaald (1) • (Dit is 0,956... dus) het eindantwoord is 0,96 (1) (5)

Op de grafiek van f ligt punt P met x-coördinaat p en punt Q met x-coördinaat p + 1 . Voor elke waarde van p kan het verschil yQ

  • yP worden bepaald.

Vraag 8 6 punten

Onderzoek op exacte wijze of er een waarde van p is waarvoor dit verschil gelijk is aan 3.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Erratum

Bekijk het antwoord
  • Er moet gelden f ( p + 1) − f ( p ) = 3 (1)
  • Dus 2 log =3 (1)
  • Hieruit volgt = 64 (1)
  • Hieruit volgt 64 + 64 · 8 p = 1 + 8 p+1 (1)
  • Dus 56 · 8 p = −63 (of 7 · 8 p+1 = −63 ) (1)
  • Deze vergelijking heeft geen oplossingen, dus er is geen waarde van p waarvoor geldt yQ − y P = 3 (1)

Klavertje drie

Het punt P beweegt over een baan gegeven door de volgende bewegingsvergelijkingen: xP (t ) = 4cos(t ) + cos(4t ) met t in seconden en 0 ≤ t ≤ 2π yP (t ) = 4sin(t ) + sin(4t ) De baan waarover punt P beweegt, is weergegeven in de figuur.

Het punt Q beweegt ook over deze baan. Punt Q loopt π seconden voor op punt P. De bewegingsvergelijkingen van Q zijn dus: xQ (t ) = 4cos(t + π) + cos(4(t + π)) met t in seconden en 0 ≤ t ≤ 2π yQ (t ) = 4sin(t + π) + sin(4(t + π)) Er zijn twee momenten waarop P en Q recht boven elkaar liggen, dus dan geldt xP = xQ . In de figuur is zo’n situatie weergegeven.

figuur

Vraag 9 5 punten

Bereken exact de afstand tussen P en Q in deze situaties.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Erratum

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

  • Een berekening of redenering waaruit volgt t = 12 π of t = 1 12 π (1p)

( Op tijdstip t = 23 π bevindt het punt P zich in −2 12 , 2 12 3 . )

Vraag 10 6 punten

Bereken exact de scherpe hoek in graden tussen de raaklijn aan de baan in punt P en de x as.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Erratum

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

  • Op t = 23 π is een richtingsvector van de raaklijn gelijk aan (1) −4 1
  • (Een richtingsvector van de x-as is , dus) voor de hoek φ tussen de 0 −4 3 (1) . −4 0 4 3 1 raaklijn en de x-as geldt cos(φ) = = = 3 (1) −4 3 1 8 (2) · −4 (0p)

Halve cirkel

Gegeven zijn de punten A (−1, 0) en B (3, 0) . Verder is gegeven de cirkel c met middellijn AB. De lijn k gaat door de oorsprong O en snijdt cirkel c in punt P. De afstand tussen O en P is gelijk is aan 2 12 . In figuur 1 zijn lijn k en de bovenste helft van cirkel c getekend.

[figuur 1: zie het originele examen]

Vraag 11 4 punten

Bereken exact de x-coördinaat van P.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Erratum

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

  • OP = 2 12 , MP = 2 en OM = 1 , waarbij M het middelpunt van c is (1p)
  • De cosinusregel in driehoek OMP geeft

2 2 = 12 + ( 2 12 )

  • 2 ·1 · 2 12 · cos(∠ POM ) , dus 2

22

  • 12
  • ( 2 12 ) 2 13 cos ( ∠ POM ) = = (1) −2 ·1 · 2 12 (20) xP
  • Ook geldt cos(∠POM ) = (1p)

2 12

  • Samen geeft dit xP = ( 13 20 · 2 12 = ) 1 85 (1p)

In figuur 2 is de driehoek BRO getekend met ∠ BRO = 90 ° , punt R boven de x-as en OR = 1 . De lijn door B en R snijdt c in het punt S. Driehoek BSA is dan een driehoek met ∠ ASB = 90 ° . Vierhoek AORS is grijs weergegeven.

[figuur 2: zie het originele examen]

Vraag 12 5 punten

Bereken exact de oppervlakte van vierhoek AORS.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Erratum

Bekijk het antwoord
  • • Uit de gelijkvormigheid van driehoek BRO en driehoek BSA (want ∠BRO = ∠BSA en ∠OBR = ∠ABS ) (en AB = 4 en OB = 3 ) volgt dat de zijden van driehoek BSA 43 keer zo lang zijn als de zijden van driehoek BRO (1) • Uit de stelling van Pythagoras in driehoek BRO volgt BR = 8 (1) • De oppervlakte van driehoek BRO is 12 ·1 · 8 (= 12 8 ) (1) De oppervlakte van driehoek BSA is ( 43 ) · 12 8 2 • (1) De oppervlakte van vierhoek AORS is ( 43 ) · 12 8 − 12 8 = 18 2 • 7 8 (of een gelijkwaardige uitdrukking) (1) of • Uit de gelijkvormigheid van driehoek BRO en driehoek BSA (want ∠BRO = ∠BSA en ∠OBR = ∠ABS ) (en AB = 4 en OB = 3 ) volgt dat de zijden van driehoek BSA 43 keer zo lang zijn als de zijden van driehoek BRO (1) • Uit de stelling van Pythagoras in driehoek BRO volgt BR = 8 (1) • Dus AS = 43 en BS = 43 8 (1) • RS = ( 43 8 − 8 = ) 13 8 (1) 1 + 43 1 • De oppervlakte van vierhoek AORS is · 3 8 = 18 7 8 (of een 2 gelijkwaardige uitdrukking) (1) of • De verdeling van vierhoek AORS in driehoek AOQ en rechthoek QORS, met Q de loodrechte projectie van O op AS (1) • Uit de gelijkvormigheid van driehoek BRO en driehoek OQA (want ∠ BRO = ∠ OQA en ∠ OBR = ∠ AOQ ) (en OB = 3 en AO = 1 ) volgt dat de zijden van driehoek OQA 13 keer zo lang zijn als de zijden van driehoek BRO (1) • Dus AQ = 13 (1) • Uit de stelling van Pythagoras in driehoek OQA volgt OQ = (8) 9 1 • De oppervlakte van vierhoek AORS is 12 · 13 · (8) 9 + 1· (8) 9 = 76 (8) 9 (of een gelijkwaardige uitdrukking) (1) of • Uit de stelling van Pythagoras in driehoek BRO volgt BR = 8 (1) • sin(∠OBR) = 13 en cos(∠OBR) = 13 8 (1) • AS = 4 · sin(∠OBR) = 43 en BS = 4 · cos(∠OBR) = 43 8 (1) • RS = ( 43 8 − 8 = ) 13 8 (1) 1 + 43 1 • De oppervlakte van vierhoek AORS is · 8 = 18 7 8 (of een 2 3 gelijkwaardige uitdrukking) (1) (5)

Top, asymptoot en geen perforatie

Voor elke waarde van a wordt de functie f a gegeven door: ax 2

  • 2 f a ( x) = x2 + a Er bestaat geen waarde van a waarvoor de grafiek van f a een perforatie heeft.

Vraag 13 4 punten

Bewijs dit.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Erratum

Bekijk het antwoord
  • (Als er een perforatie is, dan moet in dit geval gelden:) teller en noemer moeten (voor dezelfde waarde van x) gelijk zijn aan nul (1)
  • De noemer is nul als x2 = −a (1)
  • De teller is dan −a 2 − 2 (1)
  • Een berekening of redenering waaruit volgt dat de vergelijking −a 2 − 2 = 0 geen oplossingen heeft; dus voor geen waarde van a is er een perforatie (1)

In het volgende onderdeel zijn de mogelijke waarden van a de positieve getallen, dus a > 0 .

De grafiek van f a heeft één top T en deze ligt op de y-as. Verder heeft de grafiek van f a een horizontale asymptoot. Punt S is het snijpunt van de horizontale asymptoot en de y-as. Als voorbeeld is in de figuur de grafiek van f3 weergegeven.

figuur

De lengte van lijnstuk ST is afhankelijk van a. Deze lengte heeft een minimum.

Vraag 14 6 punten

Bereken exact voor welke positieve waarde van a de lengte van lijnstuk ST minimaal is.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Erratum

Bekijk het antwoord
  • 2 • yT = ( fa (0) = ) − (1) a 2 2 a− ax − 2 x2 • lim 2 = lim (1) x →∞ x + a x →∞ a 1+ 2 x 2 a • ( lim 2 = 0 en lim 2 = 0 , dus) de limiet is gelijk aan a, dus de x →∞ x x →∞ x horizontale asymptoot is de lijn met vergelijking y = a (of: yS = a ) (1) 2 2 (2) • ( a > 0 en − < 0 , dus) ST = a − − (of ST = a + ) (1) a a a 2 • De afgeleide hiervan is 1 − 2 (1) a 2 • 1 − 2 = 0 geeft a 2 = 2 , dus a = 2 ( a = − 2 voldoet niet) (1) a (6)

Vereenvoudigde sterrenkunde

De Wet van Titius-Bode1) is een wet uit de astronomie die door Johann Titius werd opgesteld in de achttiende eeuw. Deze wet legt een verband tussen het rangnummer van een planeet en de afstand van die planeet tot de zon. Met het rangnummer van een planeet wordt bedoeld: ‘de zoveelste planeet geteld vanaf de zon’. De planeet die het dichtst bij de zon staat krijgt nummer 1, de volgende 2 enzovoorts. De wet luidt: a = 0, 4 + 0,3 · 2 n

  • 2 Hierin is a de afstand van de planeet tot de zon uitgedrukt in AE (Astronomische Eenheid, 1 AE = afstand van de aarde tot de zon) en is n het rangnummer van de planeet.

Saturnus heeft volgens de Wet van Titius-Bode een afstand van 10 AE tot de zon.

Vraag 15 2 punten

Bereken exact welk rangnummer Saturnus dan zou hebben.

Bekijk het antwoord

Opmerking Als door systematisch zoeken de juiste waarde van n wordt gevonden, dan mogen voor deze vraag 2 scorepunten worden toegekend.

We bekijken de planeten figuur 1 (afstanden in AE) Mars, Venus en de aarde. We gaan uit van het volgende eenvoudige model: De drie planeten draaien ieder in een cirkelvormige baan met de zon als middelpunt. De drie banen liggen in één plat vlak. De afstand van Venus tot de zon is 0,7 AE, de afstand van de aarde tot de zon is 1,0 AE en de afstand van Mars tot de zon is 1,6 AE.

Het is mogelijk dat de drie planeten op één lijn liggen waarbij Venus precies midden tussen Mars en de aarde in ligt. Deze situatie is weergegeven in figuur 1.

noot 1 Er is geen wetenschappelijke onderbouwing voor deze wet en er wordt tegenwoordig aangenomen dat de wet alleen berust op een toevallige overeenkomst met de werkelijke afstanden.

De afstand in AE van de aarde tot Venus is d en hoek AVZ in graden is α . Met behulp van figuur 1 kan het volgende verband tussen d en α worden gevonden: d 2

  • 0,51 d 2
  • 2,07 = cos(α) cos(180ο
  • α)

Vraag 16 3 punten

Bewijs dat dit verband juist is.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Erratum

Bekijk het antwoord
  • De cosinusregel in driehoek ZAV geeft 1, 0 2 = 0, 7 2 + d 2 − 2 · 0, 7 · d · cos(α ) (1)
  • De cosinusregel in driehoek ZVM geeft 1, 6 2 = 0, 7 2 + d 2 − 2 · 0, 7 · d · cos(180 ° − α ) (1)
  • Herleiden van deze twee vergelijkingen geeft respectievelijk 1, 4d · cos(α ) = d 2 − 0,51 en 1, 4d · cos(180 ° − α ) = d 2 − 2, 07 , dus geldt d 2 − 0,51 d 2 − 2, 07 (1, 4d =) = (1)

Vraag 17 3 punten

Bereken algebraïsch de afstand in AE van de aarde tot Venus in de gegeven situatie. Geef je eindantwoord in twee decimalen.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Erratum

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

  • De cosinusregel in driehoek ABZ, met B een hoekpunt van het parallellogram ABMZ, geeft: 1, 6 2 = 1, 02 + 1, 42
    • 2 ·1, 0 ·1, 4 · cos(∠AZB ) ; 1, 62
    • 1, 02
    • 1, 42 hieruit volgt cos(∠AZB) = = 0,1428... (1) −2 ·1, 0 ·1, 4
  • De cosinusregel in driehoek AVZ geeft d 2 = 1, 02 + 0, 7 2
    • 2 ·1, 0 · 0, 7 · 0,1428... = 1, 29 (1)

Meestal wordt gezegd dat de planeten in ons zonnestelsel om de zon draaien. Dat klopt echter niet helemaal: de zon en de planeten draaien allemaal om hun gemeenschappelijke zwaartepunt.

Stel dat het zonnestelsel alleen zou bestaan uit Jupiter en de zon. We beschouwen deze twee hemellichamen als twee puntmassa’s. Jupiter is verreweg de zwaarste planeet in ons zonnestelsel met een

27 8 massa van 2 ·10 kg en een afstand tot de zon van 8 ·10 km. De zon 30 heeft een massa van 2 ·10 kg. Zie figuur 2 (niet op schaal).

[figuur 2: zie het originele examen]

De kleine cirkel in figuur 2 is de baan van de zon om het zwaartepunt.

Vraag 18 4 punten

Bereken de straal van deze baan in km. Geef je eindantwoord in honderdduizendtallen.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Erratum

Bekijk het antwoord

Opmerking Als gewerkt is volgens het eerste antwoordalternatief, mag in het tweede antwoordelement het onderste kental in de vectoren buiten de beoordeling gehouden worden.

Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen vwo Wiskunde B 2024, tijdvak 1. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2024/vwo/documenten/cse-1/vw-1025-a-24-1-o

Andere examens wiskunde B vwo

Hoe ToetsChecker wiskunde B per vraagtype nakijkt, lees je op wiskunde B toetsen nakijken met AI.

Veelgestelde vragen

Hoeveel vragen heeft het eindexamen wiskunde B vwo 2024, tijdvak 1?

Het centraal examen wiskunde B vwo 2024, tijdvak 1 telt 14 vragen. De meeste vragen gaan over differentiëren (3), integreren (3) en functies en grafieken (2).

Wat zijn de antwoorden van het examen wiskunde B vwo 2024, tijdvak 1?

Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.

Waar vind ik het correctievoorschrift van wiskunde B vwo 2024, tijdvak 1?

Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2024/vwo/documenten/cse-1/vw-1025-a-24-1-c). Bij dit examen hoort ook een aanvulling op het correctievoorschrift.

Hoe oefen ik met het examen wiskunde B vwo 2024, tijdvak 1 en krijg ik feedback?

Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.