Eindexamen wiskunde B vwo 2022, tijdvak 2: vragen en antwoorden
Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Buigraaklijn, Op de diagonaal van een vierkant, Golvend ertussendoor, Efficiënt testen, Begrensde gebieden, Cirkels en lijnen, Asymptoot, Twee punten op een grafiek.
Het centraal examen wiskunde B vwo 2022, tijdvak 2 loopt tot vraag 16. Van 14 vragen staat het onderwerp in de vragenbank. De meeste vragen gaan over differentiëren (3), functies en grafieken (3) en meetkunde met coördinaten (2). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.
Onderwerpen in dit examen
| Onderwerp | Vragen | Aantal |
|---|---|---|
| Differentiëren | 1-2, 6 | 3 |
| Functies en grafieken | 4, 14, 16 | 3 |
| Meetkunde met coördinaten | 3, 12 | 2 |
| Vergelijkingen en ongelijkheden | 5, 15 | 2 |
| Integreren | 9-10 | 2 |
| Bewijzen | 7 | 1 |
| Vectoren | 11 | 1 |
Vergeleken met andere jaren
Vergeleken met de andere 17 examens wiskunde B vwo sinds 2018: dit examen vroeg meer over vergelijkingen en ongelijkheden (14% van de vragen, gemiddeld 4%) en differentiëren (21% van de vragen, gemiddeld 13%). Minder over goniometrische functies (0% van de vragen, gemiddeld 11%) en parameterkrommen (0% van de vragen, gemiddeld 10%).
Opgaven en correctievoorschrift
De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.
Oefenen als leerling
Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen wiskunde B vwo 2022, tijdvak 2 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.
Nakijken als docent
Start gratis vanaf deze pagina
Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen wiskunde B vwo 2022, tijdvak 2 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.
Laat de klas het examen maken
Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.
Geef de resultaten vrij
Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.
ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.
Vragen en antwoorden
Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen wiskunde B vwo 2022, tijdvak 2. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.
Buigraaklijn
De functie f is gegeven door f ( x)= 2(2 x
- 1)3 + 3(2 x
- 1) 2 . ' ( x) 48 x 2
- 24 x Voor de afgeleide geldt: f =
Vraag 1 4 punten
Bewijs dit.
Bekijk het antwoord
Opmerking Voor het eerste antwoordelement van het eerste antwoordalternatief mogen uitsluitend 0 of 2 scorepunten worden toegekend.
De lijn k raakt de grafiek van f in het buigpunt.
Vraag 2 5 punten
Stel door middel van exacte berekeningen een vergelijking op van k.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- f '' (= x) 96 x − 24 (1)
- f '' ( x) = 0 geeft x = 14 (1)
- f ( 14 ) = 12 (1)
- f ' ( 14 ) = −3 (1)
- Een vergelijking van k is y =−3 x + 54 (1)
Op de diagonaal van een vierkant
Gegeven is een vierkant ABCD met zijde 2. Punt M is het midden van lijnstuk AB. Punt P ligt op diagonaal AC en valt niet samen met punt A of punt C. Zie de figuur.
figuur
P kan zo worden gekozen dat de lijnstukken DP en MP loodrecht op elkaar staan.
Vraag 3 6 punten
Bereken exact de lengte van lijnstuk AP in deze situatie.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
- Lijn MP heeft rc (voor p ≠ 1 ) en lijn DP heeft rc (1) p −1 p p p−2
- Als DP en MP loodrecht op elkaar staan, dan ligt P op de cirkel met middellijn MD (1p)
( 12 , 1) en straal ( 12 ) + 12 =54 , dus) 2
- (Dat is de cirkel met middelpunt
een vergelijking van deze cirkel is ( x
- 12 ) + ( y
- 1) =
2 2 5 4 1
- Snijden met de lijn AP met vergelijking y = x geeft ( x
- 12 ) + ( x
- 1)2 =
2 5 , dus 2 x 2
- 3 x = 4
0 (1)
- Een redenering waaruit volgt dat ∠DPR = ∠PMQ (of ∠RDP = ∠QPM ) (met R de loodrechte projectie van P op CD en Q de loodrechte projectie van P op AB) (1p)
- Ook geldt (omdat D ( 0, 2 ) , R ( p, 2 ) , P ( p, p ) en Q ( p, 0 ) ) DR = PQ , dus ∆PRD ≅ ∆MQP (1p)
- Een redenering waaruit volgt dat ∠DPR = ∠PMQ (of ∠RDP = ∠QPM ) (met R de loodrechte projectie van P op CD en Q de loodrechte projectie van P op AB) (1p)
- Ook geldt DR = PQ , dus ∆PRD ≅ ∆MQP (1p)
- Dus MQ = PR en (omdat ∠PCR = 45° ) PR = RC (1p)
- Dus MQ= PR = RC = BQ en dus is Q het midden van MB (1p)
- Hieruit volgt AQ : QB = 3 :1 (1p)
- AP = 32 2 (want ∆AQP is gelijkvormig met ∆ABC ) (of een gelijkwaardige uitdrukking) (1) of
- DP ⊥ MP als p 2 + ( 2
- p ) + p 2 + ( p
- 1) =
5 (1)
Golvend ertussendoor
1 Voor 0 < x < 2π is de functie f gegeven door f ( x) = . 2sin( x) In figuur 1 is de grafiek van f weergegeven.
[figuur 1: zie het originele examen]
Vraag 4 5 punten
Bereken exact het bereik van f.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
- f heeft een minimum als sin( x) maximaal is (1p)
- sin( x) is maximaal 1 dus het minimum van f is 12 (1p)
- f heeft een maximum als sin( x) minimaal is (1p)
Opmerking Voor het eerste antwoordelement van het eerste antwoordalternatief mogen uitsluitend 0 of 2 scorepunten worden toegekend.
Voor elke waarde van a is de functie g a gegeven door g a ( x) = a cos( x) met domein [0, 2π] . In figuur 2 zijn voor een waarde van a de grafieken van f en g a weergegeven. In deze situatie hebben de grafieken van f en g a geen punten gemeenschappelijk. Als de waarde van a verandert, verandert de amplitude van de grafiek van g a .
[figuur 2: zie het originele examen]
Vraag 5 5 punten
Bereken exact voor welke waarden van a de grafieken van f en g a géén punten gemeenschappelijk hebben.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
- Substitutie van a geeft
- (2) = (of 2sin ( x) 2 cos( x) sin( x) cos( x) (1) 2 = ) (1) sin ( x) cos( x)
- Hieruit volgt cos 2 ( x) = sin 2 ( x) dus x = 1 π+k⋅1 π
4 (2) 1
Efficiënt testen
Een teek is een parasiet. Teken kunnen foto drager zijn van de bacterie waarvan je de ziekte van Lyme kunt krijgen. Ongeveer 20% van de teken in Nederland is drager van deze bacterie. Om te onderzoeken of een persoon de ziekte van Lyme heeft, neemt men een monster: er wordt wat bloed afgenomen. In een laboratorium wil men 1000 monsters testen op de aanwezigheid van de bacterie. In het laboratorium kan elk van de monsters individueel getest worden. In dat geval zijn er 1000 tests nodig. Een alternatief is om van een aantal monsters een paar druppels te nemen, die bij elkaar te voegen en dan dit mengsel te testen. Als het mengsel de bacterie niet bevat, dan bevat geen van de monsters in het mengsel de bacterie. Als het mengsel de bacterie wel bevat, weet je nog niet welk monster de bacterie bevat en moeten alsnog de monsters in het mengsel stuk voor stuk worden getest. Het aantal monsters dat wordt samengevoegd voor één test is n. Als n = 2 worden dus telkens twee monsters samengevoegd voor een test, en als het mengsel de bacterie bevat, worden de twee monsters nog eens apart getest. Het totale aantal tests T dat naar verwachting nodig is, hangt af van n volgens de volgende formule: 1 T= 1000 ⋅ 1 +
- 0,8n (formule 1) n Hierbij is n ≥ 2 . figuur We bekijken nu eerst de grafiek van deze formule voor T. Deze grafiek is weergegeven in de figuur hiernaast. De grafiek heeft een laagste punt.
Vraag 6 4 punten
Bepaal met behulp van de afgeleide van T de helling van de grafiek voor n = 4 en beredeneer daarmee of het laagste punt links of rechts van n = 4 ligt.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Opmerking Voor het eerste antwoordelement mogen uitsluitend 0 of 2 scorepunten worden toegekend.
Deze methode om het laagste totale aantal tests te bepalen wordt ook gebruikt bij het testen op andere soorten besmetting. De fractie besmette monsters wordt daarbij steeds voorgesteld door de variabele p (met
0 ≤ p ≤ 1). Voor de eerder genoemde besmetting door teken geldt dat ongeveer 20% besmet is, dus wordt gerekend met p = 0, 2 .
Als er niet 1000, maar N monsters worden getest, dan ziet formule 1 er voor willekeurige p als volgt uit: 1 n T (n) = N ⋅ 1 +
- (1
- p ) (formule 2) n Hierin is T ( n) het verwachte totale aantal tests, n het aantal monsters dat wordt samengevoegd en p de fractie besmette monsters. In de praktijk werkt men in een laboratorium niet met de formule, maar met een tabel. Als bekend is welke fractie van de teken (p) besmet is, dan kan in zo’n tabel worden afgelezen voor welke waarde van n het verwachte totale aantal tests ( T ( n) ) zo laag mogelijk is. Om die laagste waarde te vinden wordt bepaald bij welke waarde van p geldt: T (= n) T (n + 1) . Er geldt dan het volgende verband: n n ( n + 1) ⋅ p (1
- p ) =
1 (formule 3)
Vraag 7 4 punten
Bewijs dat dit verband juist is.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- 1 1 • n) T (n + 1) geeft N ⋅ 1 + T (= − (1 − p ) n = N ⋅ 1 + − (1 − p) n+1 (1) n n +1 1 (1) • Herleiden tot (1 − p ) n − (1 − p ) n+1 = − (1) n n +1 • (1 − p ) − (1 − p ) = (1 − p ) (1 − (1 − p ) ) = p (1 − p ) n n n +1 n 1 • Voor de rest van de herleiding (1) of 1 1 • n) T (n + 1) geeft N ⋅ 1 + T (= − (1 − p ) n = N ⋅ 1 + − (1 − p) n+1 (1) n n +1 1 (1) • n Herleiden tot − (1 − p )= − (1 − p ) n+1 (1) n n +1 • ( Dit vervolgens herleiden tot 1= n(n + 1) (1 − p ) n − (1 − p ) n+1 ) (1) • (1 − p ) n − (1 − p ) n+1 = (1 − p ) n (1 − (1 − p ) ) = p (1 − p ) n (en de rest van de herleiding) (1) (4)
tabel Met behulp van formule 3 kunnen de grenswaarden voor p worden bepaald. Voor een aantal waarden p n van n staan de grenswaarden voor p weergegeven in 0,0656 4 de tabel hiernaast. In de tabel is bijvoorbeeld te zien 0,0411 5 dat voor waarden van p tussen 0,0411 en 0,0656 bij 0,0283 6 een keuze van n = 5 het totale aantal tests zo klein 0,0207 7 mogelijk is. 0,0158 8 Van een bepaalde besmetting is bekend dat p = 0,025 . Men wil dat het verwachte totale aantal tests niet groter is dan 750. Met behulp van de tabel en formule 2 kan nu worden berekend van maximaal hoeveel monsters N bepaald kan worden of ze besmet zijn of niet.
Vraag 8 3 punten
Bereken met behulp van de tabel en formule 2 van maximaal hoeveel monsters N bepaald kan worden of ze besmet zijn of niet.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Opmerking Voor het antwoord 2457 geen scorepunten in mindering brengen.
Begrensde gebieden
De functie f is gegeven door: figuur 1 4 f ( x) = x +1 De grafiek van f snijdt de y-as in het punt (0, 4) . In figuur 1 is de grafiek van f weergegeven. Ook is de rechthoek weergegeven die wordt begrensd door de x-as, de y-as, de lijn met vergelijking y = 4 en de lijn met vergelijking x = q met q > 0 . De grafiek van f verdeelt deze rechthoek in twee delen.
Er is één waarde van q waarbij de oppervlaktes van deze twee delen even groot zijn.
Vraag 9 7 punten
Bereken exact deze waarde van q. figuur 2
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- De integraal ∫ f ( x)dx moet worden berekend (1)
- Een primitieve van is 8 x + 1 (1)
- De oppervlakte onder de grafiek is 8 q + 1 − 8 (1)
- De oppervlakte van de rechthoek is 4q , de oppervlakte onder de grafiek is dus 2q (1)
- 8 q + 1 − 8 =2q herleiden tot 64 ( q + 1) = ( 8 + 2q ) (1)
- Dit geeft 4q 2 − 32q = 0 (1)
- q =8 (1)
De functie g is de inverse functie van de functie f . Het gebied dat wordt ingesloten door de grafiek van f , de grafiek van g en de lijn met vergelijking x = 4 is in figuur 2 grijs gekleurd.
Vraag 10 5 punten
Bereken de oppervlakte van dit gebied. Geef je eindantwoord in één decimaal.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Opmerking Voor het derde antwoordelement van het tweede antwoordalternatief mogen uitsluitend 0 of 2 scorepunten worden toegekend.
Cirkels en lijnen
Voor 0 ≤ t ≤ 2π beweegt een punt P over een figuur 1 cirkelvormige baan c P met middelpunt O ( 0, 0 ) volgens de bewegingsvergelijkingen: xP (t ) = 2cos(t ) yP (t ) = 2sin(t ) Voor 0 ≤ t ≤ 2π beweegt tegelijkertijd een punt Q over een cirkelvormige baan cQ volgens de bewegingsvergelijkingen: xQ (t )= 2 + cos(t ) yQ (t ) = sin(t ) Hoek POQ is afhankelijk van t. In figuur 1 zijn beide cirkels c P en c Q weergegeven. Ook zijn de lijnstukken OP en OQ weergegeven voor een waarde van t waarvoor OP en OQ loodrecht op elkaar staan.
Vraag 11 5 punten
Bereken exact de waarden van t waarvoor OP en OQ loodrecht op elkaar staan.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
- De oplossingen: t= 2 π en t= 4π (1p)
3 (3)
of 2sin(t ) sin(t )
- Er geldt: rcOP = (met cos(t ) ≠ 0 ) en rcOQ = (1p)
2 cos(t ) 2 + cos(t ) 2sin(t ) ⋅ sin(t )
- Er moet gelden: rcOP ⋅ rcOQ = −1 , dus = −1 (1p)
2 cos(t ) ( 2 + cos(t ) )
De lijn door P en Q snijdt de x -as in punt A. De x -coördinaat van A is onafhankelijk van t.
Vraag 12 5 punten
Bewijs dit.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
- Er geldt: rcPQ = (1) cos(t )
- 2
- Een vergelijking van de lijn door P en Q is sin(t ) y = ( x
- 2 cos(t )) + 2sin(t ) (of een gelijkwaardige uitdrukking) (2) cos(t )
- 2 sin(t )
- Omdat P en Q dezelfde hoeksnelheid hebben, is driehoek AOP gelijkvormig met driehoek ANQ (N is het middelpunt van cQ) (1) OA OP
- Hieruit volgt = (1) NA (1p)
Opmerking Voor het tweede antwoordelement van zowel het eerste als het tweede antwoordalternatief mogen uitsluitend 0 of 2 scorepunten worden toegekend.
Punt M is het midden van lijnstuk PQ. Op t = 0 beginnen P en Q vanaf de x -as naar boven te bewegen. Punt M beweegt dan mee naar boven. In figuur 2, 3 en 4 is voor drie waarden van t de situatie weergegeven.
figuur 2 figuur 3 figuur 4
Voor t ≈ 0,723 ligt punt M op cirkel cQ. Zie figuur 2. Na t ≈ 0,723 komt M in het gebied buiten cQ te liggen. Zie figuur 3. Op een zeker tijdstip ligt M op cirkel c P. Zie figuur 4. Punt M ligt een percentage van de tijd waarin de punten P en Q een volledige baan doorlopen buiten c P en c Q.
Vraag 13 6 punten
Bereken dit percentage. Geef je eindantwoord als geheel getal.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- • ( Er geldt: M 1 + 32 cos(t ), 32 sin(t ) ) (1) • Een vergelijking van cP is x 2 + y 2 = 4 (1) • M ligt in het buitengebied totdat M op cP ligt, dus de vergelijking (1 + 32 cos(t ) ) + ( 32 sin(t ) ) = 2 (2) 4 moet worden opgelost (1) • Beschrijven hoe deze vergelijking (met de GR) kan worden opgelost (1) • Dit geeft t = 1,318... (1) • (De baan is symmetrisch ten opzichte van de x-as, dus) 2(1,318... − 0, 723) = 0,1894... dus het gevraagde percentage is 19(%) (1) 2π of • Een vergelijking van cP is x 2 + y 2 = 4 (1) • ( ) Er geldt: M 1 + 32 cos(t ), 32 sin(t ) , dus een vergelijking van cM is ( x − 1)2 + y 2 = 1,52 (1) • Beschrijven hoe de snijpunten van cP en cM (met de GR) gevonden kunnen worden (1) • Dit geeft x = 1,375 dus 1 + 32 cos(t ) = 1,375 (1) • Dit geeft t = 1,318... (1) • (De baan is symmetrisch ten opzichte van de x-as, dus) 2(1,318... − 0, 723) = 0,1894... dus het gevraagde percentage is 19(%) (1) 2π (6)
Asymptoot
De functie f is gegeven door:
x−5 f ( x) = x
- 1 + 2x
- 5 In de figuur is de grafiek van f weergegeven. De grafiek heeft een knikpunt voor x = 1 . Lijn k is een scheve asymptoot van de grafiek van f . Ook deze scheve asymptoot is in de figuur weergegeven.
figuur
Vraag 14 3 punten
Stel een vergelijking op van k.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- x −5 • Voor x < 1 geldt: f ( x) =− x + 1 + (1) 2x − 5 x −5 1 − 5x (1) • lim = lim = (2) (of: een redenering als “voor grote x →−∞ 2 x − 5 x →−∞ 2 − 5 x x −5 negatieve waarden van x gaat de breuk naar 12 ”) (1) 2x − 5 • Een vergelijking van lijn k is y =− x + 1 12 (1) (3)
Een deel van de grafiek van f ligt onder de x -as.
Vraag 15 6 punten
Bereken exact voor welke waarden van x de grafiek van f onder de x -as ligt.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- (Het snijpunt met de x-as ligt rechts van het knikpunt, dus) x −5 x −1+ =0 (1)
- Dit herleiden tot x − 5= (2 x − 5)(1 − x) (of een gelijkwaardige uitdrukking zonder gebroken vormen) (1)
- Herleiden tot 2 x 2 − 6 x = 0 (1)
- Dit geeft x = 3 ( x = 0 voldoet niet) (1)
- ( x = 2 12 is een nulpunt van de noemer en niet van de teller van , 2x − 5 dus) de grafiek heeft een verticale asymptoot met vergelijking x = 2 12 (1)
- De grafiek van f ligt onder de x-as voor 2 12 < x < 3 (1)
Twee punten op een grafiek
De functie f is gegeven door f ( x)= x ⋅ e x . De punten P en Q liggen op de grafiek van f. De x -coördinaat van P is p en de x -coördinaat van Q is 2p.
Voor een bepaalde waarde van p heeft de lijn door P en Q een richtingscoëfficiënt van 6.
Vraag 16 5 punten
Bereken exact deze waarde van p.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
- Uit invullen van de coördinaten van Q in y = 6 x + p · e p
- 6 p volgt
2 · e2 p
- e p = 6 (1p)
Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen vwo Wiskunde B 2022, tijdvak 2. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2022/vwo/documenten/cse-2/vw-1025-a-22-2-o
Andere examens wiskunde B vwo
- 2026, tijdvak 1
- 2026, tijdvak 2
- 2025, tijdvak 1
- 2025, tijdvak 2
- 2024, tijdvak 1
- 2024, tijdvak 2
- 2023, tijdvak 1
- 2023, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 1
- 2022, tijdvak 3
- 2021, tijdvak 1
- 2021, tijdvak 2
- 2021, tijdvak 3
- 2019, tijdvak 1
- 2019, tijdvak 2
- 2018, tijdvak 1
- 2018, tijdvak 2
Hoe ToetsChecker wiskunde B per vraagtype nakijkt, lees je op wiskunde B toetsen nakijken met AI.
Veelgestelde vragen
Hoeveel vragen heeft het eindexamen wiskunde B vwo 2022, tijdvak 2?
Het centraal examen wiskunde B vwo 2022, tijdvak 2 loopt tot vraag 16. Van 14 vragen staat het onderwerp in de vragenbank. De meeste vragen gaan over differentiëren (3), functies en grafieken (3) en meetkunde met coördinaten (2).
Wat zijn de antwoorden van het examen wiskunde B vwo 2022, tijdvak 2?
Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.
Waar vind ik het correctievoorschrift van wiskunde B vwo 2022, tijdvak 2?
Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2022/vwo/documenten/cse-2/vw-1025-a-22-2-c).
Hoe oefen ik met het examen wiskunde B vwo 2022, tijdvak 2 en krijg ik feedback?
Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.