Eindexamen wiskunde B vwo 2026, tijdvak 2: vragen en antwoorden

Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Rondom een top, Perforaties, Thermosflessen, Evenwijdige vectoren en zwaartepunt, Draaierig, Minimale lengte en grenswaarde, Een gebroken wortelfunctie, Twee cirkels.

Kort antwoord

Het centraal examen wiskunde B vwo 2026, tijdvak 2 loopt tot vraag 16. Van 15 vragen staat het onderwerp in de vragenbank. De meeste vragen gaan over differentiëren (4), functies en grafieken (3) en integreren (2). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.

Onderwerpen in dit examen

Onderwerp per vraag in het centraal examen wiskunde B vwo 2026, tijdvak 2, voor de vragen waarvan het onderwerp bekend is. Elke vraag is eenmalig door een AI-model bij een onderwerp ingedeeld; per vraag kan dat afwijken.
OnderwerpVragenAantal
Differentiëren5, 10-11, 164
Functies en grafieken3, 12, 143
Integreren1, 132
Goniometrische functies8-92
Bewijzen21
Vergelijkingen en ongelijkheden41
Vectoren61
Meetkunde met coördinaten151

Vergeleken met andere jaren

Vergeleken met de andere 17 examens wiskunde B vwo sinds 2018: dit examen vroeg meer over differentiëren (27% van de vragen, gemiddeld 13%). Minder over parameterkrommen (0% van de vragen, gemiddeld 10%) en exponentiële en logaritmische functies (0% van de vragen, gemiddeld 9%).

Opgaven en correctievoorschrift

De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.

Oefenen als leerling

Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen wiskunde B vwo 2026, tijdvak 2 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.

Nakijken als docent

  1. Start gratis vanaf deze pagina

    Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen wiskunde B vwo 2026, tijdvak 2 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.

  2. Laat de klas het examen maken

    Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.

  3. Geef de resultaten vrij

    Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.

ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.

Vragen en antwoorden

Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen wiskunde B vwo 2026, tijdvak 2. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.

Rondom een top

Voor x ≥ 0 wordt de functie f gegeven door f x ( ) =− x³ + 1¹₂ x .

Het punt A (¹₂ 2,¹₂ 2) is de top van de grafiek van f.

De lijn k met vergelijking y = x snijdt de grafiek van f in de oorsprong O en in A.

De lijn l is de verticale lijn door A.

Het gebied V is de driehoek die wordt ingesloten door k, l en de positieve x-as.

Het gebied W ligt rechts van l en wordt ingesloten door l, de grafiek van

f en de positieve x-as.

In figuur 1 zijn beide gebieden grijs weergegeven.

figuur 1
figuur 1

Vraag 1 6 punten

Onderzoek op exacte wijze of V en W gelijke oppervlakte hebben.

Bekijk het antwoord
Antwoordfiguur bij vraag 1 (cv-p6-1-1.webp).

• (1)

• (1)

• (1)

• (1)

• (1)

• (1)

Voor p > 0 wordt de functie g_p gegeven door g _p( x) = x + px − 1 . De grafiek van g_p heeft een knik. Voor één waarde van p bevindt deze knik zich in punt A. Zie figuur 2.

figuur 2
figuur 2

Er geldt: in dit geval is de hoek die de knik maakt 90°.

Vraag 2 4 punten

Bewijs dit.

Bekijk het antwoord
  • De knik bevindt zich bij x = 1 2 2 (en y = 1 2 2 ), dus p ⋅ ¹₂ 2 −= 1 0 (1)
  • Dit geeft p = 2 (1)
  • In de knik zijn de hellingen (in het linker- en rechterdeel) 1 − 2 en 1 + 2 (1)
  • (1 − 2)(1 + 2) =− (dus de hoek die de knik maakt is 90°) 1 (1)

of

  • In de knik zijn de hellingen (in het linker- en rechterdeel) 1 − p en 1 + p (1)
  • De hoek die de knik maakt is 90° als (1 − p + p ) =− 1 (1)
  • Dit is (voor p > 0 ) gelijkwaardig met p = )(1/2 (1)
  • Dit is het geval als de knik zich in A bevindt, want 2 ⋅ ¹₂ 2 −= 1 0 (1)

Perforaties

De functie f wordt gegeven door:

f x () = 2sin( x) −1 4sin²( x) −1

Voor 0 ≤ x ≤π heeft de grafiek van f twee perforaties.

Vraag 3 4 punten

Bereken exact de coördinaten van deze twee perforaties.

Bekijk het antwoord
  • Een voorwaarde voor een perforatie is dat de teller én de noemer gelijk zijn aan 0, dus sin( ) x = 1 2 (1)
  • sin( ) x = 1 ₂ als x =¹₆ π en x = ₆⁵ π (1)
  • f x () = 4sin²( x) −1 2sin( x) −1 = ( 2sin( x) −1 2sin( x) −1 )( 2sin( x) +1 ) (1)
  • x lim →π¹₆ f x () = _xlim_→π₁₆ 1/x2sin( ) +1 =¹₂ en x lim →π⁵₆ f x () = _xlim_→π₅₆ 1/x2sin( ) +1 =¹₂, dus

de coördinaten van de perforaties zijn (¹₆π,¹₂) en (⁵₆π,¹₂) (1)

Thermosflessen

Een thermosfles heeft een dubbele wand. Hierdoor blijft een vloeistof die in een thermosfles wordt bewaard langere tijd warm of juist koud.

Afbeelding bij Thermosflessen (opgaven-p6-1.webp).

De vloeistoftemperatuur T in een volledig gevulde en afgesloten thermosfles kan worden berekend met de formule:

T t ( ) = A + ( T₀ − A ) ⋅ e⁻ ct

Hierbij geldt:

  • t is de tijd in uren nadat de thermosfles werd afgesloten.
  • T t is de vloeistoftemperatuur in oC na t uur. ( )
  • T₀ is de vloeistoftemperatuur in oC bij t = 0 .
  • A is de constante omgevingstemperatuur in oC.
  • c is een constante die afhangt van de kwaliteit van de thermosfles.

Om 9.00 uur ’s ochtends wordt een volledig met vloeistof gevulde thermosfles afgesloten en in een ruimte geplaatst.

De vloeistoftemperatuur in de fles is op dat moment 87 oC.

De omgevingstemperatuur in de ruimte is constant.

De vloeistoftemperatuur in de fles is om 11.30 uur 67 oC en om 14.00 uur 53 oC.

Met bovenstaande gegevens kan een stelsel vergelijkingen worden opgesteld. Dit stelsel kan vervolgens worden herleid tot een vergelijking met één variabele.

Vraag 4 6 punten

Stel deze vergelijking op en bereken vervolgens met behulp van deze vergelijking de temperatuur in oC van de vloeistof om 15.00 uur. Geef je eindantwoord als geheel getal.

Bekijk het antwoord

67 = A + (87 − A )e^− ⋅ c 2,5

  • De gegevens invullen geeft het stelsel (1)

53 = A + (87 − A )e^− ⋅ c 5

A − A ⋅ e⁻ 2,5 c = 67 − 87e⁻ 2,5 c

  • Hieruit volgt het stelsel (1)

A − A ⋅ e⁻ 5 c = 53 − 87e⁻ 5 c

  • Herleiden tot een vorm zonder A geeft 67 1 −e⁻ − 87e⁻ 2,5 2,5 c c = 53 1 −e⁻ − 87e⁻ 5 c 5 c (1)
  • De oplossing van deze vergelijking is c = 0,14... (1)
  • Dit geeft A = 20,33... ( oC) (1)
  • De temperatuur om 15.00 uur is 49 ( oC) (1)

of 67 = A + (87 − A )e^− ⋅ c 2,5

  • De gegevens invullen geeft het stelsel (1)

53 = A + (87 − A )e^− ⋅ c 5

67 − A = e⁻ 2,5 c

  • Hieruit volgt het stelsel 87 − A (1)

53 − A = e⁻ 5 c 87 − A

  • Herleiden tot een vorm zonder c geeft 67 − A =² 53 − A (1)

87 − A 87 − A

  • De oplossing van deze vergelijking is A = 20,33... ( oC) (1)
  • Oplossen van de vergelijking 53 − 20,33... = e⁻ 5 c geeft c = 0,14... (1)

87 − 20,33...

  • De temperatuur om 15.00 uur is 49 ( oC) (1)

Bij een test worden twee thermosflessen van verschillende merken gevuld met een vloeistof met een temperatuur van 95 oC en in een ruimte geplaatst. Na verloop van tijd is de vloeistof in beide thermosflessen afgekoeld tot de constante omgevingstemperatuur van 20 oC. De formule voor de vloeistoftemperatuur in de thermosfles van het merk Isomax is:

T_I t ( ) = 20 + 75 ⋅ e⁻ 0,2 t

De formule voor de vloeistoftemperatuur in de thermosfles van het merk Therm is:

T _Th(t ) = 20 + 75 ⋅ e⁻ 0,15 t

In de figuur zijn de grafieken van T_I en T_Th weergegeven.

figuur
figuur

De leverancier beweert dat het maximale temperatuurverschil van de vloeistoffen in beide flessen vrijwel niet merkbaar is.

Vraag 5 6 punten

Bereken algebraïsch dit maximale temperatuurverschil in oC. Geef je eindantwoord als geheel getal.

Bekijk het antwoord
  • Voor het temperatuurverschil V geldt V t ( ) = 75e⁻ 0,15 t − 75e⁻ 0,2 t (1)
  • V ' t ( ) =− 0,15 ⋅ 75e⁻ 0,15 t −− 0,2 ⋅ 75e⁻ 0,2 t (1)
  • Uit V ' t = ( ) 0 volgt 15e⁻ 0,2 t = 11,25e⁻ 0,15 t (1)
  • Dit geeft e⁻ 0,05 t = 11,25/15 ( = 0,75 ) (1)
  • Hieruit volgt t =− 1/0,05 ⋅ ln(0,75) ( = 5,7... ) (1)
  • Het maximale temperatuurverschil is 8 ( oC) (1)

Evenwijdige vectoren en zwaartepunt

Gegeven zijn de punten A (5 − p ,2 p) , B (2 , ) p p en C (5,5) . υυυρ υυυρ In figuur 1 zijn voor drie waarden van p de vectoren CA en CB weergegeven.

figuur 1
figuur 1

Legenda: positie 1 positie 2 positie 3 υυυρ υυυρ

Voor positie 2 zijn CA en CB evenwijdig en hebben ze een tegengestelde richting. υυυρ υυυρ Er is een vierde positie, waarvoor de vectoren CA en CB ook evenwijdig zijn. In dat geval hebben de vectoren gelijke richting.

Vraag 6 5 punten

Bereken algebraïsch de waarde van p bij deze vierde positie. Geef je eindantwoord in twee decimalen.

Bekijk het antwoord

υυυρ − p υυυρ 2 p − 5

  • CA = 2 p − 5 en CB = p − 5 (1)
  • De vectoren zijn evenwijdig als 2 p − 5 = p − 5 (1)

− p 2 p − 5

  • Dit herleiden tot een kwadratische vergelijking zoals 5 p² − 25 p + 25 = 0 (1)
  • Dit geeft p = (−)/2 5 5 (of p = 1,381... ) en p = (+)/2 5 5 (of p = 3,618... ) (1)
  • Een toelichting waaruit volgt dat voor p = 1,38 de vectoren gelijke richting hebben (1)

In A en in B bevinden zich puntmassa’s met massa 2 en in C bevindt zich een puntmassa met massa 1.

Bij elke waarde van p hoort een positie van het zwaartepunt Z van de drie puntmassa’s. Deze zwaartepunten liggen op de lijn l.

In figuur 2 zijn voor een zekere waarde van p de posities van de puntmassa’s A, B en C en het bijbehorende zwaartepunt Z weergegeven. υυυρ υυυρ υυυρ Ook zijn voor deze waarde van p de plaatsvectoren OA , OB en OC en de lijn l weergegeven.

figuur 2
figuur 2

Er is een waarde van p waarvoor de x-coördinaat van het zwaartepunt gelijk is aan de y-coördinaat van het zwaartepunt.

Vraag 7 4 punten

Bereken in dat geval exact de coördinaten van het zwaartepunt.

Bekijk het antwoord

υυυρ υυυρ υυυρ

  • De wegingsfactoren van de plaatsvectoren OA , OB en OC zijn respectievelijk² ₅ ,² ₅ en¹ 5 (1)
  • OZ υυυρ = ₅² ⋅ 5 − p + ₅² ⋅ 2 p + ⋅ ¹₅ 5 = 3 + 5 2 p (1)

2 p p 5 1 + 6 5 p

  • Uit 3 + 5 2 p =+ 1 6 5 p volgt p = 2 12 (1)
  • De coördinaten zijn (4, 4) (1)

of υυυρ υυυρ υυυρ

  • De wegingsfactoren van de plaatsvectoren OA , OB en OC zijn respectievelijk² ₅ ,² ₅ en¹ 5 (1)
  • OZ υυυρ = ₅² ⋅ 5 − p + ₅² ⋅ 2 p + ⋅ ¹₅ 5 = 3 + 5 2 p (1)

2 p p 5 1 + 6 5 p

  • De lijn l gaat door het punt (3,1) en heeft richtingscoëfficiënt 3, dus een vergelijking van l is y = 3 x − 8 (1)
  • Ook geldt y = x , dus de coördinaten zijn (4, 4) (1)

of

  • De wegingsfactoren van de puntmassa’s A, B en C zijn respectievelijk ₅² ,² ₅ en¹ 5 (1)
  • Een correcte berekening van de coördinaten van het zwaartepunt voor twee verschillende waarden van p. Bijvoorbeeld: voor p = 0 geldt Z = ((₅² ⋅ + 5 ₅² ⋅ + ⋅ ¹₅ 0 5,₅² ⋅ + 0 ₅² ⋅ +¹₅ 0 ⋅ 5) = )(3,1) en voor p = 5 geldt Z = ((₅² ⋅ + 0 ₅² ⋅ 10 + ⋅ ¹₅ 5,₅² ⋅ 10 + ₅² ⋅ + ⋅ ¹₅ 5 5) =)(5,7) (1)

x 3 1

  • Een vectorvoorstelling van l is = + t (1)

y 1 3

  • Uit 3 +=+ t 1 3 t volgt t =1, dus de coördinaten zijn (4, 4) (1)

Draaierig

Punt P beweegt volgens de bewegingsvergelijkingen: x t ( ) = sin(t ) − cos(3 )t voor 0 ≤≤ t 2π y t ( ) = cos(t ) + sin(3 )t

Hierbij is t de tijd in seconden. De baan van P is weergegeven in figuur 1.

figuur 1
figuur 1

Op zes tijdstippen bevindt P zich op de y-as.

Vraag 8 4 punten

Bereken exact deze tijdstippen.

Bekijk het antwoord
  • Uit ( ) x t = 0 volgt sin(t ) = cos(3 )t (1)
  • sin(t ) = sin(3 t +¹₂π) (1)
  • t = 3 t +¹₂π + k ⋅ 2π of t = π −(3t+¹₂ π)+ ⋅ k 2π (1)
  • t = ₄³ π , t = 1³₄π , t = ₈¹ π , t = ₈⁵ π , t = 1¹₈π en t = 1 ₈⁵π (1)

Op de tijdstippen t =¹₂ π en t = π gaat P door het punt (1, –1). In (1, –1) snijdt de baan zichzelf onder een bepaalde hoek.

Vraag 9 5 punten

Bereken op algebraïsche wijze deze hoek in graden. Geef je eindantwoord als geheel getal.

Bekijk het antwoord
  • x' t ( ) = cos(t ) + 3sin(3 )t (1)
  • y' t ( ) =− sin(t ) + 3cos(3 )t (1)
  • x' y' (¹₂π) (¹₂π) = − − 3 1 en x' y' ()π ()π = − − 3 1 (1)

− 3 − 1 ⋅

  • cos () ϕ= − 1 − 3 = 0,6 (1)

− 3 − 1 ⋅ − 1 − 3

  • Dit geeft ϕ= 53( ) ° (1)

of

  • x' t ( ) = cos(t ) + 3sin(3 )t (1)
  • y' t ( ) =− sin(t ) + 3cos(3 )t (1)
  • De richtingscoëfficiënten van de raaklijnen aan de baan in (1,–1) zijn

x' y' (¹₂π) (¹₂π) =−31 en − x' y' (π) (π) =− − 3 1 (1)

  • Dit geeft de hoeken 18,4...(° ) en 71,5...(° ) (1)
  • De baan snijdt zichzelf onder een hoek van 53(° ) (1)

Minimale lengte en grenswaarde

De functie f wordt gegeven door f x ( ) = x² ⋅ ln(¹₂ x ) en de functie g door

g x ( ) = x² ⋅ ln( ) x .

In de figuur zijn de grafieken van f en g weergegeven.

figuur
figuur

Punt A ( 2 , −²_e) is de top van de grafiek van f. Punt B is de top van de e grafiek van g.

Door A en B worden vierkanten getekend waarvan de zijden evenwijdig zijn met de x-as en y-as. In de figuur zijn twee voorbeelden getekend van zo’n vierkant.

De lengtes van de zijde van alle mogelijke vierkanten zijn niet even groot.

Vraag 10 7 punten

Bereken algebraïsch de lengte van de zijde van het kleinst mogelijke vierkant. Geef je eindantwoord in vier decimalen.

Bekijk het antwoord
  • De afgeleide van x² is 2x en de afgeleide van ln( ) x is 1 x (1)
  • g' x ( ) = x ₂ ⋅ 1 + 2 x ⋅ ln( x) = x + 2 x ⋅ ln( x) (1)

x

  • Voor de x-coördinaat van B geldt 1 +2ln( x) = 0 (1)
  • Dit geeft ln( ) x =−¹₂ , dus x _B= 1/e (of 0,60…) (1)
  • y_B = g 1/e =− 1/2e (of y_B = g (0,60...) =− 0,18... ) (1)
  • De horizontale afstand tussen de toppen is 1 (of 0,60…) en de e verticale afstand is 3 2e (of 0,55…) (1)
  • De gevraagde lengte is 0,6065 (1)

of

  • Als op de grafiek van f een vermenigvuldiging met¹ ₂ ten opzichte van de y-as wordt toegepast, ontstaat de grafiek die hoort bij de vergelijking y = (2 x)² ⋅ ln(¹₂ ⋅ 2 x) (1)
  • (2 x)² ⋅ ln(¹₂ ⋅ 2 x) = 4 ⋅ x² ⋅ ln( x) (1)
  • Als op de grafiek van y = 4 ⋅ x² ⋅ ln( x) een vermenigvuldiging met¹ ₄ ten opzichte van de x-as wordt toegepast, ontstaat de grafiek van g (1)
  • Dus x_B =¹₂ ⋅ x_A = 1/e (of x_B =¹₂ ⋅ x_A = 0,60... ) (1)
  • y_B =¹₄ ⋅ y_A =− 1/2e (of y_B =¹₄ ⋅ y_A =− 0,18... ) (1)
  • De horizontale afstand tussen de toppen is 1 (of 0,60…) en de e verticale afstand is 3 2e (of 0,55…) (1)
  • De gevraagde lengte is 0,6065 (1)

De functie h is gegeven door h x ( ) = g x ( ) .

f x ( )

Voor toenemende waarden van x nadert ( ) h x tot een grenswaarde.

Vraag 11 3 punten

Bereken exact deze grenswaarde.

Bekijk het antwoord
  • h x ( ) = x² ⋅ ln( x) = ln( x) = ln( x) (voor x > 0 ) (1)

x² ⋅ ln(¹₂ x ) ln(¹₂ x ) ln(¹₂) + ln( x) ln( x)

  • x lim _→∞ln(¹₂) ln( x) + ln( x) = _xlim_→∞ ln( ₁₂) ln( x) + ln( x) (1)

ln( x) ln( x)

  • (De grenswaarde is) lim 1 = 1 = 1 (1)

x →∞ ln(¹₂) + 1 0 +1 ln( x)

Een gebroken wortelfunctie

De functie f wordt gegeven door f x ( ) = 3/x .

Op de grafiek van f liggen de punten A (1, 3) en B (9,1) . In figuur 1 zijn de grafiek van f en het lijnstuk AB weergegeven.

figuur 1
figuur 1

Er is een punt tussen A en B op de grafiek van f waarin de helling van de grafiek van f gelijk is aan de helling van lijnstuk AB. De x-coördinaat van dat punt kan worden geschreven als q p , met p en q gehele getallen.

Vraag 12 4 punten

Bereken exact een mogelijke waarde van p en van q.

Bekijk het antwoord
  • f ' x ( ) =− 3/(x x) (of f ' x ( ) =− 1,5 x⁻^1,5 ) (1)

2

  • De helling van lijnstuk AB is 1 −3 =− 1/4 (1)

9 −1

  • Beschrijven hoe de vergelijking − 3/(2x x) =− 1/4 exact kan worden

opgelost (1)

  • Een exacte berekening waaruit volgt x =³ 36 (dus mogelijke waarden zijn p = 36 en q =) 3 (1)

V is het gebied dat wordt begrensd door de horizontale lijn door A, de verticale lijn door B en de grafiek van f . In figuur 2 is V grijs weergegeven.

figuur 2
figuur 2

Als V wordt gewenteld om de x-as ontstaat een omwentelingslichaam.

Vraag 13 4 punten

Bereken algebraïsch de inhoud van dit omwentelingslichaam. Geef je eindantwoord als een geheel getal.

Bekijk het antwoord
  • De inhoud is π ∫³² 9 − ( f x ( ) )² d x (of π∫⁹(₃² − ( f x ( ) )²)_d_x₎ (1)

1 1 9 9

  • Dit is gelijk aan π ∫⁹⁻^9/x dx (of π∫ 9 − 9/x dx ) (1)

1 1

  • Een primitieve van 9 − 9/x is 9 x − 9ln( x) (1)
  • Het antwoord 164 (1)

of

  • Als de rechthoek met zijden AD en CD, met C en D de loodrechte projecties van B respectievelijk A op de x-as, om de x-as wordt gewenteld, is de inhoud van de cilinder π ⋅ 3² ⋅ = 8 72π (1)
  • Als het vlakdeel binnen deze rechthoek onder de grafiek van f om de 9 9 x-as wordt gewenteld is de inhoud π∫⁽ f x ( ) )² d x = π∫^9/x d x 1 1 9 (of π∫ 9/x dx ) (1)

1

  • Een primitieve van 9 x is 9ln( x) (1)
  • Het antwoord 164 (1)

Op de grafiek van f worden twee transformaties toegepast (dat kan op verschillende manieren). Het resultaat van deze twee transformaties is de grafiek van de functie g die door de punten A en C gaat, waarbij C de loodrechte projectie van B op de x-as is. In figuur 3 is deze situatie weergegeven.

figuur 3
figuur 3

Vraag 14 3 punten

Geef deze twee transformaties in de juiste volgorde.

Bekijk het antwoord
  • De translatie 1 naar beneden (1)
  • De vermenigvuldiging ten opzichte van de x-as met 1¹₂ (1)
  • De volgorde: eerst de translatie en dan de vermenigvuldiging (1)

of

  • Een mogelijke vorm van het functievoorschrift van g is g x ( ) = 3/(a/x) + b

met 3 a + b = 3 en a + b = 0 (1)

  • Dit geeft a = 1¹₂ en b =− 1 12 (1)
  • Dus eerst de vermenigvuldiging ten opzichte van de x-as met 1¹₂ en dan

de translatie 1¹₂ naar beneden (1)

of

  • Een mogelijke vorm van het functievoorschrift van g is g x ( ) = 3/ax + b

met 3 + b = 3 en 3 + b = 0 (1)

a 9 a

  • Dit geeft a = ₉⁴ en b =− 1 12 (1)
  • Dus een vermenigvuldiging ten opzichte van de y-as met⁹ ₄ en een translatie 1¹₂ naar beneden, waarbij de volgorde niet uitmaakt (1)

Opmerking

Als in de uitwerking volgens het eerste antwoordalternatief alleen de correcte translatie wordt genoemd, mag alleen het eerste scorepunt worden toegekend.

Twee cirkels

Gegeven is een cirkel c₁ met straal r₁ en middelpunt O. Lijn k raakt c₁ in een punt A met positieve coördinaten en snijdt de positieve x-as in punt M zo dat ∠ AMO = 30 °.

M is het middelpunt van een cirkel c₂ met straal r₂ , waarbij r₂ < r₁ . Lijn l gaat door O en raakt c₂ in punt B met positieve y-coördinaat. Zie figuur 1.

figuur 1
figuur 1

Lijn l snijdt c₁ in punt C en lijn k snijdt c₂ in punt D. Punt E is de loodrechte projectie van C op de x-as. Punt F is de loodrechte projectie van D op de x-as.

De driehoeken OBM en OEC zijn gelijkvormig. Er geldt: CE = DF =¹₂r₂ .

Vraag 15 4 punten

Bewijs dat inderdaad CE = DF =¹₂r₂ .

Bekijk het antwoord
  • DF = r₂ ⋅ sin(30 ) °=¹₂r ₂ (of driehoek DMF is een 1 − 2 − 3 driehoek, dus

DF =¹₂r ₂) (1)

  • Uit de gelijkvormigheid van de driehoeken OBM en OEC volgt OM = BM (1)

OC CE r₁

  • OM = = 2 r₁ (of driehoek OAM is een 1 − 2 − 3 driehoek, dus sin(30 °) OM = 2 r ₁) (1)
  • Invullen in OM = BM geeft 2r₁ = r₂ , dus CE =¹₂r ₂ (dus OC CE r₁ CE

CE = DF =¹₂r ₂) (1)

Neem in het vervolg van deze opgave ₁ r = 4 en M (8, 0) .

Omdat CE en DF even lang zijn, is EFDC een rechthoek. Zie figuur 2.

figuur 2
figuur 2

De oppervlakte van rechthoek EFDC hangt af van r₂ . Voor één waarde van r₂ is deze oppervlakte maximaal.

Vraag 16 5 punten

Bereken de maximale oppervlakte van rechthoek EFDC. Geef je eindantwoord in twee decimalen.

Bekijk het antwoord
  • In driehoek OEC is OC = 4 (en CE =¹₂r ₂), dus (1)
Antwoordfiguur bij vraag 16 (cv-p15-2-16.webp).

• (1)

• (1)

• (1)

  • Een toelichting waaruit volgt dat de gevraagde oppervlakte 2,56 is (1)

Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen vwo Wiskunde B 2026, tijdvak 2. Figuren en de exacte opmaak staan in het originele examen.

Andere examens wiskunde B vwo

Hoe ToetsChecker wiskunde B per vraagtype nakijkt, lees je op wiskunde B toetsen nakijken met AI.

Veelgestelde vragen

Hoeveel vragen heeft het eindexamen wiskunde B vwo 2026, tijdvak 2?

Het centraal examen wiskunde B vwo 2026, tijdvak 2 loopt tot vraag 16. Van 15 vragen staat het onderwerp in de vragenbank. De meeste vragen gaan over differentiëren (4), functies en grafieken (3) en integreren (2).

Wat zijn de antwoorden van het examen wiskunde B vwo 2026, tijdvak 2?

Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.

Waar vind ik het correctievoorschrift van wiskunde B vwo 2026, tijdvak 2?

Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2026/vwo/documenten/cse-2/vw-1025-a-26-2-c).

Hoe oefen ik met het examen wiskunde B vwo 2026, tijdvak 2 en krijg ik feedback?

Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.