Eindexamen wiskunde B vwo 2021, tijdvak 1: vragen en antwoorden

Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Parabool en twee lijnen, Goniometrische functies, Aardbevingen, Een vierkant en vier vectoren, Limiet van een verhouding, Gebroken functie met een parameter, Absolute natuurlijke logaritme.

Kort antwoord

Het centraal examen wiskunde B vwo 2021, tijdvak 1 loopt tot vraag 13. Van 12 vragen staat het onderwerp in de vragenbank. De meeste vragen gaan over integreren (2), goniometrische functies (2) en functies en grafieken (2). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.

Onderwerpen in dit examen

Onderwerp per vraag in het centraal examen wiskunde B vwo 2021, tijdvak 1, voor de vragen waarvan het onderwerp bekend is. Elke vraag is eenmalig door een AI-model bij een onderwerp ingedeeld; per vraag kan dat afwijken.
OnderwerpVragenAantal
Integreren1, 32
Goniometrische functies2, 42
Functies en grafieken7, 112
Vectoren8-92
Meetkunde met coördinaten61
Differentiëren101
Bewijzen121
Exponentiële en logaritmische functies131

Vergeleken met andere jaren

Vergeleken met de andere 17 examens wiskunde B vwo sinds 2018: dit examen vroeg meer over vectoren (17% van de vragen, gemiddeld 4%) en goniometrische functies (17% van de vragen, gemiddeld 10%). Minder over parameterkrommen (0% van de vragen, gemiddeld 10%).

Opgaven en correctievoorschrift

De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.

Oefenen als leerling

Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen wiskunde B vwo 2021, tijdvak 1 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.

Nakijken als docent

  1. Start gratis vanaf deze pagina

    Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen wiskunde B vwo 2021, tijdvak 1 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.

  2. Laat de klas het examen maken

    Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.

  3. Geef de resultaten vrij

    Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.

ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.

Vragen en antwoorden

Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen wiskunde B vwo 2021, tijdvak 1. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.

Parabool en twee lijnen

De functie f wordt gegeven door f ( x) = x

  • x 2 .

( ) Het punt T 12 , 14 is de top van de grafiek van f. De lijn l is de raaklijn aan de grafiek van f in de oorsprong. De lijn m staat loodrecht op lijn l en gaat door T. V is het vlakdeel dat wordt ingesloten door lijn m en de grafiek van f. Zie de figuur.

figuur

Vraag 1 8 punten

Bereken exact de oppervlakte van V.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • • f ' ( x) = 1 − 2 x , dus rcl = f ' (0) = 1 (1) • ( rcl · rc m = −1 , dus) rcm = −1 (1) • ( 12 , 14 ) invullen in y = − x + b geeft voor m de vergelijking y = − x + 34 (1) • Uit − x + 34 = x − x 2 volgt x 2 − 2 x + 34 = 0 (1) • Exact oplossen geeft x = 1 12 ( x = 12 geeft T ) (1) 1 (1) ( ( x − x ) − ( − x + ) ) dx 2 • De oppervlakte van V is gelijk aan ∫ 2 (3) 4 1 1 2 • Een primitieve van − x 2 + 2 x − 34 is − 13 x3 + x 2 − 34 x (1) • Invullen van de grenzen geeft: de oppervlakte van V is 16 (1) (8)

Goniometrische functies

De functies f en g worden voor 0 ≤ x ≤ 2π gegeven door: f ( x) = 2sin( x)

  • sin(2 x) g ( x) = sin(2 x) De grafieken van f en g hebben vijf gemeenschappelijke punten. Drie van deze punten liggen op de x-as. De andere twee punten zijn P en Q. Zie figuur 1.

[figuur 1: zie het originele examen]

Vraag 2 4 punten

Bereken exact de x-coördinaten van P en Q.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • 2sin( x) − sin(2 x) = sin(2 x) herleiden tot sin( x) = sin(2 x) (1)
  • Dit geeft x = 2 x + k · 2π (met k geheel) of x = π − 2 x + k · 2π (met k geheel) (1)
  • Hieruit volgt x = k · 2π (met k geheel) of x = 13 π + k · 23 π (met k geheel) (1)
  • De x-coördinaten van P en Q zijn x = 13 π en x = 1 23 π (de andere oplossingen geven punten op de x-as) (1)

De grafiek van g wordt 1 omhoog geschoven. Zo ontstaat de grafiek van de functie h. Zie figuur 2. V is het gebied dat wordt ingesloten door de grafieken van f en h. In figuur 2 is dit gebied grijs gemaakt.

[figuur 2: zie het originele examen]

De grafieken van f en h snijden elkaar in twee punten. De x-coördinaten van deze twee punten zijn afgerond 1,33 en 2,97.

Vraag 3 5 punten

Bereken de oppervlakte van V met behulp van primitiveren. Geef je eindantwoord in één decimaal.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Opmerking Voor het derde antwoordelement mag voor een niet volledig juist antwoord

1 scorepunt worden toegekend.

De functie k wordt gegeven door k ( x) = 12 tan( x) . Zie figuur 3, waarin de grafieken van k en f zijn weergegeven.

[figuur 3: zie het originele examen]

De grafiek van k raakt de grafiek van f in een punt met x-coördinaat 13 π .

Vraag 4 4 punten

Bewijs dat voor x = 13 π de grafieken van k en f elkaar inderdaad raken.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • f ( 13 π ) = 12 3 en k ( 13 π ) = 12 3 (en zijn dus gelijk) (1)
  • f ' ( x) = 2 cos( x) − 2 cos(2 x) (1)
  • k ' ( x) = (of een gelijkwaardige uitdrukking) (1)
  • f ' ( 13 π ) = 2 en k ' ( 13 π ) = 2 (en zijn dus gelijk) (dus de grafiek van k raakt de grafiek van f in een punt met x-coördinaat 13 π ) (1)

Aardbevingen

Een aardbeving ontstaat op een plek in de aarde. Het punt recht boven die plek, op het aardoppervlak, heet het epicentrum van die aardbeving. We bekijken in deze opgave een model over aardbevingen, waarbij we ervan uitgaan dat de aardbeving in het epicentrum ontstaat.

Bij een aardbeving ontstaan verschillende typen golven in de aarde: primaire golven en secundaire golven. Primaire golven zijn sneller dan secundaire golven. We nemen in deze opgave aan dat een primaire golf een constante snelheid van 6 km/s heeft en een secundaire golf een constante snelheid van 3,5 km/s.

Een seismograaf is een meetinstrument waarmee je primaire en secundaire golven van elkaar kunt onderscheiden. Bij een bepaalde aardbeving registreert een seismograaf in een meetstation dat de eerste secundaire golf 17 seconden na de eerste primaire golf bij het meetstation aankomt. Met deze gegevens kun je de afstand d (in km) van de seismograaf tot het epicentrum van de aardbeving bepalen.

Vraag 5 4 punten

Bereken deze afstand d.

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

  • De tijd die de primaire golf nodig heeft is d6 (seconden) (1p)
  • d (seconden) De tijd die de secundaire golf nodig heeft is 3,5 (1p)

Om de plaats van het epicentrum te bepalen worden de meetgegevens van verschillende meetstations gecombineerd. In een bepaald gebied staan twee meetstations: S en T. Meetstation T ligt 192 km oostelijker en

128 km noordelijker dan meetstation S. Uit de metingen in meetstation S volgt dat het epicentrum van de aardbeving op een afstand van 240 km van dit meetstation S ligt. Uit de metingen in meetstation T volgt dat het epicentrum op 80 km van dit meetstation T ligt. Op grond van deze gegevens zijn er twee mogelijke plaatsen van het epicentrum aan te wijzen. Om deze plaatsen te bepalen worden de meetstations in een assenstelsel geplaatst, waarbij meetstation S in de oorsprong ligt. De coördinaten van meetstation T zijn dan (192, 128). Zie de figuur.

figuur

Vraag 6 6 punten

Bereken algebraïsch de coördinaten van de twee mogelijke plaatsen van het epicentrum in kilometers. Geef de coördinaten in je eindantwoord als gehele getallen.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

  • ST = 1922 + 1282 = 230, 75... (1p)
  • Voor de hellingshoek α van ST geldt tan(α) = 192 128 , waaruit volgt α = 33, 69...(°) (1p)
  • Toepassen van de cosinusregel in driehoek STE (met E de plaats van het epicentrum) geeft 802 = 2402 + 230, 75...2
    • 2 · 240 · 230, 75... · cos(∠EST ) (1)
  • Algebraïsch oplossen geeft ∠EST = 19, 44...(°) (1p)
  • De hellingshoek van SE is dus gelijk aan 33, 69... + 19, 44... = 53,13...(°) of gelijk aan 33, 69...
    • 19, 44... = 14, 25...(°) (1)
  • Dit geeft voor E (240 · cos(53,13...), 240 · sin(53,13...)) en (240 · cos(14, 25...), 240 · sin(14, 25...)) , dus de gevraagde coördinaten zijn (144, 192) en (233, 59) (1p)

of

  • Dit geeft x 2
    • 2 ·192 · x + 1922 + 2402
    • x 2
    • 2 ·128 · 2402
    • x 2 + 1282 = 802 en hieruit volgt
    • 256 240 2
    • x 2 = 384 x
    • 104 448 (1)

De zwaarte van een aardbeving wordt uitgedrukt in een getal: de magnitude. Een zware aardbeving heeft een grote magnitude, een lichte aardbeving heeft een kleine magnitude. De United States Geological Survey heeft voor verschillende magnitudes onderzocht hoe vaak aardbevingen met die magnitude in een bepaald gebied voorkwamen. Zie de tabel.

tabel gemiddeld aantal magnitude aardbevingen per jaar 6,0

  • 6,4 210 6,5
  • 6,9 56 7,0
  • 7,4 15 7,5
  • 7,9 3,1 8,0
  • 8,4 1,1 8,5
  • 8,9 0,3

De onderzoekers Gutenberg en Richter hebben een model ontwikkeld om het aantal aardbevingen per jaar in een gebied te voorspellen. Dit model is van de vorm:

N = 10a−bM Hierin is M de magnitude en N het te verwachten aantal aardbevingen per jaar met deze magnitude M of groter. De waarden a en b zijn constanten.

Uit de tabel kun je afleiden dat er gemiddeld 285,5 aardbevingen per jaar zijn met een magnitude van 6,0 of groter. Ook kun je afleiden dat er gemiddeld 4,5 aardbevingen per jaar zijn met een magnitude van 7,5 of groter. Met behulp van deze twee gegevens is het mogelijk de waarden van a en b uit te rekenen. Vervolgens kun je met dat model een voorspelling doen van het aantal aardbevingen per jaar met een magnitude van 6,5 of groter.

Vraag 7 6 punten

Onderzoek hoeveel die voorspelling afwijkt van de gegevens in de tabel. Geef je eindantwoord als geheel getal.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Opmerking Als doorgerekend wordt met waarden van a en b die zijn afgerond op twee decimalen (resulterend in het eindantwoord (-)1) of meer dan twee decimalen, hiervoor geen scorepunten in mindering brengen.

Een vierkant en vier vectoren

Gegeven is het vierkant OABC met hoekpunten O (0, 0) , A (1, 0) , B (1, 1) en C (0, 1) . Verder zijn gegeven het punt P ( p, 0) en het punt Q ( , 0) , 1 p met 0 < p < 1 . υυυρ υυυρ υυυρ In figuur 1 zijn de vectoren CP , CA en CQ voor een willekeurige waarde van p weergegeven.

[figuur 1: zie het originele examen]

υυυρ

Vraag 8 6 punten

Bewijs dat voor elke waarde van p de hoek tussen de vectoren CP en υυυρ υυυρ υυυρ CA gelijk is aan de hoek tussen de vectoren CA en CQ .

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • υυυρ p υυυρ 1 • CP = en CA = (1) −1 −1 p 1 · −1 −1 • cos ( ∠PCA ) = (1) p 1 · − 1 −1 p +1 • Dit is gelijk aan (1) p2 + 1 · 2 υυυρ 1p • ( CQ = dus) (p vervangen door 1p geeft) −1 1 +1 cos ( ∠ACQ ) = p 1 ( ) 2 1 p +1 · 2 1 +1 p • Teller en noemer van vermenigvuldigen met p geeft ( ) +1 · 2 2 1 p 1+ p 1 ( ) +1 · 2 2 2 p · (1) p 1+ p • Dit is gelijk aan , (dus cos ( ∠ACQ ) = cos ( ∠PCA) ,) dus (in 1 + p2 · 2 υυυρ deze situatie) ∠ACQ = ∠PCA (dus de hoek tussen de vectoren CP en υυυρ υυυρ υυυρ CA is gelijk aan de hoek tussen de vectoren CA en CQ ) (1) of υυυρ p υυυρ 1 • CP = en CA = (1) −1 −1 p 1 · −1 −1 • cos ( ∠PCA ) = (1) p 1 · − 1 −1 p +1 • Dit is gelijk aan (1) p2 + 1 · 2 υυυρ 1p • ( CQ = dus) (p vervangen door 1p geeft) −1 1 +1 cos ( ∠ACQ ) = p 1 ( ) 2 1 p +1 · 2 • Gelijkstellen van beide uitdrukkingen en vervolgens kruislings vermenigvuldigen geeft (dat bewezen moet worden:) ( ) ( ) (1) 2 (2) p 2 1p + 1 + 1p + 1 = (2) p2 + 1 + p2 + 1 (1) p 1 (1) • Dit geeft 1 + p2 + (2) +1 = 1+ (2) + p 2 + 1 , (en dit is inderdaad aan p p elkaar gelijk, dus cos ( ∠ACQ ) = cos ( ∠PCA) ,) dus (in deze situatie) υυυρ υυυρ ∠ACQ = ∠PCA (dus de hoek tussen de vectoren CP en CA is gelijk υυυρ υυυρ aan de hoek tussen de vectoren CA en CQ ) (1) of −1 • De richtingscoëfficiënt van de lijn door C en Q is (1) = −p (1) p • Het snijpunt R van de lijn door C en Q en lijnstuk AB heeft dus y-coördinaat 1− p (1) • PA = 1 − p , dus PA = RA (1) • ∠PAC = ∠RAC (= 45°) (want AC is een diagonaal van een vierkant) (1) • Ook geldt CA = CA , dus ΔCAP is gelijkvormig met ΔCAR (1) • Uit deze gelijkvormigheid volgt dat ∠ACQ = (∠ACR =) ∠ACP (dus de υυυρ υυυρ hoek tussen de vectoren CP en CA is gelijk aan de hoek tussen de υυυρ υυυρ vectoren CA en CQ ) (1) of OC 1 • = (1) OP p 1 OQ p 1 • = = (1) OC 1 p • Ook geldt ∠POC = ∠COQ , dus ΔOPC is gelijkvormig met ΔOCQ (1) • ∠OQC = ∠BCQ (Z-hoeken), dus ∠OCP = ∠OQC = ∠BCQ (1) • ∠ ACP = 45 ° − ∠ OCP en ∠QCA = 45° − ∠BCQ (1) υυυρ υυυρ • Dus ∠ACP = ∠QCA (dus de hoek tussen d (6)

M is hetυυυυ midden van lijnstuk PB. Zie figuur 2, waarin ook lijnstuk PB en ρ vector QM zijn getekend.

[figuur 2: zie het originele examen]

υυυυρ In figuur 2 is p zo gekozen dat vector QM loodrecht staat op lijnstuk PB.

Vraag 9 7 punten

Bereken deze waarde van p. Geef je eindantwoord in twee decimalen.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

  • De richtingscoëfficiënt van de lijn door P en B is (1) 1− p
  • De richtingscoëfficiënt van de lijn door M loodrecht op PB is p
    • 1 (1)
  • Hieruit volgt dat een vergelijking van de lijn door M loodrecht op PB is y = ( p
    • 1) x
    • 12 p 2 + 1 (1)
  • Deze lijn gaat door Q als 0 = ( p
    • 1) · 1p
    • 12 p 2 + 1 (1)
  • In dit geval is de lijn door M en Q de middelloodlijn van lijnstuk PB (2p)
  • Een vergelijking van een normaalvector van PB is (1
    • p ) x + y = c (1)
  • ( ) Invullen van Q 1p , 0 geeft voor de normaalvector door Q dat (1
    • p ) · 1p = c (1)
  • De normaalvector moet door M gaan, dus er moet gelden (1
    • p ) · ( 12 p + 12 ) + 12 = (1
    • p ) · 1p (en deze vergelijking moet worden opgelost) (1)

Opmerking In het derde antwoordalternatief mogen voor het eerste antwoordelement uitsluitend 0 of 2 scorepunten worden toegekend.

Limiet van een verhouding

De beweging van een punt P wordt beschreven door de volgende bewegingsvergelijkingen: x(t ) = t 2 2 y (t ) = t

  • 2t Gegeven is de lijn met vergelijking x = a , waarbij a > 0 . Deze lijn snijdt de x-as in punt Q en de baan van P in de punten R en S, waarbij de y-coördinaat van S groter is dan de y-coördinaat van R. Zie de figuur.

figuur

QR Als a onbegrensd toeneemt, nadert de verhouding tot een limiet. QS

Vraag 10 4 punten

Bereken exact deze limiet.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • t 2 = a geeft t = − a of t = a (1)
  • ( ) yS = y − a = a + 2 a en y R = y ( a)= a−2 a (1)
  • = = (1)
  • ( nadert naar 0 als a onbegrensd toeneemt, dus) de limiet is 1 a 1− 2 a (of lim = 1) (1)

Gebroken functie met een parameter

Voor p > 0 wordt de functie f p gegeven door:

x3 + 4 p f p ( x) = x2 In de figuur is de grafiek van f1 weergegeven.

figuur

De grafiek van f1 heeft een scheve asymptoot.

Vraag 11 3 punten

Bewijs dat de grafiek van f1 boven deze scheve asymptoot ligt.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • f1 ( x) = x + (1)
  • (Als x onbegrensd toeneemt, nadert tot 0, dus) de vergelijking van x2 de scheve asymptoot is y = x (1)
  • Omdat ( 4 > 0 en) x 2 > 0 , geldt x + > x (dus ligt de grafiek van f1 x2 boven de scheve asymptoot) (1)

Voor elke waarde van p > 0 heeft de grafiek van f p één top.

Vraag 12 5 punten

Bewijs dat er een lijn is waarop al deze toppen liggen.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

  • Er geldt f p' ( x) = ( ) x 2 · 3x 2
    • x3 + 4 p · 2 x 1 ( ) 2 x2

8p x 4

  • 8 px
  • Dus de y-coördinaat van de top is (2) = 1 12 x (dus de toppen liggen op x de lijn met vergelijking y = 1 12 x ) (1p)

of

4p

  • (Voor elke waarde van p > 0 geldt) (1) = 1 12 (of 3 p 3 = 1 12 · 2 p 3 ) (dus

2 p3 de toppen liggen op de lijn met vergelijking y = 1 12 x ) (1)

Absolute natuurlijke logaritme

De functie f wordt gegeven door f ( x) = ln( x) . Gegeven is verder de horizontale lijn met vergelijking y = q , met q > 0 . Deze lijn snijdt de y-as in het punt A en de grafiek van f in de punten B en C met xB < xC . Zie de figuur.

figuur

Er is een waarde van q waarvoor de lengte van lijnstuk BC drie keer zo groot is als de lengte van lijnstuk AB.

Vraag 13 6 punten

Bereken exact deze waarde van q.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

  • Er moet gelden ( xC
    • xB = 3 · xB , dus) xC = 4 · xB (1)
  • De vergelijking ln(b) = ln(4b) moet worden opgelost, waarbij b de x-coördinaat van B is (1p)
  • Dit geeft b = 12 ( b =
    • 12 voldoet niet), dus q = ln(2) (of een gelijkwaardige uitdrukking) (1)

Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen vwo Wiskunde B 2021, tijdvak 1. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2021/vwo/documenten/cse-1/vw-1025-a-21-1-o

Andere examens wiskunde B vwo

Hoe ToetsChecker wiskunde B per vraagtype nakijkt, lees je op wiskunde B toetsen nakijken met AI.

Veelgestelde vragen

Hoeveel vragen heeft het eindexamen wiskunde B vwo 2021, tijdvak 1?

Het centraal examen wiskunde B vwo 2021, tijdvak 1 loopt tot vraag 13. Van 12 vragen staat het onderwerp in de vragenbank. De meeste vragen gaan over integreren (2), goniometrische functies (2) en functies en grafieken (2).

Wat zijn de antwoorden van het examen wiskunde B vwo 2021, tijdvak 1?

Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.

Waar vind ik het correctievoorschrift van wiskunde B vwo 2021, tijdvak 1?

Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2021/vwo/documenten/cse-1/vw-1025-a-21-1-c).

Hoe oefen ik met het examen wiskunde B vwo 2021, tijdvak 1 en krijg ik feedback?

Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.