Eindexamen wiskunde B vwo 2019, tijdvak 2: vragen en antwoorden

Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Minimale lengte, Bewegend punt, Raaklijn in knikpunt, Optimale snijsnelheid, Oppervlakte onder een sinusgrafiek, Horizontale en verticale asymptoot, Wind aan zee, Twee logaritmische functies, Parabool en cirkel met variabele straal.

Kort antwoord

Het centraal examen wiskunde B vwo 2019, tijdvak 2 telt 17 vragen. De meeste vragen gaan over differentiëren (4), vectoren (3) en vergelijkingen en ongelijkheden (3). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.

Onderwerpen in dit examen

Onderwerp per vraag in het centraal examen wiskunde B vwo 2019, tijdvak 2. Elke vraag is eenmalig door een AI-model bij een onderwerp ingedeeld; per vraag kan dat afwijken.
OnderwerpVragenAantal
Differentiëren1, 4, 7, 154
Vectoren3, 11-123
Vergelijkingen en ongelijkheden5, 16-173
Exponentiële en logaritmische functies13-142
Parameterkrommen21
Functies en grafieken61
Integreren81
Goniometrische functies91
Bewijzen101

Vergeleken met andere jaren

Vergeleken met de andere 17 examens wiskunde B vwo sinds 2018: dit examen vroeg meer over vergelijkingen en ongelijkheden (18% van de vragen, gemiddeld 3%) en vectoren (18% van de vragen, gemiddeld 4%). Minder over meetkunde met coördinaten (0% van de vragen, gemiddeld 14%) en functies en grafieken (6% van de vragen, gemiddeld 15%).

Opgaven en correctievoorschrift

De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.

Oefenen als leerling

Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen wiskunde B vwo 2019, tijdvak 2 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.

Nakijken als docent

  1. Start gratis vanaf deze pagina

    Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen wiskunde B vwo 2019, tijdvak 2 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.

  2. Laat de klas het examen maken

    Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.

  3. Geef de resultaten vrij

    Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.

ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.

Vragen en antwoorden

Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen wiskunde B vwo 2019, tijdvak 2. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.

Minimale lengte

De functie f wordt gegeven door f ( x) = x( x

  • 3) 2 + 2 . Op de grafiek van f ligt het punt P. Verder is gegeven het punt A (7, 0) . Zie de figuur.

De lengte van lijnstuk AP hangt af van de positie van P. In de figuur is P zó gekozen dat de lengte van lijnstuk AP minimaal is.

figuur y

f

P

A O x

Vraag 1 4 punten

Bereken deze minimale lengte. Geef je eindantwoord in twee decimalen.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • ∆x = 7 − p en ∆y =f ( p ) , waarbij p de x-coördinaat van P is (1)
  • AP = (7 − p ) 2 + ( f ( p )) 2 (of AP 2 =(7 − p ) 2 + ( f ( p )) 2 ) (1)
  • Beschrijven hoe het minimum hiervan (met de GR) bepaald kan worden (1)
  • De minimale lengte van AP is 4,35 (1)

Bewegend punt

De beweging van een punt P wordt beschreven door de volgende bewegingsvergelijkingen: x(t ) = cos(2t )

  • sin(2t ) met 0 ≤ t ≤ 2π y (t ) = sin(2t )
  • sin(t )

Op verschillende tijdstippen figuur 1 bevindt P zich op de x-as. Op y een van die tijdstippen bevindt P zich links van de y-as. Zie figuur 1, waarin de positie van P op dit tijdstip is aangegeven.

Vraag 2 4 punten

Bereken exact de x-coördinaat van P op dit tijdstip.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • y = 0 geeft sin(2t ) = sin(t ) (1)
  • Hieruit volgt 2t = t + k ⋅ 2π (met k geheel) of 2t = π − t + k ⋅ 2π (met k geheel) (1)
  • Dit geeft t = 0 , t= 13 π , t = π , = t 1 23 π en t = 2π (1)
  • x ( 13 π ) =− 12 − 12 3 (1)

P O x

Op de tijdstippen t = 0 en t = π figuur 2 bevindt P zich in hetzelfde punt. y Dit punt is met een stip aangegeven in figuur 2. Ook zijn de snelheidsvector van P op tijdstip t = 0 en de snelheidsvector van P op tijdstip t = π aangegeven.

P O x

Vraag 3 6 punten

Bereken algebraïsch de hoek in graden tussen deze twee snelheidsvectoren. Geef je eindantwoord in één decimaal.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

  • t = 0 en t = π invullen geeft de richtingscoëfficiënten van de raaklijnen aan de baan:
    • 12 en
    • 32 (1)
  • De richtingshoeken zijn −26,56...° en −56,30...° (of: de hoeken die de raaklijnen met de x-as maken, zijn 26,56...° en 56,30...° ) (1p)

Raaklijn in knikpunt

De functie f wordt gegeven door: f ( x) = x

  • 2 · ( 12 x + 2 ) + 1

De grafiek van f heeft een knik in het punt A. Dit punt verdeelt de grafiek in twee delen. De lijn l is de raaklijn in A aan het linkerdeel van de grafiek. Zie de figuur.

figuur y

f

A O x

l

Vraag 4 5 punten

Stel op exacte wijze een vergelijking van lijn l op.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerkingen

  • Als de kandidaat het functievoorschrift f ( x) = ( x
  • 2) ⋅ ( 12 x + 2 ) + 1 hanteert, voor deze vraag maximaal 3 scorepunten toekennen.
  • Voor de notatie f ' (2) = −3 in plaats van lim f ' ( x) = −3 geen x↑ 2 scorepunten in mindering brengen.

Optimale snijsnelheid

In de metaalindustrie worden met een boormachine gaten in harde materialen geboord. Zie de foto. foto

De levensduur van een boor is afhankelijk van de (snij)snelheid: dit is de snelheid waarmee de buitenkant van de boor door het metaal snijdt. Bij een hoge snelheid zal de boor snel slijten waardoor de levensduur kort is.

Rond 1900 stelde F.W. Taylor het volgende verband vast: V ·T m = C Hierin is:

V de (snij)snelheid van de boor (in meter per minuut (m/min)) (V ligt vaak tussen de 5 en 150 m/min),

T de levensduur (in minuten),

m een constante die afhangt van het materiaal waarvan de boor is gemaakt,

C een constante die afhangt van het materiaal waarin wordt geboord.

De waarden van m en C worden experimenteel bepaald. De resultaten van een meting in een bepaalde situatie zijn:

  • Bij een snelheid van 20 m/min is de levensduur 116 minuten.
  • Bij een snelheid van 30 m/min is de levensduur 40 minuten.

Vraag 5 4 punten

Bereken algebraïsch de waarden van m en C in deze situatie. Geef m in twee decimalen en C als geheel getal.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • De vergelijking 20 ⋅116m = 30 ⋅ 40m (1)
  • Herleiden tot 2,9m = 1,5 (1)
  • geeft m Dit= log(1,5) 0,380... , dus m ≈ 0,38 = (1)
  • = 20 ⋅1160,380... geeft C ≈ 122 C (1)

In een fabriek boort één boormachine 24 uur per dag dezelfde soort gaten. Het is belangrijk de snelheid van de boor goed in te stellen: een hoge snelheid betekent dat het boren van een gat minder tijd kost. Maar daar staat tegenover dat de boor sneller vervangen moet worden. Men wil berekenen bij welke snelheid V het aantal geboorde gaten A per

24 uur maximaal is.

Om A uit te kunnen drukken in V doen we de volgende aannames: a Het aantal gaten N dat in één minuut geboord kan worden, is recht evenredig met de snelheid V van de boor. Bij een snelheid van

20 m/min boort deze boor 6 gaten in één minuut. b Met behulp van de formule van Taylor is te berekenen na hoeveel minuten boren de boor vervangen moet worden. Voor het boorproces in deze fabriek geldt C = 150 en m = 0, 25 , dus V · T 0,25 = 150 . c Het vervangen van een boor kost telkens 2 minuten. De boormachine is dus maar een deel van de tijd bezig met boren. Voor dit deel d geldt: d = TT+ 2 d Voor het aantal geboorde gaten A per 24 uur geldt: A = 1440 · N · d

Met de aannames a, b, c en d kun je voor A de volgende formule opstellen: 432V A= 2 4 ·V 4 + 1 150

Vraag 6 5 punten

Leid deze formule voor A af uit de aannames a, b, c en d.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • • N = 0,3V (1) 4  150  • Uit V ⋅ T 0,25 = 150 volgt T =   (1)  V  4  150  1504 T   1504 •=d =  V =  V= 4 1 T + 2  150 4 1504 1504 + 2V 4   +2 +2  V  V4 1 • Dit is gelijk aan (1) 2 4 ⋅V 4 + 1 150 432V • Dus A = 1440 ⋅ 0,3V ⋅ d= 432V ⋅ d= (1) 2 4 ⋅V 4 + 1 150 (5)

In de figuur is de grafiek van A weergegeven voor 5 ≤ V ≤ 150 .

figuur

30 000 A

20 000

10 000

O 50 100 150 V

Uit de grafiek blijkt dat er een snelheid is waarbij het aantal geboorde gaten per 24 uur maximaal is.

Vraag 7 5 punten

Bereken algebraïsch deze snelheid in m/min. Geef je eindantwoord in één decimaal.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • 8 • De afgeleide van de noemer van de formule voor A is (4) ⋅ V 3 (of 150 0, 0000000158... ⋅ V 3 ) (1) • ( (4) ) dA 432 ⋅ 0, 00000000395... ⋅ V + 1 − 432V ⋅ 0, 0000000158... ⋅ V = 3 1 ( ) 2 dV 0, 00000000395... ⋅ V 4 + 1 dA • = 0 geeft 0, 00000170... ⋅ V 4 + 432 − 0, 00000682... ⋅ V 4 = 0 (1) dV −432 • Dus −0, 00000512 ⋅ V 4 + 432 = 0 , dus V 4 = ( = 84 375 000 ) (1) −0, 00000512 • Dit geeft V ( = 4 84 375 000 ) ≈ 95,8 ( V ≈ −95,8 voldoet niet) (dus de gevraagde snelheid is 95,8 (m/min)) (1) (5)

Oppervlakte onder een sinusgrafiek

De functie f met domein [0, π] wordt gegeven door f ( x ) = 2sin( x ) .

We bekijken het gebied dat begrensd wordt door de grafiek van f, de x-as, de lijn met vergelijking x = p en de lijn met vergelijking x = π

  • p . Hierin is

0 < p < 12 π . In figuur 1 is dit gebied grijs. De oppervlakte van het gebied is A( p ) .

[figuur 1: zie het originele examen] y 2 f

1

O p π−p π x

Er geldt: A( p ) = 4cos( p ) .

Vraag 8 4 punten

Bewijs dat deze formule voor A( p ) juist is.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

  • A( p )= 2 ⋅ ∫ 2sin( x) dx (vanwege de symmetrie van f ) (2) p

Opmerking Voor het eerste antwoordelement van het tweede antwoordalternatief mogen uitsluitend 0 of 2 scorepunten worden toegekend.

De lijn met vergelijking x = p snijdt de grafiek van f in het punt P. De lijn met vergelijking x = π

  • p snijdt de grafiek van f in het punt Q. De horizontale lijn door P en Q verdeelt het grijze gebied in twee delen. Het deel boven deze lijn is V, het deel onder deze lijn is W. Zie figuur 2.

[figuur 2: zie het originele examen] y 2 f V P Q

1 W

O p π−p π x

Er is één waarde van p waarvoor de oppervlakten van V en W aan elkaar gelijk zijn.

Vraag 9 4 punten

Bereken deze waarde van p. Geef je eindantwoord in twee decimalen.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • De oppervlakte van W is gelijk aan (π − 2 p ) ⋅ 2sin( p ) (1)
  • De oppervlakte van W moet gelijk zijn aan 12 A( p ) (1)
  • Beschrijven hoe de vergelijking (π − 2 p ) ⋅ 2sin( p ) = 1 ⋅ 4 cos( p ) kan 2 worden opgelost (1)
  • Dit geeft p ≈ 0, 41 ( p= 1 π voldoet niet) (1)

Horizontale en verticale asymptoot

De functie f wordt gegeven door: e 2 x

  • 1000 f ( x) = e x
  • 10 De grafiek van f heeft een horizontale asymptoot en een verticale asymptoot. In de figuur is de grafiek van f met de beide asymptoten weergegeven. De twee asymptoten snijden elkaar in het punt B. Het punt A is het snijpunt van de horizontale asymptoot en de y-as. Het punt C is het snijpunt van de horizontale asymptoot en de grafiek van f.

figuur y

f

A B C

O x

Vraag 10 7 punten

Bewijs dat B het midden is van lijnstuk AC.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

  • Als x onbegrensd afneemt, dan naderen e x en e2 x naar 0 (1p)

0

  • 1000
  • Voor x = 12 ln(100) is de noemer van f ( x) gelijk aan e 2 ln (100p)
    • 10 = eln(10)
    • 10 1 = 0 , dus de verticale asymptoot gaat door het midden van AC (en de y-coördinaten van A, B en C zijn gelijk) (dus B is het midden van lijnstuk AC) (1)

Wind aan zee

Wind heeft een richting en een snelheid. Daarom kan wind als een vector worden weergegeven. In de figuren bij deze opgave wordt een wind met een snelheid van 1 m/s weergegeven als een vector van 1 cm.

Op een warme zomerdag worden aan de kust de windrichting en de windsnelheid door twee processen bepaald:

  • de luchtstroming van een gebied met hoge luchtdruk naar een gebied ρ met lage luchtdruk: dit is wind wd .
  • de luchtstroming die ontstaat doordat de temperatuur boven zee ρ anders is dan boven land: dit is wind wz . We gaan er in deze opgave van uit dat deze wind loodrecht op de kustlijn staat en richting het land waait. ρ In figuur 1 is een voorbeeldsituatie getekend waarbij wind wd in westelijke richting waait.

[figuur 1: zie het originele examen] N

W O jn stli

Z zee ku

land

wd O

wz zee wr land

ρ De resulterende wind wr is de wind zoals die wordt ervaren door iemand ρ ρ ρ die zich aan de kust in punt O bevindt. Er geldt: wr = wz + wd .

Op de uitwerkbijlage is een deel van een kust getekend. Er geldt: ρ

  • De wind wz waait met een snelheid van 4 m/s landinwaarts. ρ
  • De wind wd waait met een snelheid van 6 m/s. ρ
  • De resulterende wind wr waait evenwijdig met de kustlijn.

Op basis van bovenstaande drie gegevens zijn er twee mogelijkheden ρ voor wd . ρ

Vraag 11 4 punten

Teken op de uitwerkbijlage deze twee vectoren wd . Neem daarbij punt O ρ als beginpunt van wd . Licht je aanpak toe.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerkingen ρ

  • Als het eindpunt van minstens één getekende vector wd meer dan 2 mm ρ afwijkt van het juiste eindpunt van de betreffende vector wd , voor deze vraag maximaal 3 scorepunten toekennen.
  • Als de kandidaat werkt volgens het eerste antwoordalternatief en ρ daarbij de eindpunten van vector wr bepaalt zonder gebruik te maken van een cirkel, hiervoor geen scorepunten in mindering brengen.
  • Als slechts één situatie is getekend, voor deze vraag maximaal 3 scorepunten toekennen.
  • Voor het eerste antwoordelement van het eerste antwoordalternatief mogen uitsluitend 0 of 2 scorepunten worden toegekend.

Op een plek langs de Nederlandse kust (in figuur 2 het punt O) maakt de kustlijn een hoek van 30° met het noorden. Op zekere dag waait de ρ wind wd met een snelheid van 5 m/s in zuidwestelijke richting. De ρ wind wz heeft een snelheid van 3 m/s en staat loodrecht op de kustlijn. In figuur 2 zijn de lijn noord-zuid en de lijn oost-west de assen van het ρ assenstelsel. De lijn door O waar vector wd op ligt, is gestippeld getekend; die maakt dus een hoek van 45° met het noorden. Figuur 2 staat ook op de uitwerkbijlage.

[figuur 2: zie het originele examen] N

W O

n tlij Z

kus 45º zee 30º

90º O

wz wd

wr land

Vraag 12 5 punten

Bereken algebraïsch de snelheid in m/s van de resulterende wind. Geef je eindantwoord in één decimaal. Je kunt bij deze vraag de uitwerkbijlage gebruiken.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

  • wz =   (=  ) (1)  −3sin(30°)   −1,5  ρ  −5cos(45°)   −3,53... 
  • wd =   (=  ) (1)  −5sin(45°)   −3,53...  ρ  −0,93... 
  • Gebruikmaken van de driehoek die ontstaat door vector wd te laten ρ aangrijpen in het eindpunt van vector wz (1p)
  • De hoek tussen de zijde met lengte 3 en de zijde met lengte 5 is 75° (2) ρ 2
  • De cosinusregel geeft wr = 32 + 52
    • 2 ⋅ 3 ⋅ 5 ⋅ cos(75°) (1) ρ

Opmerking Voor het tweede antwoordelement van het tweede antwoordalternatief mag voor een niet volledig juist antwoord 1 scorepunt worden toegekend.

Twee logaritmische functies

De functies f en g worden gegeven door:

f ( x) = log ( x ) en ( ) g ( x) = log x x

  • 1 De lijn met vergelijking y = q snijdt de grafiek van f in het punt A en de grafiek van g in het punt B. Zie figuur 1.

[figuur 1: zie het originele examen] y

y=q A B

O x f g

Er zijn waarden van q waarvoor A links van B ligt en de lengte van lijnstuk AB gelijk is aan 3.

Vraag 13 4 punten

Bereken deze waarden van q. Geef je eindantwoorden in twee decimalen.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

B ) xB

  • 1 =q , dus

x x = 10 , dus x = (10 ) 2 q +1 q +1 (3)

Het snijpunt van de twee grafieken ligt bij x = 10 . Gegeven is p > 10 . De lijn met vergelijking x = p ligt dan rechts van het snijpunt van de twee grafieken. De lijn met vergelijking x = p snijdt de grafiek van f in het punt C, de grafiek van g in het punt D en de x-as in het punt E. Doordat p > 10 , ligt D boven C. Zie figuur 2.

[figuur 2: zie het originele examen] y

x=p

D

C

O 10 E x f g

De verhouding tussen de lengte van lijnstuk CD en de lengte van lijnstuk CE hangt af van p. Er geldt: CD 2log( p )

  • 2 = CE log( p )

CD

Vraag 14 3 punten

Bewijs dat deze formule voor juist is. CE

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • ( CD log p p − 1 − log = ) ( p) (1)
  • = = 1 log( p ) 1 log( p ) 1 CE 2 (2)

CD Als p onbegrensd toeneemt, nadert de verhouding tot een CE grenswaarde.

Vraag 15 2 punten

Bereken exact deze grenswaarde.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

2

2 log( p )

  • 2 2
  • log( p )

Parabool en cirkel met variabele straal

Gegeven is de parabool met vergelijking y = x 2 en een punt M (0, r ) op de positieve y-as. We bekijken de cirkel met middelpunt M en straal r. Het punt O (0, 0) ligt op deze cirkel en op de gegeven parabool.

Afhankelijk van de waarde van r hebben de cirkel en de parabool één gemeenschappelijk punt of drie gemeenschappelijke punten. In figuur 1 is de situatie met r = 20

9 getekend, waarbij er één

gemeenschappelijk punt is. In figuur 2 is de situatie met r = 1 getekend, met drie gemeenschappelijke punten.

figuur 1 r = 20

9 figuur 2 r =1

y y

M M

O x x O

Vraag 16 5 punten

Bereken exact voor welke waarden van r de cirkel en de parabool drie gemeenschappelijke punten hebben.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • • Voor de cirkel geldt x 2 + ( y − r ) 2 = r2 (1) ( )= 2 • Voor snijpunten van de cirkel en de parabool geldt x 2 + x 2 − r r (2) 1 • ( Herleiden tot x 2 1 − 2r + x 2 = 0) (1) • Dit geeft x 2 = 0 (of x = 0 ) of x= 2 2r − 1 (1) 2 • ( x= 2r − 1 moet twee oplossingen hebben, dus) er moet gelden 2r − 1 > 0 , dus r > 12 (1) of • Voor de cirkel geldt x 2 + ( y − r ) 2 = r2 (1) 2 (2) • Voor snijpunten van de cirkel en de parabool geldt y + ( y − r ) = r (1) • Herleiden tot y ( y − 2r + 1) = 0 (1) • Dit geeft y = 0 (dus x = 0 ) of = y 2r − 1 (1) • y 2r − 1 geeft twee gemeenschappelijke punten als 2r − 1 > 0 , dus) er (= moet gelden 2r − 1 > 0 , dus r > 12 (1) (5)

In de rest van deze opgave gaan we uit van de situatie waarin de cirkel en de parabool alleen punt O gemeenschappelijk hebben.

De lijn k gaat door M en is evenwijdig aan de x-as. V is het gebied rechts van de y-as dat wordt ingesloten door de cirkel, de parabool en lijn k. In figuur 3 is dit gebied lichtgrijs gemaakt. W is het gebied rechts van de y-as dat wordt ingesloten door de cirkel, de y-as en lijn k. In figuur 3 is dit gebied donkergrijs gemaakt.

[figuur 3: zie het originele examen] y

M k

W V

O x

Wanneer de cirkel wordt gewenteld om de y-as, ontstaat een bol met inhoud 43 πr 3 .

De gebieden V en W worden gewenteld om de y-as. Er is een waarde van r waarvoor de inhoud van de omwentelingslichamen van V en W aan elkaar gelijk zijn.

Vraag 17 5 punten

Bereken exact deze waarde van r.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • De inhoud van het omwentelingslichaam van de parabool kan worden r berekend met de integraal ∫ πy dy (1)
  • Een primitieve van πy is 1 πy 2 (1)
  • Invullen van de grenzen geeft voor de inhoud 12 πr 2 (1)
  • Er moet gelden 12 πr 2 − 12 ⋅ 34 πr 3 = 12 ⋅ 34 πr 3 (of een gelijkwaardige vergelijking) (1)
  • Dit geeft πr 2 (3 − 8r ) = 0 , dus r = 83 (1)

Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen vwo Wiskunde B 2019, tijdvak 2. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2019/vwo/documenten/cse-2/vw-1025-a-19-2-o

Andere examens wiskunde B vwo

Hoe ToetsChecker wiskunde B per vraagtype nakijkt, lees je op wiskunde B toetsen nakijken met AI.

Veelgestelde vragen

Hoeveel vragen heeft het eindexamen wiskunde B vwo 2019, tijdvak 2?

Het centraal examen wiskunde B vwo 2019, tijdvak 2 telt 17 vragen. De meeste vragen gaan over differentiëren (4), vectoren (3) en vergelijkingen en ongelijkheden (3).

Wat zijn de antwoorden van het examen wiskunde B vwo 2019, tijdvak 2?

Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.

Waar vind ik het correctievoorschrift van wiskunde B vwo 2019, tijdvak 2?

Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2019/vwo/documenten/cse-2/vw-1025-a-19-2-c).

Hoe oefen ik met het examen wiskunde B vwo 2019, tijdvak 2 en krijg ik feedback?

Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.