Eindexamen wiskunde B vwo 2021, tijdvak 3: vragen en antwoorden

Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Onbekende zijde, Spookje, Hoogwater, Twee halve cirkels, Twee bewegende punten, Een derdegraadsfunctie.

Kort antwoord

Het centraal examen wiskunde B vwo 2021, tijdvak 3 telt 16 vragen. De meeste vragen gaan over goniometrische functies (4), differentiëren (3) en functies en grafieken (3). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.

Onderwerpen in dit examen

Onderwerp per vraag in het centraal examen wiskunde B vwo 2021, tijdvak 3. Elke vraag is eenmalig door een AI-model bij een onderwerp ingedeeld; per vraag kan dat afwijken.
OnderwerpVragenAantal
Goniometrische functies1, 4, 6-74
Differentiëren2-3, 83
Functies en grafieken9, 14, 163
Parameterkrommen11-133
Integreren5, 152
Meetkunde met coördinaten101

Vergeleken met andere jaren

Vergeleken met de andere 17 examens wiskunde B vwo sinds 2018: dit examen vroeg meer over goniometrische functies (25% van de vragen, gemiddeld 9%) en parameterkrommen (19% van de vragen, gemiddeld 9%). Minder over bewijzen (0% van de vragen, gemiddeld 10%) en exponentiële en logaritmische functies (0% van de vragen, gemiddeld 9%).

Opgaven en correctievoorschrift

De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.

Oefenen als leerling

Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen wiskunde B vwo 2021, tijdvak 3 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.

Nakijken als docent

  1. Start gratis vanaf deze pagina

    Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen wiskunde B vwo 2021, tijdvak 3 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.

  2. Laat de klas het examen maken

    Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.

  3. Geef de resultaten vrij

    Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.

ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.

Vragen en antwoorden

Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen wiskunde B vwo 2021, tijdvak 3. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.

Onbekende zijde

Gegeven is driehoek ABC met AB = 4 en BC = 12 . Punt M is het midden van lijnstuk BC. Verder geldt: AM = 5 .

Vraag 1 4 punten

Bereken algebraïsch de lengte van AC. Geef je eindantwoord in één decimaal.

Bekijk het antwoord
  • • Cosinusregel in driehoek ABM geeft 52 = 42 + 62 − 2 · 4 · 6 · cos(∠ABM ) (1) • Hieruit volgt cos(∠ABM ) = 16 (9) (dus cos(∠ABC ) = 16 9 ) (dus ∠ABC = 55, 77...(°) ) (1) • Cosinusregel in driehoek ABC geeft AC 2 = 42 + 122 − 2 · 4 ·12 · 16 9 (1) • Dit geeft AC 2 = 106 , dus AC ≈ 10,3 (1) of • Cosinusregel in driehoek ABM geeft 42 = 52 + 62 − 2 · 5 · 6 · cos(∠AMB) (1) • Hieruit volgt cos ( ∠AMB ) = 34 (dus ∠AMB = 41, 40...(°) ) (1) • cos ( ∠AMC ) = (− cos ( ∠AMB ) =) − 34 (of ∠AMC = (180 − ∠AMB =) 138,59...(°) , dus cos(∠AMC ) = − 34 ) (1) • Cosinusregel in driehoek AMC geeft AC 2 = 52 + 62 − 2 · 5 · 6 · − 34 = 106 , dus AC ≈ 10,3 (1) of • Er geldt t 2 + u 2 = 42 (met P de loodrechte projectie van A op MB, t = AP en u = BP ) (1) • Ook geldt t 2 + (6 − u ) 2 = 52 (1) • Algebraïsch oplossen van dit stelsel geeft t = 3,30... , u = 2, 25 (de oplossing t = −3,30... , u = 2, 25 voldoet niet) (1) 2 2 2 (2) • Omdat AC = t + (12 − u ) , volgt AC = 106 , dus AC ≈ 10,3 (1) (4)

Spookje

Op het domein

  • 12 π, 1 12 π worden de functies f en g gegeven door:

f ( x) = sin( x) cos(2 x) g ( x) = 2 + sin( x)

Er geldt: f ' ( x) = 6cos3 ( x)

  • 5cos( x) .

Vraag 2 6 punten

Bewijs dat inderdaad geldt: f ' ( x) = 6cos3 ( x)

  • 5cos( x) .
Bekijk het antwoord
  • d dx cos(2 x) = −2sin(2 x) (1)
  • f ' ( x) = cos( x) cos(2 x) − 2sin( x ) sin(2 x) (1)
  • cos( x) cos(2 x) = cos( x)(2 cos ( x) − 1) = 2 cos ( x) − cos( x) (1)
  • 2sin( x) sin(2 x) = 2sin( x) · 2sin( x) cos( x) = 4sin 2 ( x) cos( x) (1)
  • ( 4sin 2 ( x) cos( x) = 4 cos( x) 1 − cos 2 ( x) ) (1)
  • ( ) 2 cos3 ( x) − cos( x) − 4 cos( x) 1 − cos 2 ( x) herleiden tot 6 cos3 ( x) − 5cos( x) (1)

In de figuur zijn de grafieken van f en g weergegeven. De verticale lijn met vergelijking x = p snijdt de grafiek van f in het punt A en de grafiek van g in het punt B. We bekijken de raaklijn aan de grafiek van f in A en de raaklijn aan de grafiek van g in B.

figuur

In de figuur is een waarde van p gekozen waarvoor de twee raaklijnen elkaar loodrecht snijden. Er zijn meerdere waarden van p waarvoor dit het geval is.

Vraag 3 6 punten

Bereken exact het aantal waarden van p waarvoor de twee raaklijnen elkaar loodrecht snijden.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

  • Elk van deze vergelijkingen heeft 2 oplossingen (die allemaal verschillen), dus het gevraagde aantal is 8 (1p)

Het functievoorschrift van f kan worden herleid tot: f ( x) = 12 (sin(3 x)

  • sin( x)) Dit kan bijvoorbeeld worden bewezen door de vorm sin(t + u )
  • sin(t
  • u ) voor een geschikte keuze van t en u te herleiden.

Vraag 4 3 punten

Bewijs dat 12 (sin(3 x)

  • sin( x)) = sin( x) cos(2 x) .

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • De keuze t = 2 x en u = x (1)
  • sin(2 x + x) − sin(2 x − x) = sin(2 x) cos( x) + cos(2 x)sin( x) − sin(2 x) cos( x) + cos(2 x) sin( x) (1)
  • Dit is gelijk aan 2 cos(2 x ) sin( x) , dus 12 (sin(3 x) − sin( x)) = sin( x) cos(2 x) (1)

De grafieken van f en g hebben twee gemeenschappelijke punten, namelijk ( ) ( )

  • 12 π, 1 en 1 12 π, 1 .

V is het gebied dat wordt ingesloten door de grafieken van f en g.

Vraag 5 4 punten

Bereken exact de oppervlakte van V.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • De oppervlakte van V is gelijk aan ∫ ( 2 + sin( x) − 12 (sin(3x) − sin( x)) ) dx (1)
  • Een primitieve van 12 sin(3 x) is − 16 cos(3 x) (1)
  • Een primitieve van 2 + sin( x) + 12 sin( x) is 2 x − cos( x) − 12 cos( x) (1)
  • Invullen van de grenzen geeft: de oppervlakte is 4π (1)

Hoogwater

De hoeveelheid water die door een rivier wordt afgevoerd, varieert van moment tot moment. De hoeveelheid water die de rivier maximaal kan afvoeren, noemen we de capaciteit van de rivier. Als de capaciteit te laag is, kan de rivier overstromen. Om te kunnen inschatten hoe vaak een overstroming plaatsvindt, gebruiken we het volgende model: T

C = a

  • b · ln ln met T > 1 (formule 1) T −1 Hierin is C de capaciteit in m3/s en T de zogeheten herhalingstijd. De herhalingstijd is de periode in jaren waarin de waarde van C gemiddeld één keer wordt overschreden. Als bijvoorbeeld T = 40 , dan zal de rivier gemiddeld één keer in de 40 jaar overstromen. De waarden van a en b worden berekend met behulp van gegevens uit het verleden. Er geldt altijd: a > 0 en b > 0 .

Voor de Rijn geldt: a = 5734 en b = 1648 . De capaciteit is 12 000 m3/s.

Vraag 6 5 punten

Bereken algebraïsch de herhalingstijd in jaren. Geef je eindantwoord als geheel getal.

Bekijk het antwoord
  • De vergelijking 12 000 = 5734 − 1648ln ln moet worden T −1 opgelost (1)
  • ln ln = (= −3,802...) (1)
  • ln =e (= 0, 022...) (1)
  • = e0,022... = 1, 022... , dus T = 1, 022... · (T − 1) (1)
  • Dit geeft T = = 45,3... , dus de gevraagde herhalingstijd is (1, 022... − 1) 45 (of 46) (jaar) (1)

Uit formule 1 is af te leiden dat voor de afgeleide van C geldt: dC b = met T > 1 (formule 2) dT T · (T

  • 1) · ln ( ) T T −1

Vraag 7 5 punten

Bewijs dit.

Bekijk het antwoord

Opmerking In het eerste antwoordalternatief mogen voor het eerste antwoordelement uitsluitend 0 of 2 scorepunten worden toegekend.

Voor elke rivier geldt natuurlijk: hoe groter de herhalingstijd, des te groter is de capaciteit. De grafiek van C zou dus voor elke waarde van a en b (met a > 0 en b > 0 ) stijgend moeten zijn.

Vraag 8 5 punten

Bewijs met behulp van formule 2 dat de grafiek van C inderdaad stijgend is voor elke waarde van a en b (met a > 0 en b > 0 ).

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • Er moet gelden: >0 (1)
  • (Omdat T > 1 geldt) T > 0 en T − 1 > 0 (1)
  • Omdat (ook) T > T − 1 , geldt >1 (1)
  • (Omdat y = ln( x) stijgend is en ln(1) = 0 volgt hieruit dat) ln >0 (1)
  • Zowel b > 0 als T · (T − 1) · ln > 0 (dus > 0 , dus de grafiek van T −1 dT C is stijgend) (1)

Voor de Maas geldt:

  • Bij een capaciteit van 1700 m3/s is de herhalingstijd gelijk aan 4 jaar.
  • Bij een capaciteit van 2100 m3/s is de herhalingstijd gelijk aan 10 jaar. Voor toekomstig beleid wil het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat voor de Maas weten welke capaciteit hoort bij een herhalingstijd van

100 jaar.

Vraag 9 4 punten

Bereken deze waarde van C in m3/s met behulp van formule 1. Geef je eindantwoord als geheel getal.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • Invullen geeft het stelsel vergelijkingen (1)
  • Beschrijven hoe dit stelsel kan worden opgelost (1)
  • Hieruit volgt b = 398, 22... en a = 1203,85... (1)
  • Dit geeft C = 1203,85... − 398, 22... · ln ln ≈ 3036 (of 100 − 1 3035) (m3/s) (1)

Twee halve cirkels

Gegeven zijn de twee halve cirkels c1 en c2 . Voor c1 geldt: x 2 + y 2 + 12 x = −32 , het middelpunt is M 1 en y ≥ 0 . Voor c2 geldt: het middelpunt is M 2 (5, 0) , de straal is 5 en y ≥ 0 .

Op de positieve y-as ligt een punt P. Zie de figuur.

figuur

P wordt zo op de y-as gekozen dat de afstand van P tot c1 twee keer zo groot is als de afstand van P tot c2 .

Vraag 10 7 punten

Bereken de y-coördinaat van P voor deze situatie. Geef je eindantwoord in twee decimalen.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • • De vergelijking van c1 herleiden tot ( x + 6) 2 + y 2 = 4 (1) • M1 (−6, 0) en de straal van c1 is 2 (1) • PM1 = 62 + OP 2 en PM 2 = 52 + OP 2 (1) • d( P, c1 ) = 62 + OP 2 − 2 en d( P, c2 ) = 52 + OP 2 − 5 (1) • De vergelijking 62 + OP 2 − 2 = 2 · ( 5 + OP − 5) moet 2 (2) worden opgelost (1) • Beschrijven hoe deze vergelijking kan worden opgelost (1) • Dit geeft OP ≈ 7, 02 (dus de gevraagde y-coördinaat van P is 7,02) (1) of • Voor snijpunten van c1 en de x-as geldt x 2 + 12 x = −32 , dus x 2 + 12 x + 32 = 0 , dus ( x + 4)( x + 8) = 0 , dus x = −4 of x = −8 (1) • (Omdat c1 een halve cirkel is met y ≥ 0 volgt dat de diameter 4 is, dus) M1 (−6, 0) en de straal van c1 is 2 (1) • Als a = d(P, c2 ) , dan geldt d( P, c1 ) = 2a , dus M 2 P = 5 + a en M 1 P = 2 + 2a (1) 2 2 2 2 (2) • Er geldt OP = M1P − M1O = (2 + 2a ) − 6 en OP 2 = M 2 P 2 − M 2O 2 = (5 + a ) 2 − 52 (1) 2 2 2 (2) • Dus (2 + 2a) − 6 = (5 + a ) − 5 (1) • Beschrijven hoe deze vergelijking kan worden opgelost (1) • Dit geeft a = 3, 61... ; invullen in een van de formules voor OP geeft OP ≈ 7, 02 (dus de gevraagde y-coördinaat van P is 7,02) (1) (7)

Twee bewegende punten

Voor t ≥ 0 beweegt het punt P1 volgens de bewegingsvergelijkingen:

x(t ) = t 2 + 2t

y (t ) = 4t Tegelijkertijd beweegt het punt P2 volgens de bewegingsvergelijkingen:

x(t ) = 4t 2 y (t ) = 2t In figuur 1 zijn beide banen getekend met daarop de punten P1 en P2 op een tijdstip t.

[figuur 1: zie het originele examen]

Voor de snelheid v2 van P2 geldt: v2 (t ) = 4 t 2 + 1 . Er is één tijdstip t waarop de punten P1 en P2 gelijke snelheid hebben.

Vraag 11 5 punten

Bereken exact dit tijdstip.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • Voor P1 geldt x' (t ) = 2t + 2 en y' (t ) = 4 (1)
  • v1 (t ) = (2t + 2) 2 + 42 (1)
  • Uit ( (2t + 2) 2 + 42 = 4 t 2 + 1 volgt (2t + 2) 2 + 42 = 16 t 2 + 1 ) (1)
  • Herleiden tot 12t 2 − 8t − 4 = 0 (of 3t 2 − 2t − 1 = 0 ) (1)
  • Dit geeft t = 1 ( t = − 13 voldoet niet) (1)

In figuur 2 zijn nogmaals beide banen getekend. Op twee tijdstippen, namelijk t = 0 en t = 2 , vallen P1 en P2 samen. Op alle andere tijdstippen kun je de lijn l door P1 en P2 tekenen. In figuur 2 is dit voor twee tijdstippen gedaan.

[figuur 2: zie het originele examen]

De richtingscoëfficiënt van l is gelijk aan −2 voor elke waarde van t (met t ≠ 0 en t ≠ 2 ).

Vraag 12 3 punten

Bewijs dit.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • • De richtingscoëfficiënt van de lijn door P1 en P2 is 2t 2 − 4t 1 ( 4t − t 2 + 2t ) 2t 2 − 4t • Dit is gelijk aan (1) 2t − t 2 • Dit is gelijk aan ( −2 −t 2 + 2t ) en dat is gelijk aan −2 (1) 2 2t − t of • Een richtingsvector van de lijn door P1 en P2 is ( 4t − t 2 + 2t ) (1) 2t 2 − 4t 2t − t 2 • Dit is gelijk aan (1) 2t 2 − 4t 2t − t 2 , dus is een richtingsvector, dus 1 • Dit is gelijk aan ( − 2 2t − t 2 ) −2 de richtingscoëfficiënt is −2 (1) (3)

Voor elke waarde van t (met t ≠ 0 en t ≠ 2 ) is P3 het snijpunt van l met de x-as. Zie figuur 2, waarin P3 is aangegeven voor twee verschillende tijdstippen.

Vraag 13 4 punten

Bereken exact op welk tijdstip de x-coördinaat van P3 gelijk is aan 3.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • Een vergelijking van l is van de vorm y = −2 x + b (1)
  • ( ) Substitutie van bijvoorbeeld 4t , 2t 2 geeft b = 2t 2 + 8t (1)
  • (3, 0) moet op l liggen, dus moet gelden 0 = −6 + 2t 2 + 8t (1)
  • Exact oplossen geeft t = , dus het gevraagde tijdstip is 2 −4 + 28 t= (of een gelijkwaardige uitdrukking) 2 −4 − 28 (t = voldoet niet) (1)

Een derdegraadsfunctie

De functie f wordt gegeven door f ( x) = x3 + 6 x 2 + 12 x + 9 . Deze functie heeft een inverse functie f inv . Er geldt: f inv ( x) = −2 + 3 x

  • 1 .

Vraag 14 3 punten

Bewijs dat inderdaad geldt: f inv ( x ) = −2 + 3 x

  • 1 .
Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

  • Herleiden geeft y = −2 + 3 x
    • 1 (dus geldt inderdaad f inv ( x) = −2 + 3 x
    • 1 ) (1)

of

( ) ( ) ( ) + 12 · ( −2 + x

  • 1) + 9

3 (2)

  • De rest van de herleiding van f ( f ( x) ) tot x (dus geldt inderdaad inv

f inv ( x) = −2 + 3 x

  • 1 ) (1p)

V is het vlakdeel dat wordt ingesloten door de grafiek van f, de x-as en de y-as. Zie de figuur. Deze figuur is niet op schaal.

figuur

Vlakdeel V wordt gewenteld om de y-as. Zo ontstaat een omwentelingslichaam.

Vraag 15 3 punten

Bereken de inhoud van dit omwentelingslichaam. Geef je eindantwoord in één decimaal.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • De ondergrens van de integraal is 0, de bovengrens is f (0) = 9 (1)
  • De inhoud van het omwentelingslichaam is gelijk aan 9 ( ) 2 π · ∫ −2 + 3 x − 1 dx (1)
  • De inhoud is 33,9 (1)

Op de grafiek van f ligt een punt P waarin de raaklijn aan de grafiek van f horizontaal is. Op de grafiek van f inv ligt een punt Q waarin de raaklijn aan de grafiek van f inv verticaal is. De lijn door P en Q snijdt de y-as in punt S.

Vraag 16 6 punten

Bereken exact de y-coördinaat van S.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • • f ' ( x) = 3 x 2 + 12 x + 12 (1) 2 (2) • Voor P geldt 3x + 12 x + 12 = 0 ; dit geeft ( x + 2) = 0 , dus x = −2 (1) • Voor Q geldt (vanwege de symmetrie in de lijn met vergelijking y = x ) y = −2 (1) • ( f (−2) = 1 , dus) P (−2, 1) en Q (1, − 2) (1) • De richtingscoëfficiënt van de lijn door P en Q is ( 1−−− 2−1 =) − 1 2 1 • De y-coördinaat van S is dus 1 + 2 · −1 = −1 (1) of 1 f inv ' ( x) = 13 ( x − 1) − 3 = 2 • (1) 3 · 3 ( x − 1) 2 • (Als x → 1 , dan f inv ' ( x) → ∞ , dus) de grafiek van f inv ( x) heeft een verticale raaklijn als x = 1 (en dit is dus de x-coördinaat van Q) (1) • Voor P geldt (vanwege de symmetrie in de lijn met vergelijking y = x ) y =1 (1) inv • ( f (1) = −2 , dus) Q (1, − 2) en P (−2, 1) (1) • (Omdat Q het spiegelbeeld is van P in de lijn met vergelijking y = x , geldt) de richtingscoëfficiënt van de lijn door P en Q is −1 (1) • De y-coördinaat van S is dus 1 + 2 · −1 = −1 (1) of • f ' ( x) = 3 x 2 + 12 x + 12 (1) • Voor P geldt 3 x 2 + 12 x + 12 = 0 ; dit geeft ( x + 2) 2 = 0 , dus x = −2 (1) 1 f inv ' ( x) = 13 ( x − 1) − 3 = 2 • (1) 3 · 3 ( x − 1) 2 • ( f (−2) = 1 , dus) P (−2, 1) en (als x → 1 , dan f inv ' ( x) → ∞ , dus) de grafiek van f inv ( x) heeft een verticale raaklijn als x = 1 (en dit is dus de x-coördinaat van Q); ( f inv (1) = −2 , dus) Q (1, − 2) (1) • De richtingscoëfficiënt van de lijn door P en Q is ( 1−−− 2 −1 =) − 1 2 1 • De y-coördinaat van S is dus 1 + 2 · −1 = −1 (1) (6)

Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen vwo Wiskunde B 2021, tijdvak 3. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2021/vwo/documenten/cse-3/vw-1025-a-21-3-o

Andere examens wiskunde B vwo

Hoe ToetsChecker wiskunde B per vraagtype nakijkt, lees je op wiskunde B toetsen nakijken met AI.

Veelgestelde vragen

Hoeveel vragen heeft het eindexamen wiskunde B vwo 2021, tijdvak 3?

Het centraal examen wiskunde B vwo 2021, tijdvak 3 telt 16 vragen. De meeste vragen gaan over goniometrische functies (4), differentiëren (3) en functies en grafieken (3).

Wat zijn de antwoorden van het examen wiskunde B vwo 2021, tijdvak 3?

Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.

Waar vind ik het correctievoorschrift van wiskunde B vwo 2021, tijdvak 3?

Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2021/vwo/documenten/cse-3/vw-1025-a-21-3-c).

Hoe oefen ik met het examen wiskunde B vwo 2021, tijdvak 3 en krijg ik feedback?

Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.