Eindexamen wiskunde C vwo 2019, tijdvak 2: vragen en antwoorden

Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: De piano, Dakopbouw, Boom van Pythagoras, Welke van de tien?, Bodemdaling.

Kort antwoord

Het centraal examen wiskunde C vwo 2019, tijdvak 2 telt 21 vragen. De meeste vragen gaan over formules en grafieken (8), rijen (4) en logisch redeneren (4). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.

Onderwerpen in dit examen

Onderwerp per vraag in het centraal examen wiskunde C vwo 2019, tijdvak 2. Elke vraag is eenmalig door een AI-model bij een onderwerp ingedeeld; per vraag kan dat afwijken.
OnderwerpVragenAantal
Formules en grafieken1-5, 18-208
Rijen9-124
Logisch redeneren13-164
Ruimtemeetkunde6-83
Statistiek17, 212

Vergeleken met andere jaren

Vergeleken met de andere 17 examens wiskunde C vwo sinds 2018: dit examen vroeg meer over rijen (19% van de vragen, gemiddeld 10%).

Opgaven en correctievoorschrift

De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.

Oefenen als leerling

Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen wiskunde C vwo 2019, tijdvak 2 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.

Nakijken als docent

  1. Start gratis vanaf deze pagina

    Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen wiskunde C vwo 2019, tijdvak 2 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.

  2. Laat de klas het examen maken

    Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.

  3. Geef de resultaten vrij

    Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.

ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.

Vragen en antwoorden

Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen wiskunde C vwo 2019, tijdvak 2. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.

De piano

[figuur 1: zie het originele examen]

1 2 3 4 5 1 2 3 4 5

C D E F G A B C D E F G A B C

In figuur 1 staat een gedeelte van het toetsenbord van een piano afgebeeld. De witte en de zwarte toetsen stellen allemaal verschillende tonen voor. Op de witte toetsen staat ook de naam van de bijbehorende toon. Voor tonen die bij de zwarte toetsen horen, bestaan meerdere namen. In figuur 1 zijn ze daarom genummerd.

Als je een toets aanslaat op de piano, dan zorgt dat ervoor dat er een snaar gaat trillen. De snelheid van die trilling bepaalt de toon die je hoort. De snelheid waarmee een snaar trilt, noemen we de frequentie. De frequentie is het aantal trillingen per seconde en heeft Hertz (Hz) als eenheid.

Bijvoorbeeld: de linker toon F in figuur 1 heeft een frequentie van 352 Hz. Dat betekent dus dat de snaar die deze toon F voortbrengt 352 keer per seconde trilt.

Bij de linker toon A in figuur 1 hoort een frequentie van 440 Hz.

Vraag 1 3 punten

Bereken hoeveel seconden één trilling die bij deze toon A hoort, duurt. Geef je antwoord in vier decimalen.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • De snaar trilt 440 keer per seconde (1)
  • De duur van één trilling is 440 1 (seconde) (1)
  • Het antwoord: 0, 0023 (seconde) (1)

Als de frequentie van een toon twee keer zo groot is als die van een andere toon, dan vormen deze twee tonen samen een octaaf. Dus: de toon A met een frequentie van 440 Hz en een toon met een frequentie van

880 Hz vormen samen een octaaf van A. Deze tonen krijgen dezelfde naam, dus ook de toon met een frequentie van 880 Hz noemen we A: dat is de rechter A in figuur 1.

Op de meeste moderne piano’s is de laagste toon een A met een frequentie van 27,5 Hz. De hoogste A heeft een frequentie van 3520 Hz.

Vraag 2 4 punten

Bereken hoeveel octaven van A zo’n piano omvat.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

  • De toonhoogtes van alle A’s vormen een meetkundige rij met factor 2 (1p)

Opmerking Voor het tweede antwoordelement bij het eerste antwoordalternatief mag voor een niet volledig juist antwoord 1 scorepunt worden toegekend.

Twee opeenvolgende C's in figuur 1 vormen samen een octaaf van C. Voor twee opeenvolgende C's geldt dat de frequentie van de rechter C twee keer zo groot is als die van de linker C, oftewel: de verhouding van hun frequenties is 2 :1 .

Bij het stemmen van een piano wordt ervoor gezorgd dat de verhouding van de frequenties van twee opeenvolgende tonen in een serie als C-1-D-2-E-F-3-G-4-A-5-B-C precies gelijk is. Zie figuur 1. frequentie toon F frequentie toon E Zo geldt bijvoorbeeld: = frequentie toon E frequentie toon 2

Elk van deze verhoudingen is (ongeveer) 1,0595 :1 .

Vraag 3 3 punten

Laat met een berekening zien dat deze verhouding juist is.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

  • Beschrijven hoe de vergelijking p12 = 2 kan worden opgelost (1p)
  • Als de verhouding 1,0595:1 klopt, dan moet gelden dat de verhouding van de twee opeenvolgende C’s gelijk is aan 1, 059512 :1 (1p)
  • Omdat 1, 059512 ≈ 2 is de verhouding van die twee C’s 2:1 (en dat klopt dus) (1p)

In de praktijk is het werken met deze frequentieverhoudingen niet zo handig. Daarom wordt meestal de zogenaamde toonafstand (TA) gebruikt. De eenheid van de toonafstand is cent. f2 Er geldt: TA = a · log f1 f In deze formule is 2 de frequentieverhouding van twee tonen. f1 De waarde van a in de formule is zó gekozen dat de toonafstand tussen twee opeenvolgende tonen precies gelijk is aan 100 cent.

Als je uitgaat van het hierboven genoemde getal 1,0595 en daarmee a berekent, dan moet, afgerond op één decimaal, gelden: a = 3983,9 .

Vraag 4 3 punten

Bereken op deze wijze de waarde van a in drie decimalen.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Er geldt: 100= a ⋅ log (1, 0595 ) (1)
  • Beschrijven hoe deze vergelijking opgelost kan worden (1)
  • Het antwoord: 3983,911 (1)

De toonafstand tussen twee tonen waar één toon tussen zit, is bij een gestemde piano 200 cent. Zitten er twee tonen tussen, dan is de toonafstand 300 cent, enzovoort. Als je op een piano meer figuur 2 toetsen tegelijk aanslaat, krijg je een samengestelde klank. Zo kun je een F en de rechts 1 2 3 4 5 ervan gelegen A tegelijk aanslaan: zie figuur 2. De

C D E F G A B C frequentieverhouding van de tonen in deze samengestelde klank is volgens de muziektheorie gelijk aan 5 : 4 . Met deze verhouding kun je een toonafstand berekenen volgens de muziektheorie. Je kunt de toonafstand ook berekenen door uit te gaan van het idee dat bij een gestemde piano tussen elke twee opeenvolgende tonen 100 cent zit. Op een gestemde piano wijkt de toonafstand (TA) van de bovenvermelde (uit F en A) samengestelde klank iets af van de toonafstand die volgens de muziektheorie moet gelden.

Vraag 5 4 punten

Bereken hoeveel cent deze afwijking bedraagt. Geef je antwoord als een geheel getal.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerking Als een kandidaat voor a de waarde gebruikt die in de vorige vraag berekend is, hiervoor geen scorepunten in mindering brengen.

Dakopbouw

Een architectenbureau heeft voor volle steden een mogelijkheid bedacht om huizen met een plat dak uit te breiden: een dakopbouw die relatief weinig kost, snel te plaatsen is en gemakkelijk is aan te passen aan de individuele wensen van een klant. Aan de hand van deze wensen wordt door middel van een computerprogramma voor elke klant een ontwerp gemaakt, uitgaande van een aantal basismodellen.

Bij een van de modellen kan een klant kiezen voor een kleine dakopbouw die, als er nog ruimte is op het platte dak, later eventueel uit te breiden is. In figuur 1 zie je de plattegrond van deze dakopbouw met een buitenterras vóór de uitbreiding. In figuur 2 zie je de plattegrond met een buitenterras ná de uitbreiding. In deze figuren staan ook oppervlaktes vermeld. De dakopbouw heeft overal een binnenhoogte van 2,60 meter, zowel voor als na de uitbreiding.

figuur 1 figuur 2

slaapkamer slaapkamer 11 m2 slaapkamer 9 m2 8,5 m2 terras

16 m2 terras 14,5 m2

tuinkamer tuinkamer 8,5 m2 17 m2

douche douche 1,3 m2 1,3 m2

Door de uitbreiding veranderen de oppervlaktes van douche en trapgat niet.

Vraag 6 3 punten

Bereken met hoeveel m3 de inhoud van het binnengedeelte van de dakopbouw toeneemt bij de uitbreiding.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

  • De oppervlakte van de tuinkamer is (17
    • 8,5 = ) 8,5 (m2 ) groter geworden en de oppervlakte van de slaapkamers is ) 6,5 (m2) groter geworden (9 + 8,5
    • 11 = (1)
  • De totale oppervlakte is dus (8,5 + 6,5 = ) 15 (m2 ) groter geworden (1p)

Opmerking Als een kandidaat in de berekening de terrassen meerekent, ten hoogste

1 scorepunt voor deze vraag toekennen.

In figuur 3 zie je een perspectieftekening van een ander basismodel. In figuur 3 zie je dat de lengte van de staande balk van dit basismodel 2,90 meter is.

[figuur 3: zie het originele examen]

Voor het in figuur 3 gekozen perspectief

  • waarbij de horizon horizontaal loopt
  • heeft men in het computerprogramma een denkbeeldig punt aan moeten geven van waaruit het perspectief getekend moest worden.

Vraag 7 4 punten

Bereken met behulp van de figuur op de uitwerkbijlage op welke hoogte dit denkbeeldige punt gekozen is. Geef je antwoord in gehele meters.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

Voorbeeld van een tekening:

Opmerking De gemeten horizon- en dakopbouwhoogte kunnen, als gevolg van teken- dan wel afleesafwijkingen, redelijk variëren. Bij correctie dient daarmee coulant te worden omgegaan.

De dakopbouw is dus naar wens aan te passen. Een potentiële klant wil een beeld krijgen hoe de dakopbouw eruit zou zien als het basismodel van figuur 3 wordt uitgebreid met een piramidevormig dak. Dit piramidevormige dak wordt op de donkergrijze dakrand boven de kamer geplaatst waardoor de hele dakopbouw anderhalf keer zo hoog wordt. De top T van het piramidevormige dak komt precies boven het midden van het huidige dak van de opbouw. Figuur 3 staat nogmaals op de uitwerkbijlage.

Vraag 8 5 punten

Teken de top T en daarna de rest van het piramidevormige dak in de figuur op de uitwerkbijlage. Licht je werkwijze toe.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

  • Het lijnstuk PS tekenen (1p)
  • Top T tekenen door het lijnstuk PS naar boven te verlengen met de halve lengte van PS (1p)

Opmerking De piramideribbe die niet zichtbaar is en de hulplijnen mogen als doorgetrokken lijnen getekend zijn.

Boom van Pythagoras

Veel mensen hebben weleens de boom van Pythagoras gezien. Deze boom bestaat uit vierkanten en gelijkbenige rechthoekige driehoeken. In figuur 1 staat het begin van zo’n boom en in figuur 2 een door (twee) leerlingen verder uitgewerkte tekening van die boom.

[figuur 1: zie het originele examen]

stap 0 stap 1

[figuur 2: zie het originele examen]

De boom in figuur 2 begint onderaan in het midden van de lange zijde van het papier met een vierkant en daarop een passende gelijkbenige rechthoekige driehoek. Het vierkant en de driehoek samen noemen we stap 0. Bij iedere volgende stap komt er op elke rechthoekszijde van de driehoek steeds een vierkant met daarop weer een passende driehoek bij. Het vierkant past steeds precies op de rechthoekszijde. Zie ook figuur 1.

Je kunt aantonen dat de oppervlaktes van de vierkanten in elke volgende stap half zo groot worden. Anders gezegd: je kunt aantonen dat, als we de oppervlakte van een vierkant a 2 noemen, de oppervlakte van het vierkant in de volgende stap 12 a 2 is.

Vraag 9 3 punten

Toon dit aan.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

  • De oppervlakte van een driehoek tussen twee vierkanten is een kwart van de oppervlakte van het grootste vierkant (1p)
  • De oppervlakte van die driehoek is de helft van de oppervlakte van het kleinere vierkant (1p)
  • De oppervlakte van het kleinere vierkant is dus de helft van die van het grootste vierkant (1) of
  • Volgens de stelling van Pythagoras is de oppervlakte van het grote vierkant gelijk aan de som van de oppervlakten van de twee kleinere vierkanten (1p)
  • De twee kleinere vierkanten zijn even groot (1p)
  • De oppervlakte van elk van de twee kleinere vierkanten is dus de helft van de oppervlakte van het grote vierkant (1p)

Een gevolg hiervan is dat de lengte d van de figuur 3 diagonaal in het vierkant in de volgende stap precies gelijk is aan de hoogte a van het vierkant in de vorige stap. Zie figuur 3. d

Hans wil ook een boom van Pythagoras tekenen en begint in het midden van de a onderkant van zijn papier met een onderste vierkant van 10 cm bij 10 cm. Hij heeft een vel papier met afmetingen 420 mm bij 594 mm tot zijn beschikking. Hij vraagt zich af of hij wel tot en met stap 5 kan komen met zijn boom. Hij zorgt ervoor dat de zijde van 594 mm de onderkant van zijn tekenpapier is.

Vraag 10 4 punten

Onderzoek met een berekening of de hoogte van deze boom van Pythagoras tot en met stap 5 op dit vel past.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

  • De cumulatieve hoogtes: (2) stap n 0 1 2 3 4 (5) totale hoogte (bij stap n) 15 20 27,5 30 33,75 (35) in cm
  • De hoogte van de volledige boom in figuur 2 is 7,8 (cm) (met een marge van 2 mm) (1p)
  • De zijde van het grootste vierkant in de tekening is 2,2 (cm) (met een marge van 2 mm) (1) 7,8
  • In de tekening van Hans is de hoogte: 35, 4... (cm) ⋅10 = (1) 2, 2
  • De opeenvolgende relevante lengtes: (1) vierkant n 0 1 2 3 4 (5) lengte (bij vierkant n) 10 10 5 5 2,5 2,5 in cm

Opmerking Voor het tweede antwoordelement bij het eerste antwoordalternatief mag voor een niet volledig juist antwoord 1 scorepunt worden toegekend.

De lengtes van de zijden van de opeenvolgende vierkanten vormen een rij waarin elk volgend getal met een vaste factor vermenigvuldigd wordt. Fleur gaat een boom van Pythagoras tekenen. Haar tekenpapier is groot genoeg voor heel veel stappen. Ze begint met een vierkant van 13 cm bij

13 cm. Ze kan geen vierkantje tekenen met een zijde die kleiner dan

1 mm is.

Vraag 11 4 punten

Bereken na welke stap Fleur stopt met tekenen.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

  • Beschrijven hoe de vergelijking 13 ⋅ 0,1 (of de ongelijkheid

( 0,5 ) > 0,1 ) kan worden opgelost n

13 ⋅ (1)

Opmerking Als een kandidaat bij het eerste antwoordalternatief a15 niet heeft berekend, ten hoogste 2 scorepunten voor deze vraag toekennen.

Bij het tekenen van een boom van Pythagoras wordt het aantal nieuwe vierkanten A bij elke volgende stap verdubbeld. Vandaar dat geldt: An = 2n met A0 = 1 waarbij n het stapnummer is. Om te bepalen wat het totale aantal getekende vierkantjes tot en met een bepaalde stap n is, kun je een somformule S n gebruiken. Als je de getallen uit de rij b , br , br 2 , br 3 ,…, br n op wilt tellen, geldt de b(1

  • r n+1 ) somformule die hoort bij een exponentieel verband: S n = 1− r

Vraag 12 4 punten

Bereken bij welke stap het totale aantal vierkantjes voor het eerst meer dan 2000 is.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

  • Beschrijven hoe met de GR de som van de rij berekend kan worden (1p)

Welke van de tien?

In april 2015 zette een tv-presentator uit Singapore een puzzel op het internet die afkomstig was uit een toets voor basisschoolkinderen van een school voor hoogbegaafde kinderen. De puzzel ging vervolgens de hele wereld over, want iedereen vroeg zich af hoe je hem eigenlijk op moest lossen.

Een variant van die puzzel is de volgende:

Amir en Bob hebben net Carina leren kennen en ze willen graag weten wanneer ze jarig is. Carina geeft ze een lijst met 10 mogelijke data:

september 20 21 24 oktober 22 23 november 19 21 december 19 20 22

Daarna vertelt ze aan Amir in welke maand ze jarig is en aan Bob op welke dag van de maand ze jarig is. Amir zegt vervolgens: “Ik weet niet wanneer Carina jarig is, maar ik weet zeker dat Bob het op dit moment ook niet weet.”

Bob reageert hierop: “Eerst wist ik inderdaad niet wanneer Carina jarig is, maar dankzij Amirs opmerking weet ik het nu wel”, waarop Amir concludeert: “Oh, maar dan weet ik het nu ook!”

Deze lastige puzzel is op te lossen met behulp van logisch redeneren. We spreken daarvoor de volgende notaties af:

  • A(oktober) betekent ‘Carina heeft tegen Amir gezegd dat ze in de maand oktober jarig is’.
  • B (22) betekent: ‘Carina heeft tegen Bob gezegd dat ze op de 22e jarig is’.
  • C (20 december) betekent ‘Carina is jarig op 20 december’.

Voor andere dagen en maanden gelden dan vergelijkbare notaties.

In deze notatie kun je bijvoorbeeld schrijven:

C (20 september) ⇒ ( A(september) ∧ B (20) )

Vraag 13 2 punten

Vertaal bovenstaande logische uitdrukking in een gewone zin.

Bekijk het antwoord

Opmerking Voor het antwoord op deze vraag mogen uitsluitend 0 of 2 scorepunten worden toegekend.

Vanzelfsprekend kan Amir nooit weten wanneer Carina jarig is. Voor iedere maand zijn immers meerdere dagen mogelijk. Voor Bob ligt dat anders, maar toch zegt Amir zeker te weten dat Bob ook niet weet wanneer Carina jarig is.

Hieruit kun je concluderen dat Carina in november of december jarig is.

Vraag 14 3 punten

Leg uit hoe je tot deze conclusie komt.

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

  • Als Carina ‘september’ of ‘oktober’ tegen Amir gezegd zou hebben, dan was er (vanuit het perspectief van Amir) de mogelijkheid geweest dat ze tegen Bob 23 of 24 gezegd had (1p)
  • In elk van deze beide gevallen had Bob meteen geweten in welke maand Carina jarig is (1p)
  • Omdat Amir zeker weet dat Bob het niet weet, moet Carina tegen Amir een van de maanden ‘november’ of ‘december’ gezegd hebben (1p)

Bob weet dus in eerste instantie niet wanneer Carina jarig is. Je kunt alle mogelijkheden die er voor hem zijn, weergeven in de afgesproken notatie. Omdat inmiddels bekend is dat Carina in november of december jarig is, kunnen we ons beperken tot de dagen die in november en december vóórkomen. Het lijstje met data ziet er nu dus als volgt uit:

november 19 21 december 19 20 22

Voor elk van de dagen 19, 20, 21 en 22 kan, uitgaande van wat Carina tegen Bob gezegd kan hebben, een logische uitdrukking gemaakt worden.

Door deze vier logische uitdrukkingen te combineren met het gegeven dat Carina in november of december jarig is én het feit dat Bob haar verjaardag weet dankzij dit gegeven, kun je concluderen dat Carina niet op de 19e jarig is.

Eén van die logische uitdrukkingen is: B (20) ⇒ C (20 december)

Vraag 15 4 punten

Schrijf voor de andere drie dagen die vóórkomen in de maanden november en december ook zo’n logische uitdrukking op en leg uit hoe je aan de conclusie komt dat Carina niet op de 19e jarig is.

Bekijk het antwoord

Opmerking Voor het eerste antwoordelement mag voor een niet volledig juist antwoord

1 scorepunt worden toegekend.

We weten dus nu twee dingen:

1 Carina is in november of in december jarig;

2 Carina is niet op de 19e jarig.

Blijkbaar is dit genoeg informatie voor Amir om erachter te komen wanneer Carina jarig is.

Vraag 16 3 punten

Wanneer is Carina jarig? Licht je antwoord toe met een redenering.

Bekijk het antwoord
  • Als Amir december doorgekregen heeft van Carina, dan kan hij het nog niet weten omdat er dan nog twee mogelijkheden (20 en 22) zijn (1)
  • Carina heeft Amir dus verteld dat ze in november jarig is (1)
  • Omdat 19 november afvalt, is Carina dus jarig op 21 november (1)

Bodemdaling

Bodemdaling kan ontstaan door natuurlijke processen maar ook door menselijk handelen. Bij de gaswinning uit het Groningen-gasveld is er sprake van bodemdaling veroorzaakt door menselijk handelen. In deze opgave gaan we uit van de gegevens zoals die tot en met 2017 bekend waren. We nemen verder aan dat ontwikkelingen die tot op dat moment geconstateerd zijn, zich in de periode daarna op dezelfde wijze voortzetten.

Metingen van deze bodemdaling worden onder andere gedaan door zogeheten GPS-monitoring-stations, die zeer nauwkeurig posities bepalen. Een van deze stations staat boven op een gebouw bij het Eemskanaal. Elk uur wordt de hoogte van de GPS-antenne (ten opzichte van zeeniveau) van dit station gemeten. In figuur 1 zijn alle metingen vanaf 1 januari 2015 om 0:00 uur tot en met

31 mei 2017 om 23:00 uur weergegeven. Deze figuur is vergroot op de uitwerkbijlage afgebeeld.

[figuur 1: zie het originele examen] 47,093 hoogte 47,092 (m) 47,091 47,090 47,089 47,088 47,087 47,086 47,085 47,084 47,083 47,082 47,081 47,080 47,079 0 01-01-15 29-01-15 26-02-15 26-03-15 23-04-15 21-05-15 18-06-15 16-07-15 13-08-15 10-09-15 08-10-15 03-12-15 31-12-15 28-01-16 25-02-16 24-03-16 21-04-16 19-05-16 16-06-16 14-07-16 08-09-16 06-10-16 01-12-16 29-12-16 26-01-17 23-02-17 23-03-17 20-04-17 18-05-17 05-11-15

11-08-16

03-11-16

datum

Het jaar 2016 was een schrikkeljaar.

Vraag 17 2 punten

Bereken om hoeveel metingen het in figuur 1 gaat.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Het aantal dagen waarop gemeten is, is 365 + 366 + 31 + 28 + 31 + 30 + 31 = 882 (1)
  • Het gevraagde aantal metingen is 882 ⋅ 24 = 21168 (1)

In figuur 1 is ook de trendlijn van de hoogte van de GPS-antenne weergegeven. Zoals je kunt zien, is de eenheid op de horizontale as vier weken. Als de bodemdaling onveranderd doorgaat, zal de hoogte van de GPS- antenne in de toekomst lager dan 47 meter zijn.

Vraag 18 5 punten

Bereken in welk jaar dat volgens de gegeven trendlijn voor het eerst zal zijn. Gebruik daarbij de figuur op de uitwerkbijlage.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerkingen

  • Er is bij het aflezen van de verticale coördinaat een afleesmarge van 0,0002 toegestaan.
  • Als een kandidaat bij de berekening van de tijdsduur rekening houdt met schrikkeljaren, hiervoor geen scorepunten in mindering brengen.

Het gebied waar sprake is van bodemdaling wordt het dalingsgebied genoemd. In het midden van het dalingsgebied, nabij Ten Post, is de bodemdaling het grootst. Tot 2013 was de bodem daar al 32 centimeter gedaald. De bodemdaling is niet overal even groot. Het gebied waar de bodem ten minste 30 centimeter is gedaald, is bij benadering cirkelvormig. Zie figuur 2. In figuur 3 is bovendien de dwarsdoorsnede van de bodem door het laagste punt geschetst. Rondom het laagste punt heeft deze dwarsdoorsnede bij benadering de vorm van de grafiek van een kwadratisch verband, met andere woorden de vorm van een parabool.

figuur 2 bodemdaling in cm figuur 3 dwarsdoorsnede bodem

We nemen nu aan dat het gebied waar de bodem ten minste

30 centimeter is gedaald cirkelvormig is. Verder nemen we aan dat de dwarsdoorsnede van de bodem rondom het midden van het dalingsgebied de vorm van een parabool heeft. De top van deze parabool komt overeen met het laagste punt van het dalingsgebied.

In 2013 was de straal van het cirkelvormige figuur 4 gebied gelijk aan 4 km en in het laagste punt was de bodem dus 32 centimeter h gedaald. In figuur 4 is de parabool geschetst bij het model van de dwarsdoorsnede dat bij deze gegevens −4 O 4 x hoort. −24

De parabool bij het model voor 2013 kan −26 beschreven worden met een formule van de −28 vorm h = ax 2 + b . Hierin is x de afstand tot het midden van het dalingsgebied in −30 kilometers en h is de daling van de bodem −32 in centimeters.

Vraag 19 4 punten

Bepaal de niet-afgeronde waarden van a en b.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • • (De top van de parabool is het punt (0,–32), dus) b = −32 (1) • Een ander punt op de parabool is (4,–30) (1) • (Voor a geldt dus) de vergelijking a ⋅ 42 − 32 = −30 (1) • Dit geeft a = 0,125 (of a = 8 ) 1 1 (4)

Let op: de laatste vragen van dit examen staan op de volgende pagina.

Rondom Ten Post blijft de bodem dalen. Daardoor wordt het dalingsgebied ook groter. Men voorspelt dat het gebied rondom Ten Post tot 2080 flink zal blijven dalen. Ook voor 2080 nemen we aan dat het gebied waar de bodem ten minste 30 centimeter is gedaald bij benadering cirkelvormig is. We nemen ook weer aan dat de dwarsdoorsnede van de bodem rondom het midden van het dalingsgebied de vorm van een parabool heeft waarvan de top overeenkomt met het laagste punt van het dalingsgebied. Voor 2080 wordt de parabool beschreven door de formule h = 0,084 x 2

  • 47 . Hierin is x weer de afstand tot het midden van het dalingsgebied in kilometers en h is weer de daling van de bodem in centimeters.

Volgens de voorspellingen zal de oppervlakte van het gebied met een daling van ten minste 30 cm in 2080 een stuk groter zijn dan in 2013.

Vraag 20 5 punten

Bereken hoeveel keer zo groot. Geef je antwoord als geheel getal.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • De oppervlakte van het gebied (in 2013) is π ⋅ 42 = 50, 2... (km2 ) (1)
  • Het oplossen van de vergelijking 0, 084 x − 47 = −30 (1)
  • (In 2080 is de straal van het gebied dus) ( x =)14, 2... (km) (1)
  • De oppervlakte van het gebied (in 2080) is π ⋅14, 2...2 = 635, 7... (km2 ) (1)
  • Het antwoord: (in 2080 zal de oppervlakte = 12, 6... dus 50, 2... afgerond) 13 (keer zo groot zijn als in 2013) (1)

Als gevolg van de bodemdaling vinden er in Groningen en omgeving aardbevingen plaats. In de tabel zie je hoe snel de aardbevingen elkaar in het jaar 1993 opvolgden.

tabel aardbevingen in 1993 (chronologisch)

aantal dagen sinds

63 21 7 14 40 9 44 0 13 17 27 12 18 3 59 29 de vorige beving

Voorbeeld: de 0 in de tabel geeft aan dat de 7e en 8e aardbeving in 1993 op dezelfde dag plaatsvonden.

Op basis van de tabel en de afzonderlijke lengtes van de kalendermaanden kunnen de volgende conclusies worden getrokken:

  • De tweede en vierde aardbeving in 1993 kunnen in één kalendermaand plaatsgevonden hebben.
  • De eerste aardbeving in 1993 werd voorafgegaan door minstens één aardbevingsvrije kalendermaand.

Vraag 21 4 punten

Geef voor beide conclusies een sluitende redenering.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Tussen de tweede en vierde beving zitten 7+14 = 21 dagen (1)
  • Dus ze zouden in één (kalender)maand hebben kunnen vallen want elke (kalender)maand heeft ten minste 28 dagen (dus conclusie 1 is juist) (1)
  • De maanden november en december hebben samen 61 dagen, de maanden december en januari hebben samen 62 dagen en de maanden januari en februari hebben samen 59 (of 60 dagen) (of: twee (aansluitende) (kalender)maanden hebben samen maximaal 62 dagen) (1)
  • Dat is minder dan 63, dus zelfs als de voorgaande aardbeving op de eerste dag van een (kalender)maand plaats zou hebben gevonden, dan nog zou de eerste aardbeving in 1993 pas twee (kalender)maanden later kunnen zijn (dus conclusie 2 is juist) (1)

Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen vwo Wiskunde C 2019, tijdvak 2. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2019/vwo/documenten/cse-2/vw-1026-a-19-2-o

Andere examens wiskunde C vwo

Hoe ToetsChecker wiskunde C per vraagtype nakijkt, lees je op wiskunde C toetsen nakijken met AI.

Veelgestelde vragen

Hoeveel vragen heeft het eindexamen wiskunde C vwo 2019, tijdvak 2?

Het centraal examen wiskunde C vwo 2019, tijdvak 2 telt 21 vragen. De meeste vragen gaan over formules en grafieken (8), rijen (4) en logisch redeneren (4).

Wat zijn de antwoorden van het examen wiskunde C vwo 2019, tijdvak 2?

Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.

Waar vind ik het correctievoorschrift van wiskunde C vwo 2019, tijdvak 2?

Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2019/vwo/documenten/cse-2/vw-1026-a-19-2-c).

Hoe oefen ik met het examen wiskunde C vwo 2019, tijdvak 2 en krijg ik feedback?

Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.