Eindexamen wiskunde C vwo 2022, tijdvak 3: vragen en antwoorden

Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Matroesjka, Temperatuurschalen, Museumkaart, Waarheidssprekers en leugenaars, Wereldbevolking, El Mirador.

Kort antwoord

Het centraal examen wiskunde C vwo 2022, tijdvak 3 telt 21 vragen. De meeste vragen gaan over formules en grafieken (8), ruimtemeetkunde (6) en statistiek (3). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.

Onderwerpen in dit examen

Onderwerp per vraag in het centraal examen wiskunde C vwo 2022, tijdvak 3. Elke vraag is eenmalig door een AI-model bij een onderwerp ingedeeld; per vraag kan dat afwijken.
OnderwerpVragenAantal
Formules en grafieken5-9, 16-188
Ruimtemeetkunde1-3, 19-216
Statistiek10-123
Logisch redeneren13-153
Rijen41

Vergeleken met andere jaren

Vergeleken met de andere 17 examens wiskunde C vwo sinds 2018: dit examen vroeg meer over ruimtemeetkunde (29% van de vragen, gemiddeld 16%). Minder over rijen (5% van de vragen, gemiddeld 11%).

Opgaven en correctievoorschrift

De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.

Oefenen als leerling

Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen wiskunde C vwo 2022, tijdvak 3 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.

Nakijken als docent

  1. Start gratis vanaf deze pagina

    Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen wiskunde C vwo 2022, tijdvak 3 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.

  2. Laat de klas het examen maken

    Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.

  3. Geef de resultaten vrij

    Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.

ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.

Vragen en antwoorden

Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen wiskunde C vwo 2022, tijdvak 3. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.

Matroesjka

Een matroesjka is een holle houten pop die onderdeel is van een reeks steeds kleinere in elkaar passende poppen. De poppen kunnen opengemaakt worden door middel van een naad in de buik, behalve de kleinste, die vaak als baby is beschilderd. Zo’n reeks bestaat meestal uit zeven of acht poppetjes, maar ook andere aantallen komen voor.

De poppen worden natuurlijk telkens kleiner en smaller en zijn van steeds dunner materiaal gemaakt. We gaan er in deze opgave van uit dat de matroesjka’s exacte verkleiningen van elkaar zijn.

Bij een bepaalde serie van zeven matroesjka’s is de hoogte van elke volgende pop 20% kleiner dan de vorige. De grootste pop is 28 cm hoog.

Vraag 1 3 punten

Bereken de hoogte van het kleinste poppetje. Geef je antwoord in hele mm.

Bekijk het antwoord
  • De groeifactor is 0,8 (1)
  • Het zevende poppetje is dus 0,86 keer zo groot (1)
  • Het antwoord: 7,3 cm (of 73 (mm)) (1)

Niet alleen de hoogte van de poppetjes neemt telkens af. Ook de dikte van het hout waarvan elk volgend poppetje gemaakt is, neemt telkens af met dezelfde factor. Omdat het gewicht van een poppetje evenredig is met het volume van het gebruikte hout, worden de poppetjes snel lichter.

We kijken weer naar de bovengenoemde serie van zeven matroesjka’s. We nemen aan dat alle afmetingen van een volgende pop telkens 20% kleiner zijn dan die van de voorgaande pop.

Vraag 2 3 punten

Bereken hoeveel procent het gewicht van het kleinste poppetje van bovengenoemde serie is van het gewicht van het grootste poppetje. Geef je antwoord in hele procenten.

Bekijk het antwoord

Opmerking Als een kandidaat zowel bij deze als bij de voorgaande vraag met 7 in plaats van 6 stappen gerekend heeft, hiervoor bij deze vraag geen scorepunten in mindering brengen.

Naarmate een serie uit meer poppetjes bestaat, wordt het maken ervan steeds lastiger. Omdat de poppetjes dan niet te snel veel kleiner mogen worden en wel precies in elkaar moeten passen, moeten ze van heel dun materiaal gemaakt worden. De grootste serie matroesjka’s is gemaakt in

2003 door de Russische Youlia Bereznitskaia. Die serie bestaat uit

51 poppetjes. De grootste pop is 53,97 cm hoog, de kleinste 0,31 cm. Als de vergrotingsfactor bij elke opeenvolgende pop dezelfde is, moet die ongeveer 0,9 zijn.

Vraag 3 3 punten

Bereken deze vergrotingsfactor. Geef je antwoord in drie decimalen.

Bekijk het antwoord
  • De groeifactor voor 50 stappen is ( = 0, 0057...) (1)
  • Per verkleining is de groeifactor 0, 0057...50 (1)
  • Het antwoord: 0,902 (1)

Als je al deze 51 poppen in de lengte achter elkaar legt, is dat een flinke sliert. De lengte daarvan kun je berekenen met een rij gedefinieerd door de volgende recursieve formule: S (n) = S (n −1) + 53,97 · 0,9n met S (0) = 53,97 Hierbij is S (n) de lengte van de sliert tot en met de n-de verkleining van het eerste poppetje.

Vraag 4 4 punten

Bereken, uitgaande van de formule van S ( n) , de lengte van deze sliert. Geef je antwoord in hele millimeters.

Bekijk het antwoord

Opmerkingen

  • Als een kandidaat zowel bij deze als bij de voorgaande vraag met 51 in plaats van 50 stappen gerekend heeft, hiervoor bij deze vraag geen scorepunten in mindering brengen.
  • Bij het tweede antwoordelement mag voor een niet volledig juist antwoord 1 scorepunt worden toegekend.

Temperatuurschalen

In Nederland drukken we temperaturen meestal uit in graden Celsius (°C), maar er bestaan veel meer temperatuurschalen. In deze opgave bekijken we een aantal van deze temperatuurschalen.

In de Verenigde Staten wordt de temperatuur uitgedrukt in graden Fahrenheit (°F). De Fahrenheitschaal is in 1724 ontwikkeld door de Duitser Gabriel Fahrenheit. Hij gebruikte bij het bedenken van deze schaal de volgende drie referentiepunten:

1 Hij maakte een mengsel van ijs, water en een bepaald soort zout. Dat was in die tijd de manier om een zo laag mogelijke temperatuur te verkrijgen. Die temperatuur noemde hij 0 °F.

2 Het vriespunt van water. Dat noemde hij 32 °F.

3 De lichaamstemperatuur van een gezond mens. Die noemde hij 96 °F.

In graden Celsius is de lichaamstemperatuur van een gezond mens gelijk aan 37 °C en is het vriespunt van water 0 °C. Zowel de Celsiusschaal als de Fahrenheitschaal is lineair. En ook het verband tussen de temperatuur in graden Celsius en die in graden Fahrenheit is lineair.

Vraag 5 4 punten

Bereken met behulp van de bovenstaande referentiepunten de temperatuur in °C van het ijsmengsel dat Fahrenheit gebruikte.

Bekijk het antwoord
  • 32 °F komt overeen met 0 °C en 96 °F komt overeen met 37 °C (1)
  • Bij een stijging van 64 °F hoort dus een stijging van 37 °C (1)
  • 0 °F komt dus overeen met 0 − 12 · 37 °C (1)
  • Het antwoord: −18,5 (°C) (1)

De metingen van Fahrenheit waren vrij onnauwkeurig en daarmee was zijn temperatuurschaal dat ook. Inmiddels is de Fahrenheitschaal nauwkeuriger vastgesteld en geldt tussen graden Celsius (C) en graden 5 Fahrenheit (F) het volgende verband: C = ( F

  • 32) . 9

Vraag 6 3 punten

Bereken bij welke temperatuur beide temperatuurschalen dezelfde temperatuur aangeven.

Bekijk het antwoord
  • • Er geldt dan C = F (1) 5 (5) • Beschrijven hoe de vergelijking F = ( F − 32) (of C = (C − 32) ) kan 9 (9) worden opgelost (1) • Het antwoord: bij −40 (°C of °F) (1) (3)

Door de bovenstaande formule te herleiden, kun je een formule maken die de temperatuur in graden Fahrenheit uitdrukt in graden Celsius. Deze formule heeft de vorm F = … C + … 5

Vraag 7 3 punten

Herleid deze formule uit de formule C = ( F

  • 32) . 9 Een andere temperatuurschaal is er een die bedacht is door de Engelse wetenschapper Isaac Newton. Op Newtons schaal is het vriespunt van water (0 °C) gelijk aan 0 °N en het kookpunt van water (100 °C) stelde Newton gelijk aan 33 °N. Het verband tussen de schalen van Newton en Celsius is lineair.
Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

  • 9C = 5 F
    • 160 (1)

Opmerkingen

  • Als met onafgeronde decimale getallen is gewerkt, hiervoor geen scorepunten in mindering brengen.
  • Bij het eerste antwoordalternatief mag bij het tweede antwoordelement voor een niet volledig juist antwoord 1 scorepunt worden toegekend.

In het verleden werden zwembaden in de Verenigde Staten op een temperatuur van 84 °F gehouden. Met behulp van de gegevens op de vorige pagina en de formule voor het verband tussen graden Celsius en graden Fahrenheit is te berekenen hoeveel graden dit op de schaal van Newton is.

Vraag 8 4 punten

Voer deze berekening uit. Geef je antwoord in gehelen.

Bekijk het antwoord
  • 84 °F is (84 − 32) = 28,8... °C (1)
  • Het verband tussen Newtons schaal (N) en Celsius (C): N = 0,33C (1)
  • 28,8… °C is 0,33 · 28,8... °N (1)
  • Het antwoord: 10 (°N) (1)

In de wetenschap werkt men meestal met de Kelvinschaal. Deze schaal is afgeleid van de Celsiusschaal, maar heeft een ander nulpunt, namelijk het zogenoemde absolute nulpunt. Dat is de laagst mogelijke temperatuur. In graden Celsius is dat −273,15 °C.

In de figuur zijn de grafieken getekend van verschillende temperatuurschalen: Celsius, Fahrenheit en Kelvin. Deze grafieken staan ook op de uitwerkbijlage. Beide assen hebben een lineaire schaalverdeling. Op de horizontale as is echter geen schaalverdeling weergegeven: daar staan enkele natuurkundige verschijnselen die bij de betreffende temperaturen plaatsvinden. De grafieken van de Celsiusschaal en de Kelvinschaal zijn evenwijdig.

figuur 500 Kelvin 400 Fahrenheit 300

200 Celsius 100

0

-100

-200 temperatuur lichaams- -300 ijsmengsel temperatuur Fahrenheit -400 smeltpunt kookpunt -500 van water van water

Vraag 9 4 punten

Bepaal met behulp van de figuur op de uitwerkbijlage bij welke temperatuur, uitgedrukt in graden Celsius, de schalen van Fahrenheit en Kelvin dezelfde waarde aangeven.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

Voorbeeld van een tekening

500 Kelvin 400 Fahrenheit 300

200 Celsius 100

0

-100

-200 temperatuur lichaams- -300 ijsmengsel temperatuur Fahrenheit -400 smeltpunt kookpunt -500 van water van water

Museumkaart

Sinds 1981 bestaat in Nederland de Museumkaart. Als je zo’n kaart koopt, mag je een jaar lang gratis ruim 400 musea in Nederland bezoeken. Deze kaart is een initiatief van de gezamenlijke musea, bedoeld om zowel de musea aan extra inkomsten te helpen als het museumbezoek te bevorderen. Beide doelstellingen worden gehaald: musea trekken meer bezoekers (en krijgen meer inkomsten) en kopers van een kaart gaan zó vaak naar een museum, dat het hun per bezoek aanmerkelijk minder kost dan wanneer ze losse toegangskaartjes zouden kopen.

In 2013 kostte een Museumkaart voor minderjarigen € 25. Voor volwassenen was de prijs € 50. Er werden dat jaar 1 miljoen Museumkaarten verkocht. Dit bracht 40,3 miljoen euro op.

Vraag 10 4 punten

Bereken hoeveel Museumkaarten in 2013 aan minderjarigen werden verkocht.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

  • De vergelijking 25 x + 50 · (1000 000
    • x) = 40 300 000 moet worden opgelost (1)

De 1 miljoen Museumkaarthouders bezochten in 2013 in totaal 6,4 miljoen keer een museum met hun kaart. Zonder Museumkaart zou de gemiddelde toegangsprijs van deze bezoeken € 10,26 geweest zijn. In 2013 keerde de Stichting Museumkaart de bezochte musea 60% van de toegangsprijs uit, betaald uit de opbrengst van de Museumkaart. Het resterende bedrag van de opbrengst van de Museumkaart werd besteed aan bureaukosten.

Vraag 11 3 punten

Bereken de bureaukosten van deze stichting in 2013. Geef je antwoord in honderdduizenden euro’s nauwkeurig.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • De kaarten zouden zonder Museumkaart (6, 4 ·106 ·10, 26 =) 65, 6... miljoen (euro) opgebracht hebben (1)
  • Uitgekeerd werd (0, 6 · 65, 6... =) 39,3... miljoen (euro) (1)
  • Het antwoord: (40,3 − 39,3... ≈) 0,9 miljoen (euro) (of 900 000 (euro)) (1)

In het jaarverslag over 2013 van de stichting staat:

A: De ruim 6,4 miljoen bezoeken door Museumkaarthouders in 2013 is ruim 20% meer dan in 2012. Het gemiddeld gebruik per Museumkaart steeg hiermee ten opzichte van het jaar ervoor met ongeveer een half bezoek. Dit is te danken aan het aantrekkelijke aanbod van de musea.

Ook staat in dit verslag:

B: Het aantal kaarthouders is ten opzichte van 2012 toegenomen met 18%.

Zoals eerder vermeld, bezochten de 1 miljoen kaarthouders in 2013 in totaal 6,4 miljoen keer een museum.

Vraag 12 5 punten

Toon met berekeningen aan dat deze gegevens A en B met elkaar in tegenspraak zijn.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

  • (Uit A en B samen volgt:) het gemiddeld aantal museumbezoeken in 5,3... ·106

2012 zou gelijk moeten zijn aan ( =) 6, 2... (1) 0,8... ·106

  • (Maar uit A volgt ook:) het gemiddeld aantal museumbezoeken in 2012 is gelijk aan (6,4
    • 0,5 =) 5,9 (dus deze gegevens A en B zijn met elkaar in tegenspraak) (1) of
  • De toename van het aantal kaarthouders van 2012 naar 2013:

1 ·106 ( = 1,106... dus) 11%; dit is in tegenspraak met de 18% van B (1) 0,9... ·106

Waarheidssprekers en leugenaars

Op een eiland wonen uitsluitend waarheidssprekers en leugenaars. Waarheidssprekers spreken altijd de waarheid en leugenaars liegen altijd. Desgevraagd zegt een van hen, Louise: “Ik ben een leugenaar of Johan is een waarheidsspreker.” We gebruiken de volgende afkortingen om de situatie nader te onderzoeken:

A Louise is een leugenaar

B Louise is een waarheidsspreker

C Johan is een leugenaar

D Johan is een waarheidsspreker

Als Louise een leugenaar is, is wat zij zegt onwaar. Dit feit kunnen we met behulp van logische symbolen vertalen in een logische formule:

A ⇒ ¬ ( A ∨ D) Maar als Louise een waarheidsspreker is, is wat zij zegt wél waar.

Vraag 13 2 punten

Vertaal dit feit op een vergelijkbare manier in een logische formule. Maak daarbij gebruik van bovenstaande afkortingen.

Bekijk het antwoord

Opmerking Bij deze vraag uitsluitend 0 of 2 scorepunten toekennen.

Vraag 14 4 punten

Onderzoek welke twee van de beweringen A, B, C en D juist zijn.

Bekijk het antwoord
  • Als A waar is, dan moet A ∨ D onwaar zijn (1)
  • Dit is onmogelijk dus B is waar (1)
  • Daaruit volgt A ∨ D is waar (1)
  • (A is onwaar, dus) D is waar (1)

Als Louise alleen gezegd zou hebben: “Ik ben een leugenaar”, dan zou er een bijzondere situatie ontstaan zijn.

Vraag 15 3 punten

Leg uit waarom er een bijzondere situatie zou zijn ontstaan en geef aan welke bijzondere situatie er ontstaan zou zijn.

Bekijk het antwoord

Opmerking Als de bijzondere situatie door een kandidaat wordt aangeduid met het woord ‘paradox’, hiervoor geen scorepunten in mindering brengen.

Wereldbevolking

De Amerikaanse schrijver Asimov voorspelde in 1971 nog dat de wereldbevolking zou blijven groeien totdat de hele aardbol net zo vol was als Manhattan. Zo ver zal het echter niet komen.

In figuur 1 zie je de groei van de wereldbevolking vanaf 1804.

[figuur 1: zie het originele examen] Wereldbevolking in miljarden 2011

1999 7

1987 6

1974 5

1959 4

1927 3

1804 2 1

123 jaar 32 15 13 12 12

Zo zie je dat de omvang van de wereldbevolking van 1 miljard mensen in

1804 was toegenomen tot 4 miljard mensen in 1974.

Door de afronding op miljarden is in figuur 1 niet goed te zien op welke manier de wereldbevolking tussen 1987 en 2011 is gegroeid. Als je uitgaat van lineaire groei en veronderstelt dat deze zich ook na

2011 voortzet, dan zullen er in het jaar 2100 ongeveer 14,4 miljard bewoners zijn. Er zou echter ook sprake kunnen zijn van exponentiële groei. Als je daarmee doorrekent, kom je op een heel andere voorspelling voor het jaar 2100.

Vraag 16 4 punten

Bereken, uitgaande van de gegevens van 1987 en 2011, hoe groot het verschil is tussen de lineaire voorspelling en de exponentiële voorspelling voor de omvang van de wereldbevolking in het jaar 2100. Geef je antwoord in hele miljarden.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • De groeifactor in 24 jaar is 1,4 (1)
  • De groeifactor per jaar is (1, 4 24 =) 1, 014... (1)
  • In 2100 zijn er dan (7 ·1, 014...89 =) 24,37... (miljard) mensen (1)
  • Het verschil tussen de exponentiële en de lineaire voorspelling is 10 (miljard) (mensen) (1)

Tot nu toe werd door demografen aangenomen dat in de tweede helft van deze eeuw het aantal mensen zou stabiliseren. De aarde zou dan

9 miljard bewoners hebben en er niet meer bij krijgen. Maar dat is niet het geval, zegt een commissie van de Verenigde Naties (VN) in een nieuwe studie. De wereldbevolking zal groeien van 7,2 miljard mensen in 2014 naar 10 tot 12 miljard in 2100. Belangrijkste reden voor de stijging ligt in de aanhoudend hoge geboortecijfers in Afrika.

In figuur 2 is dat duidelijk te zien. Het aandeel van de bevolking van Azië neemt sterk af, maar dat van Afrika blijft stijgen.

[figuur 2: zie het originele examen] 70 % van de totale wereldbevolking 60 Azië

50

40

30 Afrika Europa 20 Amerika 10

Australië/Oceanië 0

1950 1980 2010 2040 2070 2100 tijd

In de figuur is te zien dat in 2011 nog 60% van de wereldbevolking in Azië leefde en slechts 15% in Afrika. Die verhouding zal de komende jaren sterk veranderen.

In figuur 2 is de lijn die bij Afrika hoort vanaf 2040 vrijwel recht.

Vraag 17 4 punten

Onderzoek, uitgaande van de studie van de VN, of dat betekent dat de omvang van de bevolking van Afrika afnemend stijgt, constant stijgt of toenemend stijgt.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Het percentage van Afrika stijgt voortdurend (1)
  • De totale wereldbevolking stijgt (volgens de VN-studie) voortdurend (1)
  • Het gaat dus om een steeds groter percentage van een voortdurend stijgend totaal (1)
  • Dat leidt tot een steeds grotere stijging van de Afrikaanse bevolkingsomvang (dus er is sprake van toenemende stijging) (1)

Figuur 2 staat ook vergroot op de uitwerkbijlage. De lijn die bij Azië hoort, is vanaf 2040 ook recht. Neem aan dat die lijnen ook na het jaar 2100 zo zullen doorlopen. Uitgaande van figuur 2 op de uitwerkbijlage kun je voor PAzië , het percentage dat bij Azië hoort, de volgende formule opstellen: PAzië = 58

  • 0, 2 · t met t = 0 in 2040 en t in jaren

Vraag 18 5 punten

Bereken, uitgaande van de formule voor PAzië en de uitwerkbijlage, in welk jaar dan anderhalf maal zoveel mensen in Afrika als in Azië wonen.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerking Bij het aflezen in de grafiek mag een marge van 1% gehanteerd worden.

El Mirador

El Mirador is een bijzonder flatgebouw in Madrid, ontworpen door de architecten van MDRDV uit Rotterdam. Zie de foto.

foto

Hoewel op de foto de indruk gewekt wordt dat de benedenverdieping, ook wel begane grond genoemd, hoger is dan de andere verdiepingen, gaan we er in deze opgave van uit dat het gebouw, inclusief de begane grond,

21 even hoge verdiepingen telt. De totale vloeroppervlakte van alle verdiepingen samen is 25 393 m2.

Van het gebouw is een maquette gemaakt op schaal 1:50.

Vraag 19 2 punten

Bereken de totale vloeroppervlakte van alle verdiepingen samen in de maquette. Geef je antwoord in hele m2.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • De vloeroppervlakte van de maquette is 50 2 (= 2500) maal zo klein (1)
  • ≈ 10 (m2) (1)

Het meest opvallend aan het gebouw is de vijf verdiepingen hoge open ruimte op het dak van de elfde verdieping, 36,8 meter boven de grond.

Met behulp van bovenstaande gegevens kun je een goede schatting maken van de totale inhoud van het gebouw.

Vraag 20 3 punten

Bereken de totale inhoud van het gebouw. Geef je antwoord in hele m3.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • De hoogte van een verdieping is = 3, 06... (meter) (1)
  • De totale inhoud van het gebouw is 3, 06... · 25393 (m3) (1)
  • Het antwoord: 77 872 (m3) (1)

Op de uitwerkbijlage is een begin gemaakt van een tekening van het gebouw in tweepuntsperspectief. Niet alle lijnstukken zijn getekend. De doorgetrokken lijnstukken hebben de juiste lengte maar de gestippelde lijnstukken niet. Er is een iets ander gezichtspunt gekozen dan bij de foto.

Vraag 21 5 punten

Maak de tekening van het gebouw (zonder ramen en deuren) op de uitwerkbijlage af.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerking Als de horizon op basis van slechts één verdwijnpunt getekend wordt, ten hoogste 4 scorepunten voor deze vraag toekennen.

Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen vwo Wiskunde C 2022, tijdvak 3. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2022/vwo/documenten/cse-3/vw-1026-a-22-3-o

Andere examens wiskunde C vwo

Hoe ToetsChecker wiskunde C per vraagtype nakijkt, lees je op wiskunde C toetsen nakijken met AI.

Veelgestelde vragen

Hoeveel vragen heeft het eindexamen wiskunde C vwo 2022, tijdvak 3?

Het centraal examen wiskunde C vwo 2022, tijdvak 3 telt 21 vragen. De meeste vragen gaan over formules en grafieken (8), ruimtemeetkunde (6) en statistiek (3).

Wat zijn de antwoorden van het examen wiskunde C vwo 2022, tijdvak 3?

Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.

Waar vind ik het correctievoorschrift van wiskunde C vwo 2022, tijdvak 3?

Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2022/vwo/documenten/cse-3/vw-1026-a-22-3-c).

Hoe oefen ik met het examen wiskunde C vwo 2022, tijdvak 3 en krijg ik feedback?

Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.