Eindexamen wiskunde C vwo 2026, tijdvak 1: vragen en antwoorden
Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Medailles in Tokio, Otters in Nederland, Gerard Walraeven, De vergeetcurve, Radiogolven, Bruggen bouwen.
Het centraal examen wiskunde C vwo 2026, tijdvak 1 telt 23 vragen. De meeste vragen gaan over formules en grafieken (10), logisch redeneren (4) en statistiek (3). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.
Onderwerpen in dit examen
| Onderwerp | Vragen | Aantal |
|---|---|---|
| Formules en grafieken | 2, 6-8, 12-17 | 10 |
| Logisch redeneren | 20-23 | 4 |
| Statistiek | 1, 3, 5 | 3 |
| Kansrekening | 4, 18-19 | 3 |
| Ruimtemeetkunde | 9-11 | 3 |
Vergeleken met andere jaren
Vergeleken met de andere 17 examens wiskunde C vwo sinds 2018: dit examen vroeg meer over kansrekening (13% van de vragen, gemiddeld 5%). Minder over rijen (0% van de vragen, gemiddeld 11%).
Opgaven en correctievoorschrift
- Opgaven
- Uitwerkbijlage (herziene versie)
- Erratum op uitwerkbijlage
- Correctievoorschrift
- Aanvulling correctievoorschrift
De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.
Oefenen als leerling
Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen wiskunde C vwo 2026, tijdvak 1 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.
Nakijken als docent
Start gratis vanaf deze pagina
Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen wiskunde C vwo 2026, tijdvak 1 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.
Laat de klas het examen maken
Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.
Geef de resultaten vrij
Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.
ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.
Vragen en antwoorden
Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen wiskunde C vwo 2026, tijdvak 1. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.
Medailles in Tokio
In de zomer van 2021 werden in Tokio de Olympische Spelen gehouden. Voor een Nederlandse olympiër leverde elke medaille een bonus op. De basis-bonusbedragen hiervoor staan in tabel 1.
tabel 1
| medaillekleur | basis-bonusbedrag |
|---|---|
| goud | € 30 000 |
| zilver | € 22 500 |
| brons | € 15 000 |
In totaal behaalde TeamNL (alle Nederlandse olympiërs) 10 gouden, 12 zilveren en 14 bronzen medailles. Op basis van tabel 1 zou hiervoor € 780 000 aan bonusbedragen aan TeamNL uitgereikt moeten zijn.
Voor het begin van de Olympische Spelen van 2021 voorspelden Fabian ten Kate en Elmer Sterken van de Rijksuniversiteit Groningen in totaal geen 36, maar 34 medailles voor TeamNL. Stel dat TeamNL evenveel gouden als zilveren medailles zou hebben behaald, dan zou het ook met een totaal van 34 (gouden, zilveren en bronzen) medailles mogelijk zijn geweest om op een totaal van € 780 000 aan bonusbedragen uit te komen.
Vraag 1 3 punten
Bereken hoeveel gouden medailles TeamNL dan behaald zou hebben.
Bekijk het antwoord
- (Een aanpak door middel van gericht zoeken:) 12 gouden, 12 zilveren en 10 bronzen medailles zijn in totaal 34 medailles (1)
- Bij deze verdeling is het totaal aan bonusbedragen $30\,000 \cdot 12 + 22\,500 \cdot 12 + 15\,000 \cdot 10 = 780\,000$ (1)
- Dus 12 gouden medailles (1)
of
- (Een gouden medaille levert twee keer zoveel op als een bronzen medaille, dus) bij twee gouden medailles meer en vier bronzen medailles minder (ten opzichte van de werkelijk behaalde aantallen) blijft het bonusbedrag gelijk (1)
- Bovendien kom je dan op totaal $(36 + 2 - 4 =)\ 34$ medailles (1)
- Bij twee gouden medailles meer (ten opzichte van het werkelijk behaalde aantal) zijn er 12 gouden medailles (1)
of
- $g + z + b = 34$ en $z = g$ geeft $g + g + b = 34$ en dit geeft $b = 34 - 2g$ (1)
- Beschrijven hoe de vergelijking $30\,000g + 22\,500g + 15\,000(34 - 2g) = 780\,000$ kan worden opgelost (1)
- Dit geeft $g = 12$, dus 12 gouden medailles (1)
Naast de basis-bonusbedragen in tabel 1 werden er twee regels voor het toekennen van bonusbedragen gehanteerd.
Bij teamsporten (zoals volleybal) moet het bonusbedrag dat bij een medaille hoort, verdeeld worden over het team. Daar is Regel 1 voor.
Regel 1
Voor olympiërs die een medaille met een team gewonnen hebben, geldt dat het totaalbedrag voor het team gelijk is aan het basis-bonusbedrag voor de medaille vermenigvuldigd met de wortel van het aantal teamleden. Dat totaalbedrag moet weer gedeeld worden door het aantal teamleden om het bonusbedrag per teamlid te bepalen.
Het bonusbedrag $P$ (in euro’s) per teamlid zoals beschreven in Regel 1 kan berekend worden met de formule:
P = B \cdot n^{-0{,}5}
Hierin is $B$ (in euro’s) het basis-bonusbedrag voor de medaille en $n$ het aantal teamleden.
Uit Regel 1 en de bijbehorende formule $P = B \cdot n^{-0{,}5}$ volgt: hoe groter het aantal teamleden, hoe lager het bonusbedrag per teamlid. Dus bij een heel groot team zou het bonusbedrag per teamlid heel laag kunnen worden. Daarom is het minimale bonusbedrag per teamlid voor een gouden medaille vastgesteld op € 11 000.
Vraag 2 3 punten
Bereken uit hoeveel teamleden een gouden team hoogstens mag bestaan om per teamlid meer dan € 11 000 te ontvangen.
Bekijk het antwoord
- $n = 7$ geeft $P = 11\,338{,}...\ (> 11\,000)$ (1)
- $n = 8$ geeft $P = 10\,606{,}...\ (< 11\,000)$ (1)
- Dus (het team moet bestaan uit hoogstens) 7 (leden) (1)
of
- De vergelijking $30\,000 \cdot n^{-0{,}5} = 11\,000$ moet worden opgelost (1)
- Beschrijven hoe deze vergelijking kan worden opgelost (1)
- Dit geeft $n = 7{,}4...$, dus (het team moet bestaan uit hoogstens) 7 (leden) (1)
Opmerking: In het eerste antwoordalternatief moeten het eerste en tweede antwoordelement expliciet genoemd zijn.
De tweede regel die werd gehanteerd, gaat over het behalen van meerdere medailles door dezelfde olympiër.
Regel 2
De bonusbedragen die horen bij de medailles van een olympiër die meerdere medailles heeft gewonnen, worden eerst van hoog naar laag gerangschikt. Vervolgens krijgt de olympiër voor de medaille met het hoogste bonusbedrag het volledige bonusbedrag. Voor de tweede medaille en de derde medaille krijgt de olympiër respectievelijk $\frac{2}{3}$ en $\frac{1}{3}$ van het bonusbedrag.
De Nederlandse hardloopster Sifan Hassan won op de Olympische Spelen in Tokio twee gouden en één bronzen medaille. Daarmee verdiende ze het hoogste totale bonusbedrag. De Nederlandse baanwielrenner Harrie Lavreysen behaalde op de Olympische Spelen in Tokio ook twee gouden en één bronzen medaille.
In tabel 2 staan voor Hassan en Lavreysen de behaalde prestaties opgesomd.
tabel 2
| naam | medaille | onderdeel | aantal teamleden |
|---|---|---|---|
| Hassan | goud | atletiek-5000 meter | n.v.t. |
| Hassan | goud | atletiek-10 000 meter | n.v.t. |
| Hassan | brons | atletiek-1500 meter | n.v.t. |
| Lavreysen | goud | baanwielrennen-sprint | n.v.t. |
| Lavreysen | goud | baanwielrennen-teamsprint | 4 |
| Lavreysen | brons | baanwielrennen-keirin | n.v.t. |
Zoals in tabel 2 te zien is, won Lavreysen één van zijn gouden medailles in een team. Door Regel 1 en Regel 2 was zijn totale bonusbedrag lager dan dat van Hassan.
Vraag 3 3 punten
Bereken hoeveel bonusgeld Hassan meer verdiende dan Lavreysen.
Bekijk het antwoord
- Het totale bonusbedrag van Hassan is $30\,000 + \frac{2}{3} \cdot 30\,000 + \frac{1}{3} \cdot 15\,000 = 55\,000$ (euro) (1)
- Lavreysen verdient als teamlid $30\,000 \cdot 4^{-0{,}5} = 15\,000$ (euro) voor zijn gouden (teamlid-)medaille (1)
- Het totale bonusbedrag van Lavreysen is $30\,000 + \frac{2}{3} \cdot 15\,000 + \frac{1}{3} \cdot 15\,000 = 45\,000$ (euro), dus het verschil is $(55\,000 - 45\,000 =)\ 10\,000$ (euro) (1)
of
- (Het verschil zit in de gouden teamlid-medaille;) Lavreysen verdient als teamlid $30\,000 \cdot 4^{-0{,}5} = 15\,000$ (euro) voor zijn gouden (teamlid-)medaille (1)
- Hiervoor ontvangt hij $\frac{2}{3} \cdot 15\,000 = 10\,000$ (euro) (1)
- Hassan verdient voor haar tweede gouden medaille $\frac{2}{3} \cdot 30\,000 = 20\,000$ (euro), dus het verschil is $(20\,000 - 10\,000 =)\ 10\,000$ (euro) (1)
De medaillespiegel is een klassement waarin de deelnemende landen gerangschikt worden naar het aantal behaalde (gouden) medailles.
Aan de Olympische Spelen in Tokio deden 206 landen mee. Vooraf werden er een aantal voorspellingen gedaan welke landen waar in de top 10 zouden belanden. Zie tabel 3.
tabel 3
| zullen zeker in de top vijf komen | zullen zeker in de top tien komen |
|---|---|
| Verenigde Staten | Groot-Brittannië |
| China | Duitsland |
| Japan | Frankrijk |
Verder werden er nog veertien landen genoemd die naast de zes hierboven genoemde landen mogelijk ook in de top 10 zouden kunnen komen. Zie tabel 4.
tabel 4
| Nederland | Spanje | Rusland | Cuba | Finland |
| Zuid-Korea | Canada | Australië | Italië | Brazilië |
| Nieuw-Zeeland | Zweden | Hongarije | Noorwegen |
De meest voorspelde top 10 was deze:
1 Verenigde Staten
2 China
3 Japan
4 Groot-Brittannië
5 Rusland
6 Australië
7 Nederland
8 Frankrijk
9 Duitsland
10 Italië
Vraag 4 4 punten
Bereken hoeveel verschillende top 10-klassementen mogelijk zijn op basis van de informatie in tabel 3 en tabel 4.
Bekijk het antwoord
- De VS, China en Japan kunnen op $5 \cdot 4 \cdot 3\ (= 60)$ manieren gerangschikt worden (1)
- De landen die zeker in de top 10 zullen komen, kunnen op $7 \cdot 6 \cdot 5\ (= 210)$ manieren gerangschikt worden (1)
- De overige landen die de top 10 aanvullen, kunnen op $14 \cdot 13 \cdot 12 \cdot 11\ (= 24\,024)$ manieren gerangschikt worden (1)
- In totaal zijn er dus $60 \cdot 210 \cdot 24\,024 = 302\,702\,400$ verschillende top 10-klassementen mogelijk (1)
of
- De VS, China en Japan kunnen op $\binom{5}{3} \cdot 3!\ (= 60)$ manieren gerangschikt worden (1)
- De landen die zeker in de top 10 zullen komen, kunnen op $\binom{7}{3} \cdot 3!\ (= 210)$ manieren gerangschikt worden (1)
- De overige landen die de top 10 zullen aanvullen, kunnen op $\binom{14}{4} \cdot 4!\ (= 24\,024)$ manieren gerangschikt worden (1)
- In totaal zijn er dus $60 \cdot 210 \cdot 24\,024 = 302\,702\,400$ verschillende top 10-klassementen mogelijk (1)
of
- Van de 14 overige landen komen er nog 4 in de top 10, dat kan op $\binom{14}{4}\ (= 1001)$ manieren (1)
- De VS, China en Japan kunnen op $5 \cdot 4 \cdot 3\ (= 60)$ manieren gerangschikt worden (1)
- De overige 7 landen kunnen op $7 \cdot 6 \cdot 5 \cdot 4 \cdot 3 \cdot 2 \cdot 1\ (= 5040)$ manieren gerangschikt worden (1)
- In totaal zijn er dus $1001 \cdot 60 \cdot 5040 = 302\,702\,400$ verschillende top 10-klassementen mogelijk (1)
of
- Van de 14 overige landen komen er nog 4 in de top 10, dat kan op $\binom{14}{4}\ (= 1001)$ manieren (1)
- Van de 7 landen waarmee de top tien wordt aangevuld komen er 2 in de top 5, dat kan op $\binom{7}{2}\ (= 21)$ manieren (1)
- De top 5-landen en de landen op de plaatsen 6 tot en met 10 kunnen beiden op $5!\ (= 120)$ manieren gerangschikt worden (1)
- In totaal zijn er dus $1001 \cdot 21 \cdot 120 \cdot 120 = 302\,702\,400$ verschillende top 10-klassementen mogelijk (1)
Otters in Nederland

Vanaf 2002 groeit de populatie otters in Nederland. Dit wordt onderzocht door Nederland op te delen in zogeheten kilometerhokken (km-hokken). Dat zijn vierkante gebieden van 1 bij 1 km.
In de winter van 2013/2014 vond men in 290 km-hokken sporen van otters. Een jaar later waren dat er minder, maar de jaren daarna nam het aantal km-hokken waarin sporen van otters werden waargenomen flink toe. Zie de tabel.
tabel
aantal km-hokken waarin sporen van otters worden waargenomen
| winter van | procentuele verandering ten opzichte van de winter ervoor |
|---|---|
| 2013/2014 | |
| 2014/2015 | −7% |
| 2015/2016 | 20% |
| 2016/2017 | 23% |
| 2017/2018 | 4% |
| 2018/2019 | 12% |
In de tabel staat hoe het aantal km-hokken waarin sporen van otters zijn waargenomen zich heeft ontwikkeld vanaf de winter van 2013/2014 tot en met de winter van 2018/2019.
Vraag 5 3 punten
Bereken met hoeveel procent het aantal km-hokken waarin sporen van otters zijn waargenomen is toegenomen in deze periode. Geef je antwoord als een geheel getal.
Bekijk het antwoord
- De (groei)factoren 0,93; 1,2; 1,23; 1,04; 1,12 (1)
- De groeifactor voor de hele periode is $0{,}93 \cdot 1{,}2 \cdot 1{,}23 \cdot 1{,}04 \cdot 1{,}12$ (1)
- Het antwoord: ($0{,}93 \cdot 1{,}2 \cdot 1{,}23 \cdot 1{,}04 \cdot 1{,}12 = 1{,}5988...$, dus) 60 (%) (1)
Opmerkingen:
- Als een kandidaat rekent met een zelfgekozen getallenvoorbeeld, hiervoor geen scorepunten in mindering brengen.
- Als een kandidaat in een (zelfgekozen) getallenvoorbeeld elke stap apart uitrekent en in elke stap het aantal km-hokken afrondt op helen, met als eindantwoord 61%, hiervoor geen scorepunten in mindering brengen.
Otters kwamen dus in steeds meer km-hokken voor en uit onderzoek blijkt dat de populatieomvang ook daadwerkelijk toenam. Het bepalen van de populatieomvang was lange tijd omslachtig. Op een gegeven moment ontdekte men echter een verband tussen het aantal aangereden otters en de populatieomvang. De stippen in figuur 1 geven dit verband voor de jaren 2003 tot en met 2017 weer.
figuur 1
| populatieomvang | trendlijn |
|---|---|
| 0 | 0 |
| 270 | 65 |
In de jaren 2003-2017 blijkt de populatieomvang bij benadering recht evenredig te zijn met het aantal aangereden otters. Dit wordt weergegeven door de trendlijn in figuur 1. Deze trendlijn kan gebruikt worden om in de jaren na 2017 de populatieomvang te schatten.
In 2018 zijn er 97 otters aangereden.
Vraag 6 3 punten
Gebruik de trendlijn om de geschatte populatieomvang in 2018 te berekenen.
Bekijk het antwoord
- Aflezen van een punt op de lijn, bijvoorbeeld (250, 60) (1)
- Volgens de evenredigheid is de populatieomvang $\frac{250}{60}\ (= 4{,}16...)$ keer zo groot als het aantal aangereden otters (1)
- Het antwoord: (($\frac{250}{60} \cdot 97 = 404{,}1...$), dus) 404 (otters) (1)
Opmerking: De toegestane afleesmarges zijn 5 voor de populatieomvang en 1 voor het aantal aangereden otters.
De schatting van de populatieomvang in 2018 op basis van de genoemde evenredigheid bleek te hoog. In figuur 2 is de werkelijke ontwikkeling van de populatieomvang van de otters in de periode 2003 tot en met 2019 weergegeven. Hierbij zijn de aantallen altijd aan het eind van het jaar bepaald.
figuur 2
| jaar | trendlijn |
|---|---|
| 2003 | 12,6 |
| 2004 | 15,6 |
| 2005 | 19,2 |
| 2006 | 23,7 |
| 2007 | 29,2 |
| 2008 | 36,0 |
| 2009 | 44,5 |
| 2010 | 54,8 |
| 2011 | 67,6 |
| 2012 | 83,4 |
| 2013 | 102,9 |
| 2014 | 126,9 |
| 2015 | 156,6 |
| 2016 | 193,2 |
| 2017 | 238,3 |
| 2018 | 293,9 |
| 2019 | 362,5 |
| 2019,5 | 402,6 |
Op basis van de getekende trendlijn in figuur 2 gaan onderzoekers er vanuit dat de populatie otters elk jaar met hetzelfde percentage toeneemt. De populatieomvang is in de periode 2009 tot en met 2019 toegenomen van 44 tot 360 otters. Dit betekent een jaarlijkse groei van (afgerond) 23%.
Vraag 7 3 punten
Bereken in één decimaal het jaarlijkse groeipercentage dat uit de gegevens volgt.
Bekijk het antwoord
- (Voor deze periode van 10 jaar is) de (groei)factor $\frac{360}{44}\ (= 8{,}18...)$ (1)
- De groeifactor per jaar is $(8{,}18...)^{\frac{1}{10}}$ (1)
- Het antwoord: ($(8{,}18...)^{\frac{1}{10}} = 1{,}2339...$, dus) 23,4 (%) (1)
Opmerkingen:
- Als gerekend wordt met $(360 - 44)^{\frac{1}{10}}$, voor deze vraag maximaal 1 scorepunt toekennen.
- Als gerekend wordt met $\frac{8{,}18...}{10}$, voor deze vraag maximaal 1 scorepunt toekennen.
We nemen aan dat de populatie otters na 2019 met 23% per jaar bleef groeien.
Vraag 8 5 punten
Bereken in welk jaar de jaarlijkse toename voor het eerst meer is dan 360 otters.
Bekijk het antwoord
- De populatieomvang aan het eind van een jaar is $360 \cdot 1{,}23^t$ (met $t = 0$ eind 2019) (1)
- De populatieomvang is eind 2026, 2027 en 2028 respectievelijk $360 \cdot 1{,}23^7 = 1533{,}...$, $360 \cdot 1{,}23^8 = 1886{,}...$ en $360 \cdot 1{,}23^9 = 2319{,}...$ (1)
- (De toename in 2027 is) $1886{,}... - 1533{,}... = 352{,}...\ (< 360)$ (1)
- (De toename in 2028 is) $2319{,}... - 1886{,}... = 433{,}...\ (> 360)$ (1)
- Het antwoord: (dus vanaf) 2028 (1)
of
- De populatieomvang aan het eind van een jaar is $360 \cdot 1{,}23^t$ (met $t = 0$ eind 2019) (1)
- Het aantal otters dat er jaarlijks bijkomt, is $360 \cdot 1{,}23^t - 360 \cdot 1{,}23^{t-1}$ (met $t = 0$ eind 2019) (1)
- De vergelijking $360 \cdot 1{,}23^t - 360 \cdot 1{,}23^{t-1} = 360$ moet worden opgelost (1)
- Beschrijven hoe deze vergelijking kan worden opgelost (1)
- Het antwoord: dit geeft $t = 8{,}09...$, dus (vanaf) 2028 (1)
of
- De populatieomvang aan het eind van een jaar is $360 \cdot 1{,}23^t$ (met $t = 0$ eind 2019) (1)
- Het inzicht dat als de toename meer dan 360 moet zijn, dat het jaar ervoor de populatieomvang dan $\frac{360}{0{,}23} = 1565{,}...$ (otters) moet zijn (1)
- De vergelijking $360 \cdot 1{,}23^t = 1565{,}...$ (met $t = 0$ eind 2019) moet worden opgelost (1)
- Beschrijven hoe deze vergelijking kan worden opgelost (1)
- Het antwoord: dit geeft $t = 7{,}09...$, dus (eind 2027 is de populatie groot genoeg voor een toename van meer dan 360, dus vanaf) 2028 (1)
Opmerkingen:
- Als de kandidaat rekent met de groeifactor die in het vorige onderdeel gevonden is, hiervoor geen scorepunten in mindering brengen.
- In het eerste antwoordalternatief moeten het derde en vierde antwoordelement expliciet genoemd zijn.
Gerard Walraeven
Gerard Walraeven (1942-2010) heeft de kunstwerken op foto 1 en foto 2 gemaakt. Beide kunstwerken hebben een glanzende, roestvrijstalen binnenkant met daaromheen een laag zogeheten cortenstaal dat zich als het ware openvouwt.


De roestvrijstalen binnenkant van het kunstwerk op foto 1 is een piramide. Deze piramide heeft een vierkant grondvlak met zijden van 100 cm en een top op 72 cm hoogte boven het midden van het grondvlak.
De roestvrijstalen binnenkant van het kunstwerk op foto 2 is een kubus met zijden van 100 cm.
De inhoud van de kubus is ongeveer vier keer zo groot als de inhoud van de piramide.
Vraag 9 3 punten
Toon dit aan.
Bekijk het antwoord
- De inhoud van de kubus is $100^3\ (= 1\,000\,000)$ (cm$^3$) (1)
- De inhoud van de piramide is $\frac{1}{3} \cdot 100^2 \cdot 72\ (= 240\,000)$ (cm$^3$) (1)
- Het antwoord: $\frac{1\,000\,000}{240\,000} = 4{,}16...$ (dus ongeveer 4 keer zo groot) (1)
of
- De inhoud van de kubus is $100 \cdot 100 \cdot 100\ (= 1\,000\,000)$ (cm$^3$) (1)
- De inhoud van de piramide is $\frac{1}{3} \cdot 100 \cdot 100 \cdot 72 = 24 \cdot 100 \cdot 100\ (= 240\,000)$ (cm$^3$) (1)
- Het antwoord: $100 \cdot 100 \cdot 100$ is ongeveer $4 \cdot 24 \cdot 100 \cdot 100\ (= 96 \cdot 100 \cdot 100)$ (of $1\,000\,000$ is ongeveer $4 \cdot 240\,000$) (dus ongeveer 4 keer zo groot) (1)
Stel dat de laag cortenstaal bij beide kunstwerken dichtgevouwen zou kunnen worden, dan zou deze laag de piramide respectievelijk de kubus precies bedekken. We verwaarlozen de dikte van het cortenstaal en gaan er vanuit dat er geen cortenstaal op de bodem van de kunstwerken is aangebracht.
Vraag 10 4 punten
Onderzoek of de oppervlakte van het cortenstaal bij de kubus ongeveer vier keer zo groot is als de oppervlakte van het cortenstaal bij de piramide.
Bekijk het antwoord
- De oppervlakte van de kubus zonder grondvlak is $5 \cdot 100^2\ (= 50\,000)$ (cm$^2$) (1)
- De hoogte van de (driehoekige) zijvlakken van de piramide is $\sqrt{72^2 + 50^2}\ (= 87{,}6...)$ (cm) (1)
- Dus de oppervlakte van de piramide zonder grondvlak is $4 \cdot 0{,}5 \cdot 100 \cdot 87{,}6...\ (= 17\,531{,}...)$ (cm$^3$) (1)
- $\frac{50\,000}{17\,531{,}...} = 2{,}8...$ (of: $4 \cdot 17\,531{,}... = 70\,126{,}...$), dus de oppervlakte van het cortenstaal is bij de kubus niet ongeveer vier keer zo groot als bij de piramide (1)
Op de uitwerkbijlage is het grondvlak van de piramide in perspectief getekend. Hierbij zijn de voor- en achterzijde evenwijdig aan de horizon en is de voorzijde op schaal 1:10 getekend.
Vraag 11 5 punten
Maak op de uitwerkbijlage de perspectieftekening van de piramide af.

Bekijk het antwoord
- Het verlengen van de zijden en het tekenen van het verdwijnpunt (1)
- Het tekenen van het midden van het grondvlak (1)
- Het aangeven van de hoogte van 7,2 cm midden voor (1)
- Het tekenen van de top van de piramide (1)
- Het afmaken van de tekening (1)

Opmerkingen:
- Als een kandidaat de hoogte 7,2 cm boven het midden van het grondvlak neemt, maximaal 3 scorepunten aan deze vraag toekennen.
- De niet zichtbare opstaande ribbe hoeft niet (gestippeld) getekend te worden.
De vergeetcurve
De Duitse psycholoog Hermann Ebbinghaus deed eind 19e eeuw veel onderzoek naar het geheugen. Hij ontdekte dat mensen nieuwe informatie goed kunnen onthouden, maar dat ze informatie ook weer snel vergeten als ze er verder niets meer mee doen.
Zijn onderzoek resulteerde in de zogeheten vergeetcurve van Ebbinghaus. In de figuur is de vergeetcurve weergegeven.
figuur
| verstreken tijd | percentage onthouden informatie |
|---|---|
| meteen | 100 |
| 20 minuten | 58 |
| 1 uur | 44 |
| 9 uur | 36 |
| 1 dag | 33 |
| 2 dagen | 28 |
| 6 dagen | 25 |
| 31 dagen | 21 |
In de figuur is bijvoorbeeld af te lezen dat 1 uur na het leren van nieuwe informatie nog maar 44% van die nieuw geleerde informatie onthouden is.
De horizontale as heeft een bijzondere schaalverdeling: een ‘hokje’ stelt niet steeds evenveel tijd voor. Hierdoor suggereert de grafiek in de figuur dat er bij benadering sprake zou zijn van exponentiële afname van het percentage informatie dat onthouden is. Op internet circuleren dan ook artikelen die beweren dat de vergeetcurve volgens een exponentiële afname verloopt. Dit is echter niet waar.
Vraag 12 2 punten
Toon met behulp van een berekening aan dat er volgens de gegevens in de figuur geen sprake kan zijn van exponentiële afname.
Bekijk het antwoord
Een aanpak als:
- In de eerste 20 minuten is de groeifactor 0,58, dus de groeifactor per uur zou dan gelijk moeten zijn aan $0{,}58^3$ (1)
- $0{,}58^3 = 0{,}195...$ en dit komt niet overeen met (factor) 0,44 (die uit de 44% in figuur 1 volgt, dus (volgens de gegevens) kan er geen sprake zijn van exponentiële afname) (1)
Tegenwoordig wordt ook wel gebruikgemaakt van de formule:
P = \frac{31{,}7}{t^{0{,}127}}, \text{ met } t > 0
Hierin is $P$ het percentage informatie dat onthouden is en $t$ het aantal dagen dat verstreken is sinds het leren van de informatie.
Vraag 13 4 punten
Bereken met behulp van de formule voor $P$ na hoeveel gehele minuten iemand de helft van de nieuw geleerde informatie weer is vergeten.
Bekijk het antwoord
- De vergelijking $\frac{31{,}7}{t^{0{,}127}} = 50$ moet worden opgelost (1)
- Beschrijven hoe deze vergelijking kan worden opgelost (1)
- Dit geeft $t = 0{,}0276...$ (1)
- Het antwoord: ($0{,}0276... \cdot 24 \cdot 60 = 39{,}8...$, dus na) 40 (minuten) (1)
Met de formule $V = 100 - P$ bereken je het percentage informatie dat je vergeet.
Vraag 14 2 punten
Beredeneer aan de hand van de formules voor $P$ en $V$ dat je alle informatie die je leert na lange tijd weer vergeten bent.
Bekijk het antwoord
- Voor grote waarden van $t$ wordt de waarde van $P = \frac{31{,}7}{t^{0{,}127}}$ steeds kleiner (1)
- Dus de waarde van $V = 100 - P$ komt steeds dichter bij 100 (1)
Volgens de formule voor $P$ is het percentage informatie dat je in het allereerste uur vergeet, kleiner dan het percentage dat je in het allereerste uur (dus op $t = \frac{1}{24}$) volgens de vergeetcurve (zie de figuur) vergeet.
Vraag 15 3 punten
Bereken het verschil tussen deze percentages. Geef je antwoord in één decimaal.
Bekijk het antwoord
- $P(\frac{1}{24}) = 47{,}46...$ (en volgens de vergeetcurve is 44 (%) onthouden) (1)
- Volgens de formule vergeet je in het allereerste uur 52,53... (%) en volgens de vergeetcurve 56 (%) (1)
- Het antwoord: ($56 - 52{,}53... = 3{,}46...$, dus) 3,5 (%) (1)
of
- Volgens de figuur is na een uur $P = 44$ en ben je dus 56% vergeten (1)
- Volgens de formule weet je na een uur nog 47,46... (%) en ben je dus 52,53... (%) vergeten (1)
- Het antwoord: ($56 - 52{,}53... = 3{,}46...$, dus) 3,5 (%) (1)
Opmerking: Als een kandidaat zonder verdere toelichting rekent met $47{,}46... - 44$, maximaal 2 scorepunten aan deze vraag toekennen.
Radiogolven
Radiogolven zijn golven waarmee informatie draadloos over een grote afstand verstuurd kan worden. Radiogolven worden onder andere gebruikt door mobiele telefoons, navigatieapparatuur, radio’s en televisie.
Een radiogolf is een periodiek verschijnsel. Zie de figuur.

In de figuur is op de horizontale as de tijd weergegeven in miljoenste delen van een seconde.
De frequentie van een radiogolf is het aantal perioden van die radiogolf dat in een seconde past. Zo heeft een radiogolf met een frequentie van 20 een periode van 0,05 seconden.
Vraag 16 3 punten
Bepaal de frequentie van de radiogolf uit de figuur. Geef je antwoord in duizendtallen.
Bekijk het antwoord
- Aflezen uit de figuur dat er 3,5 periode in 6 miljoenste deel van een seconde past (1)
- ($\frac{6}{3{,}5} = 1{,}7...$ dus) een periode is 1,7... (miljoenste deel van een seconde) (1)
- $\frac{1}{1{,}7... \cdot 10^{-6}} = 583\,333{,}...$ dus de frequentie is 583 000 (1)
Aanvulling: Als een kandidaat gebruik maakt van een periode van 1,7 (miljoenste deel van een seconde), met als antwoord een frequentie van 588 000, hiervoor geen scorepunten in mindering brengen.
Radiogolven verplaatsen zich met de lichtsnelheid. De lichtsnelheid is (afgerond) 300 000 kilometer per seconde. De afstand die een radiogolf in één periode aflegt, wordt de golflengte genoemd. Radiogolven met verschillende perioden hebben dus ook verschillende golflengtes.
Een bepaald type radiogolven heeft een frequentie van 14 miljoen.
De golflengte van zo’n radiogolf is ongeveer 20 meter.
Vraag 17 3 punten
Bereken de werkelijke golflengte van zo’n radiogolf. Geef je antwoord in gehele cm.
Bekijk het antwoord
- Het inzicht dat de golflengte berekend kan worden door de lichtsnelheid te delen door de frequentie (1)
- $\frac{30000000000}{14000000} = 2142{,}8...$ (1)
- Het gevraagde antwoord is 2143 (cm) (1)
of
- De periode is $(\frac{1}{14000000} =)\ 7{,}1... \cdot 10^{-8}$ (seconden) (1)
- $7{,}1... \cdot 10^{-8} \cdot 30000000000 = 2142{,}8...$ (1)
- Het gevraagde antwoord is 2143 (cm) (1)
Radiogolven worden (onder andere) gebruikt om radio-uitzendingen te maken. Dit gebeurt niet alleen door professionele omroeporganisaties, maar ook door zogeheten zendamateurs. Voor de onderlinge communicatie gebruiken deze zendamateurs codes, waarbij elke zendamateur een unieke code heeft. Voor Nederlandse zendamateurs bestaat de unieke code uit twee delen.
Het eerste deel van deze code bestaat uit drie tekens, waarvoor geldt:
- Het eerste teken is altijd de letter P.
- Het tweede teken is een van de letters: A, B, C, D, E, F, G of H.
- Het derde teken is een van de cijfers: 0, 1, 2, 3, 4, 5, 7, 8, 9 (het cijfer 6 mag dus niet).
Het tweede deel van deze code bestaat uit één, twee of drie letters uit het alfabet. Verder geldt:
- Als het tweede deel uit drie letters bestaat en begint met een Q, dan mag de tweede letter geen O, P, Q, R, S, T of U zijn.
- Het tweede deel mag niet SOS zijn (dit is om verwarring met het internationale noodsein SOS te voorkomen).
Enkele voorbeelden van toegestane codes zijn PE7QBB, PF5QVT, PH2RS en PA9T.
Vraag 18 2 punten
Geef een voorbeeld van een niet-toegestane code van in totaal zes tekens.
Bekijk het antwoord
- Een niet-toegestane code van in totaal zes tekens (2)
Opmerking: Voor deze vraag mogen uitsluitend 0 of 2 scorepunten worden toegekend.
Vraag 19 5 punten
Bereken hoeveel verschillende codes er voor Nederlandse zendamateurs in totaal mogelijk zijn.
Bekijk het antwoord
- Er zijn $1 \cdot 8 \cdot 9\ (= 72)$ mogelijkheden voor het eerste deel (1)
- Voor een tweede deel bestaande uit 1 letter zijn er 26 mogelijkheden en voor een tweede deel bestaande uit 2 letters zijn er $26^2\ (= 676)$ mogelijkheden (1)
- Voor een tweede deel bestaande uit 3 letters en beginnend met een Q vallen $1 \cdot 7 \cdot 26\ (= 182)$ mogelijkheden af (1)
- (Het tweede deel mag niet SOS zijn, dus) het totaal aantal mogelijkheden voor het tweede deel is $(26 + 26^2 + 26^3 - 1 \cdot 7 \cdot 26 - 1 =)\ 18\,095$ (1)
- Het antwoord: $(72 \cdot 18\,095 =)\ 1\,302\,840$ (codes voor Nederlandse zendamateurs) (1)
of
- Er zijn $1 \cdot 8 \cdot 9\ (= 72)$ mogelijkheden voor het eerste deel (1)
- Voor een tweede deel bestaande uit 1 letter zijn er 26 mogelijkheden en voor een tweede deel bestaande uit 2 letters zijn er $26^2\ (= 676)$ mogelijkheden (1)
- Voor een tweede deel bestaande uit 3 letters en beginnend met een Q zijn er $1 \cdot 19 \cdot 26\ (= 494)$ mogelijkheden en voor een tweede deel bestaande uit 3 letters en niet beginnend met een Q zijn er $25 \cdot 26 \cdot 26\ (= 16\,900)$ mogelijkheden (1)
- (Het tweede deel mag niet SOS zijn, dus) het totaal aantal mogelijkheden voor het tweede deel is $(26 + 26^2 + 1 \cdot 19 \cdot 26 + 25 \cdot 26 \cdot 26 - 1 =)\ 18\,095$ (1)
- Het antwoord: $(72 \cdot 18\,095 =)\ 1\,302\,840$ (codes voor Nederlandse zendamateurs) (1)
of
- Het aantal codes bestaande uit vier tekens $1 \cdot 8 \cdot 9 \cdot 26\ (= 1872)$ (1)
- Het aantal codes bestaande uit vijf tekens $1 \cdot 8 \cdot 9 \cdot 26 \cdot 26\ (= 48\,672)$ (1)
- Het aantal codes bestaande uit zes tekens, waarbij het vierde teken wel een Q is: $1 \cdot 8 \cdot 9 \cdot 1 \cdot 19 \cdot 26\ (= 35\,568)$ (1)
- (Het tweede deel mag niet SOS zijn, dus) het aantal codes bestaande uit zes tekens, waarbij het vierde teken geen Q is: $1 \cdot 8 \cdot 9 \cdot (25 \cdot 26 \cdot 26 - 1)\ (= 1\,216\,728)$ (1)
- Het antwoord: $(1872 + 48\,672 + 35\,568 + 1\,216\,728 =)\ 1\,302\,840$ (codes voor Nederlandse zendamateurs) (1)
Bruggen bouwen
Hiernaast staat een voorbeeld van de logische puzzel bruggen bouwen. Zo’n puzzel bestaat uit een aantal eilanden die worden weergegeven door een cirkel met daarin een getal. Dit kunnen de getallen 1 tot en met 8 zijn.
Het doel van de puzzel is om bruggen te bouwen tussen de eilanden. Een brug wordt aangegeven met een lijn tussen twee eilanden. Hierbij moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan:
- Elke brug verbindt twee eilanden horizontaal of verticaal met elkaar, dus niet diagonaal.
- Bruggen mogen elkaar niet snijden.
- Het aantal bruggen dat vanuit een eiland gebouwd wordt, moet gelijk zijn aan het getal van het eiland.
- Tussen twee eilanden mogen niet meer dan twee bruggen worden gebouwd.
- Ieder eiland moet via de bruggen vanuit ieder ander eiland bereikbaar zijn, dat wil zeggen dat alle eilanden één groep vormen.
Op de uitwerkbijlage staat de puzzel van figuur 1 nog vier keer afgebeeld. De letters die zijn toegevoegd horen niet bij de puzzel, maar zijn alleen om aan te geven welke eilanden in deze opgave worden bedoeld.
Vanuit eiland A in figuur 2 op de uitwerkbijlage moet in ieder geval een brug naar eiland B en een brug naar eiland C worden gebouwd.
Vraag 20 2 punten
Beredeneer waarom deze twee bruggen zeker vanuit eiland A gebouwd moeten worden.
Bekijk het antwoord
- Vanuit eiland A kan maar in twee richtingen een brug worden gebouwd (1)
- Als vanuit eiland A twee bruggen naar eiland B worden gebouwd, moet de derde brug naar eiland C worden gebouwd (of als vanuit eiland A twee bruggen naar eiland C worden gebouwd, moet de derde brug naar eiland B worden gebouwd) (1)
of
- Vanuit eiland A moeten drie bruggen worden gebouwd en per richting kunnen er maximaal twee bruggen worden gebouwd (1)
- Dus moet in (minimaal) twee richtingen een brug worden gebouwd, in dit geval naar de eilanden B en C (1)
Tussen de eilanden D en E in figuur 3 op de uitwerkbijlage zijn twee bruggen gebouwd.
Vraag 21 2 punten
Leg uit waarom dit niet juist kan zijn.
Bekijk het antwoord
- Vanuit de eilanden D en E kunnen nu geen bruggen meer gebouwd worden naar andere eilanden (1)
- Hierdoor kunnen alle eilanden niet één groep vormen (of hierdoor zijn eilanden D en E niet meer bereikbaar vanuit de andere eilanden) (1)
of
- De eilanden D en E vormen nu een aparte groep (1)
- Het maximale aantal bruggen vanuit eilanden D en E is al gebouwd (1)
Voor het oplossen van de puzzel is het handig om te weten in hoeveel richtingen bruggen vanuit een eiland kunnen worden gebouwd.
Vanuit eiland F in figuur 4 op de uitwerkbijlage moeten zes bruggen gebouwd worden. Doordat Eiland F aan de zijkant van de puzzel staat, kunnen vanuit dit eiland in drie richtingen bruggen worden gebouwd. Om aan zes bruggen te komen is eiland F met elk van de eilanden G, H en I verbonden met twee bruggen.
Vanuit een eiland met het getal 6 dat niet aan de rand van een puzzel staat, kunnen in vier richtingen bruggen worden gebouwd. In de tabel is met een ✓ aangegeven dat vanuit een eiland met het getal 6 in drie of vier richtingen bruggen kunnen worden gebouwd. Deze tabel staat ook op de uitwerkbijlage.
tabel
| het aantal richtingen waarin bruggen kunnen worden gebouwd vanuit het eiland / getal van het eiland | 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| een | ||||||||
| twee | ||||||||
| drie | ✓ | |||||||
| vier | ✓ |
In de tabel kan voor elk eilandgetal op deze manier worden aangegeven in hoeveel richtingen vanuit het betreffende eiland bruggen kunnen worden gebouwd.
Vraag 22 4 punten
Vul de tabel op de uitwerkbijlage verder in.
Bekijk het antwoord
- Een juist ingevulde tabel (4)
| het aantal richtingen waarin bruggen kunnen worden gebouwd vanuit het eiland / getal van het eiland | 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| een | ✓ | ✓ | ||||||
| twee | ✓ | ✓ | ✓ | |||||
| drie | ✓ | ✓ | ✓ | ✓ | ||||
| vier | ✓ | ✓ | ✓ | ✓ | ✓ |
Opmerking: Per juist ingevulde rij in de tabel 1 scorepunt toekennen.
In figuur 5 op de uitwerkbijlage is de puzzel gedeeltelijk opgelost. De eilanden van waaruit al het maximale aantal bruggen is gebouwd, zijn grijs gekleurd.

Vraag 23 3 punten
Los de puzzel in deze figuur helemaal op.
Bekijk het antwoord
- Een figuur met de juist getekende bruggen (3)

Opmerking: Per ontbrekende of onjuist getekende brug 1 scorepunt in mindering brengen tot een maximum van 3 scorepunten.
Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen vwo Wiskunde C 2026, tijdvak 1. Figuren en de exacte opmaak staan in het originele examen.
Andere examens wiskunde C vwo
- 2026, tijdvak 2
- 2025, tijdvak 1
- 2025, tijdvak 2
- 2024, tijdvak 1
- 2024, tijdvak 2
- 2023, tijdvak 1
- 2023, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 1
- 2022, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 3
- 2021, tijdvak 1
- 2021, tijdvak 2
- 2021, tijdvak 3
- 2019, tijdvak 1
- 2019, tijdvak 2
- 2018, tijdvak 1
- 2018, tijdvak 2
Hoe ToetsChecker wiskunde C per vraagtype nakijkt, lees je op wiskunde C toetsen nakijken met AI.
Veelgestelde vragen
Hoeveel vragen heeft het eindexamen wiskunde C vwo 2026, tijdvak 1?
Het centraal examen wiskunde C vwo 2026, tijdvak 1 telt 23 vragen. De meeste vragen gaan over formules en grafieken (10), logisch redeneren (4) en statistiek (3).
Wat zijn de antwoorden van het examen wiskunde C vwo 2026, tijdvak 1?
Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.
Waar vind ik het correctievoorschrift van wiskunde C vwo 2026, tijdvak 1?
Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2026/vwo/documenten/cse-1/vw-1026-a-26-1-c). Bij dit examen hoort ook een aanvulling op het correctievoorschrift.
Hoe oefen ik met het examen wiskunde C vwo 2026, tijdvak 1 en krijg ik feedback?
Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.