Eindexamen wiskunde C vwo 2024, tijdvak 1: vragen en antwoorden
Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Van A tot Z, Veldleeuweriken, Rechtspraak, Vetpercentage, Rubiks kubussen, Meerlingen.
Het centraal examen wiskunde C vwo 2024, tijdvak 1 telt 24 vragen. De meeste vragen gaan over rijen (6), statistiek (5) en formules en grafieken (5). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.
Onderwerpen in dit examen
| Onderwerp | Vragen | Aantal |
|---|---|---|
| Rijen | 6-7, 17-20 | 6 |
| Statistiek | 4-5, 22-24 | 5 |
| Formules en grafieken | 8, 13-16 | 5 |
| Logisch redeneren | 9-12 | 4 |
| Ruimtemeetkunde | 1-3 | 3 |
| Kansrekening | 21 | 1 |
Vergeleken met andere jaren
Vergeleken met de andere 17 examens wiskunde C vwo sinds 2018: dit examen vroeg meer over rijen (25% van de vragen, gemiddeld 10%) en statistiek (21% van de vragen, gemiddeld 11%). Minder over formules en grafieken (21% van de vragen, gemiddeld 42%).
Opgaven en correctievoorschrift
De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.
Oefenen als leerling
Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen wiskunde C vwo 2024, tijdvak 1 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.
Nakijken als docent
Start gratis vanaf deze pagina
Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen wiskunde C vwo 2024, tijdvak 1 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.
Laat de klas het examen maken
Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.
Geef de resultaten vrij
Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.
ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.
Vragen en antwoorden
Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen wiskunde C vwo 2024, tijdvak 1. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.
Van A tot Z
Op de Oude Groenmarkt in Haarlem staat het beeld Van A tot Z van de Nederlandse beeldhouwer en landschapskunstenaar Marinus Boezem, uit 2007. Het is een monument voor de Haarlemse tekstdichter Lennaert Nijgh (1945–2002). Het kunstwerk bestaat uit twee massief marmeren letters A en Z. Zie de foto.
foto
De marmeren letters A en Z symboliseren volgens Boezem de letters die schrijvers en dichters gebruiken om hun creaties te maken. In de A was oorspronkelijk een klein fonteintje aangebracht en de liggende Z dient als zitbank. Hiermee krijgt het werk behalve een esthetisch karakter ook een praktisch nut.
In de figuur staat een bovenaanzicht van de letter Z met daarin ook enkele afmetingen (in cm). De zithoogte is 40 cm.
figuur
Vraag 1 4 punten
Bereken hoeveel dm 3 marmer er is gebruikt voor de letter Z.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
- Het inzicht dat de (bovenkant van de) Z gesplitst kan worden in twee rechthoeken van 40 cm bij 100 cm en twee rechthoekige driehoeken (met rechthoekszijden 50 cm en 62 cm) (1p)
Op de uitwerkbijlage is een begin gemaakt van een zijaanzicht van het kunstwerk, gezien vanaf links. De letter Z is al in het zijaanzicht op de uitwerkbijlage getekend. De letters A en Z zijn even dik en ze staan loodrecht ten opzichte van elkaar (zie de foto). De letter A is 120 cm hoog en de afstand tussen de A en de Z is 140 cm.
Vraag 2 3 punten
Teken in het zijaanzicht op de uitwerkbijlage de letter A erbij.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- De afstand tussen de A en de Z (7 cm in de tekening) (1)
- De hoogte van de letter A (6 cm in de tekening) (1)
- Het afmaken van de tekening met A 2 cm breed (1)
De foto staat ook op de uitwerkbijlage. Zoals eerder vermeld is de zithoogte van de letter Z 40 cm.
Vraag 3 4 punten
Bereken op welke hoogte deze foto genomen is. Geef je antwoord in gehele centimeters.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerking Als gevolg van onnauwkeurigheden bij het opmeten in de figuur kunnen redelijk grote afwijkingen in de gevonden hoogte voorkomen. Bij correctie dient daarmee rekening gehouden te worden.
Veldleeuweriken
De laatste tientallen jaren is het in Nederland voor veel weidevogels lastiger geworden om geschikte broedplaatsen te vinden. Dit komt doordat landbouwgrond steeds intensiever en gevarieerder wordt gebruikt, en doordat steden voortdurend verder uitbreiden.
Grasland is het voornaamste broedgebied voor weidevogels. Uit een onderzoek van Sovon Vogelonderzoek Nederland blijkt dat in de jaren vanaf 1990 tot en met 2014 ruim 150 000 hectare grasland verloren is gegaan. Dat is een daling van 14 procent.
Vraag 4 2 punten
Bereken hoeveel hectare grasland er nog was in Nederland in 2014. Geef je antwoord in duizenden hectares.
Bekijk het antwoord
Opmerking Voor het tweede antwoordalternatief mag voor een niet volledig juist antwoord 1 scorepunt worden toegekend.
Een van de weidevogelsoorten die het meest in aantal is afgenomen, is de veldleeuwerik. In de jaren vanaf 1990 tot en met 2000 bleef de procentuele afname per jaar ten opzichte van het jaar ervoor nagenoeg gelijk. Dit gold ook voor de jaren vanaf 2001 tot en met 2005. In figuur 1 zijn deze jaarlijkse procentuele afnames voor deze twee periodes weergegeven voor drie verschillende soorten gebieden: duingebieden, heidegebieden en agrarische gebieden.
figuur 1 - jaarlijkse afname aantal veldleeuweriken in %
duingebieden
heidegebieden
agrarische gebieden
In de figuur is bijvoorbeeld te zien dat in de jaren vanaf 2001 tot en met
2005 het aantal veldleeuweriken in duingebieden jaarlijks met 7,8% afnam.
Vraag 5 4 punten
Bereken met behulp van figuur 1 hoeveel procent minder veldleeuweriken er in duingebieden waren in 2005 ten opzichte van het aantal in 1989. Geef je antwoord in gehele procenten.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerking Voor het aflezen van de percentages mag een afleesmarge van 0,2% gehanteerd worden.
In figuur 2 zie je voor heel Nederland hoe het percentage veldleeuweriken zich in de jaren vanaf 1990 tot en met 2014 ontwikkelde ten opzichte van het totale aantal veldleeuweriken in 1990.
[figuur 2: zie het originele examen]
We voeren de variabelen P en t in. Hierin is P het percentage veldleeuweriken ten opzichte van het totale aantal veldleeuweriken in
1990 in Nederland en is t de tijd in jaren met t = 0 in het jaar 1990.
Ondanks de schommelingen kan het verband tussen P en t in de jaren vanaf 1990 tot en met 2005 goed benaderd worden met een rij die hoort bij een exponentieel verband.
Uit figuur 2 valt af te lezen dat het totale aantal veldleeuweriken in Nederland in 2005 nog maar 40% was van het totale aantal veldleeuweriken in 1990.
Vraag 6 4 punten
Stel met behulp van dit gegeven een recursieve formule op voor de rij. Geef de getallen in je antwoord zo nodig in drie decimalen.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerking Als de kandidaat alleen de directe formule opstelt, voor deze vraag maximaal 2 scorepunten toekennen.
Sovon deed niet alleen onderzoek naar het aantal veldleeuweriken in Nederland, maar ving ook regelmatig jonge veldleeuweriken om ze te meten en te wegen. In figuur 3 is van 265 gevangen jonge veldleeuweriken het gewicht uitgezet tegen de zogeheten tarsuslengte1), dat is de lengte van het onderbeen.
[figuur 3: zie het originele examen]
In figuur 3 is ook een kromme weergegeven die het verband tussen het gewicht en de tarsuslengte benadert. Deze kromme kan worden beschreven met de formule: 22 G= +9
1 + 1420 · 2,72−0,307·T Hierin is G het gewicht in grammen en T de tarsuslengte in millimeters.
Het gewicht van een jonge veldleeuwerik heeft een grenswaarde.
Vraag 7 4 punten
Beredeneer aan de hand van de formule voor G, dus zonder gebruik te maken van getallenvoorbeelden, hoe groot deze grenswaarde is.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- Voor grote waarden van T (is 2,72 −0,307·T ongeveer gelijk aan 0, dus) is 1420 · 2,72 −0,307·T ongeveer gelijk aan 0 (1)
- Dan is 1 + 1420 · 2,72 ongeveer gelijk aan 1 (1)
- is dan ongeveer gelijk aan 22 (1)
- De gevraagde grenswaarde is (22 + 9 =) 31 (gram) (1)
Het gewicht van jonge veldleeuweriken neemt in het begin steeds sneller toe naarmate de tarsuslengte toeneemt. Op een bepaald moment is deze toenamesnelheid maximaal. Op de uitwerkbijlage is de grafiek van G uit figuur 3 vergroot weergegeven.
Vraag 8 4 punten
Bepaal met behulp van de figuur op de uitwerkbijlage de maximale toenamesnelheid van het gewicht. Licht je antwoord toe en geef je antwoord in gehele grammen per mm.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerking Als gevolg van teken- dan wel afleesafwijkingen kunnen de afgelezen punten redelijk variëren. Bij correctie dient daarmee rekening gehouden te worden.
Rechtspraak
We kijken naar de volgende redenering: figuur
- Rechters zijn eerlijk.
- Maarten is rechter.
- Dus Maarten is eerlijk. Om na te gaan of deze redenering correct is, kan een venndiagram zoals in de figuur gebruikt worden. Nu bekijken we de volgende redenering:
- Rechters zijn eerlijk.
- Docenten zijn eerlijk.
- Dus alle docenten zijn rechter.
Vraag 9 3 punten
Leg uit met behulp van een venndiagram of deze redenering correct is.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerking Voor het eerste antwoordelement mag voor een niet volledig juist antwoord
1 scorepunt worden toegekend.
We voeren de volgende logische symbolen in:
- R: je bent rechter
- E: je bent eerlijk Nu bekijken we de volgende uitspraak: ‘Als je rechter bent, dan ben je eerlijk.’ We kunnen deze uitspraak met behulp van logische symbolen als volgt weergeven: R ⇒ E Volgens de logica kan hieruit nu de volgende uitspraak volgen: ‘Als je niet eerlijk bent, dan …’
Vraag 10 2 punten
Maak de zin hierboven volgens de logica af en schrijf de uitspraak in logische symbolen.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- (Als je niet eerlijk bent, dan) ben je geen rechter (1)
- ¬ E ⇒ ¬R (1)
Gegeven zijn de volgende twee beweringen: I E⇒R II E ⇒ ¬R
Vraag 11 2 punten
Beschrijf deze beide beweringen in gewoon Nederlands en geef bij elke bewering aan of deze volgt uit de bewering R ⇒ E .
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- Bewering I: Als je eerlijk bent, dan ben je rechter; Bewering II: Als je eerlijk bent, dan ben je geen rechter (1)
- Beide beweringen volgen niet uit R ⇒ E (1)
In een rechtszaak zijn drie zussen de verdachten: Alicia, Bahija en Cecile. Uit DNA-onderzoek is gebleken dat slechts een van de drie zussen op de plaats van de misdaad is geweest. Het enige wat ze zeggen is het volgende:
- Alicia: Ik was daar niet aanwezig.
- Bahija: Ik was daar niet aanwezig.
- Cecile: Slechts een van ons drieën spreekt de waarheid. Hieruit is te concluderen wie op de plaats van de misdaad is geweest.
Vraag 12 4 punten
Leg uit wie er op de plaats van de misdaad is geweest.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
- Stel dat Cecile de waarheid spreekt, dan moet (volgens de uitspraak van Cecile) Cecile de enige zijn die de waarheid spreekt (1p)
- Dat is in tegenspraak met het feit dat er maar een van de drie zussen aanwezig was op de plaats van de misdaad, dus spreekt Cecile niet de waarheid en was zij aanwezig op de plaats van de misdaad (1p)
Vetpercentage
Om te bepalen of je een gezond gewicht hebt, kun je je vetpercentage berekenen. Het vetpercentage is de hoeveelheid lichaamsvet als percentage van het lichaamsgewicht.
De hoeveelheid lichaamsvet kan gemeten worden met speciale apparatuur. Deze kostbare apparatuur is echter niet altijd voorhanden. De onderzoekster Dympna Gallagher stelde daarom een formule op om de vetvrije massa te benaderen. De vetvrije massa (VVM) is het lichaamsgewicht zonder het lichaamsvet. Voor mannen wordt de formule van Gallagher gegeven door: VVM = 0, 446 · G
- 0,00087 · j · G + 9, 438 · L2 (formule 1) Hierbij is G het lichaamsgewicht in kg, j de leeftijd in jaren en L de lengte in meters.
Volgens Gallagher neemt bij gelijkblijvend gewicht en gelijkblijvende lengte het vetpercentage van een man toe naarmate hij ouder wordt.
Vraag 13 3 punten
Beredeneer dit, zonder gebruik te maken van een getallenvoorbeeld, met behulp van bovenstaande gegevens.
Bekijk het antwoord
- (G en L blijven constant, dus) 0, 446 · G en 9, 438 · L2 blijven gelijk (1)
- Als j toeneemt dan neemt 0, 00087 · j · G toe (want G blijft constant) en neemt de vetvrije massa af (1)
- Dus neemt de hoeveelheid lichaamsvet en daarmee het vetpercentage toe (1)
Voor het vetpercentage V geldt:
G
- VVM V= ·100 (formule 2) G Met behulp van formule 2 en formule 1 kan voor 33-jarige mannen een formule worden opgesteld waarin het vetpercentage V wordt uitgedrukt in de lengte L in meters en het lichaamsgewicht G in kg: L2 V = 58, 271
- 943,8 · (formule 3) G
Vraag 14 3 punten
Toon dit aan.
Bekijk het antwoord
- Substitutie in formule 2 van formule 1 en 33 voor j geeft G − (0, 446G − 0,00087 · 33 · G + 9, 438 · L2 ) V= ·100 (1)
- Dit geeft V = ·100 (1)
- Dit geeft V = ·100 ( = 58, 271 − 943,8 · ) (1)
Cristiano Ronaldo wordt gezien als een van de meest fitte voetballers ter wereld ooit. Op 33-jarige leeftijd had de voetballer een gemeten vetpercentage van 7 met een hoeveelheid lichaamsvet van 5,88 kg bij een lengte van 1,87 m.
De formule van Gallagher, en dus ook formule 3, geeft voor topsporters een veel hoger berekend vetpercentage dan de werkelijke gemeten waarde.
Vraag 15 3 punten
Bereken met behulp van formule 3 het verschil tussen beide vetpercentages voor Ronaldo. Geef je antwoord als een geheel getal.
Bekijk het antwoord
- Het lichaamsgewicht van Ronaldo is (=84 (kg)) (1)
- Dit geeft V = 58, 271 − 943,8 · = 18,98... (1)
- Het gevraagde verschil is 12 (1)
Zowel een te hoog als een te laag vetpercentage is niet gezond. Voor gezonde 33-jarige mannen geldt dat zij een vetpercentage hebben tussen de 8 en de 20. Het gezonde lichaamsgewicht bij een bepaalde lengte heeft dus een boven- en een ondergrens.
Voor de bovengrens en ondergrens van het gezonde lichaamsgewicht van mannen kunnen formules worden opgesteld waarbij het lichaamsgewicht
G in kg uitgedrukt wordt in de lengte L in meters.
Op de uitwerkbijlage staat een assenstelsel met daarin op de horizontale as de lengte (in meters) van 33-jarige mannen en verticaal hun lichaamsgewicht (in kg). Hierin is met behulp van formule 3 de grafiek van de bovengrens van het gezonde lichaamsgewicht al getekend. Deze grafiek is geen rechte lijn.
Vraag 16 4 punten
Teken in de figuur op de uitwerkbijlage de grafiek van de ondergrens van het gezonde lichaamsgewicht en arceer vervolgens het gebied van de gezonde lichaamsgewichten.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- Voor de ondergrens geldt: 58, 271 − 943,8 · =8 (1)
- Het voor de ondergrens berekenen van de waarde van G bij minimaal drie waardes van L (1)
- Het tekenen van de bijbehorende punten in de figuur en deze verbinden met een vloeiende lijn (1)
- Het arceren van het gebied tussen de twee grafieken (1)
Rubiks kubussen
Rubiks kubussen zijn er in verschillende maten. De bekendste is de kubus waar negen vierkantjes zichtbaar zijn op elk zijvlak (de middelste kubus in foto 1). Dit is de klassieke Rubiks kubus, die in de jaren zeventig van de vorige eeuw door de Hongaar Ernő Rubik is ontwikkeld.
[foto 1: zie het originele examen]
n=2 n=3 n=4
In deze opgave wordt het getal n gebruikt voor het kubusnummer. Bij kubusnummer n bestaat een zijvlak van de Rubiks kubus uit n bij n vierkantjes, dus n2 in totaal.
[foto 2: zie het originele examen]
Het oplossen van de Rubiks kubus is het terugbrengen van een door elkaar gedraaide kubus (zie foto 2) naar de opgeloste toestand. In de opgeloste toestand hebben alle vierkantjes op een zijvlak dezelfde kleur. In totaal heeft de Rubiks kubus zes verschillende kleuren.
Er worden regelmatig wedstrijden gehouden waarbij Rubiks kubussen zo snel mogelijk moeten worden opgelost. In de tabel staan de wereldrecords1) voor het oplossen van Rubiks kubussen. Hierbij is n het kubusnummer en Tn de wereldrecordtijd in seconden behorende bij kubusnummer n.
tabel
n Tn
2 0,49
3 3,47
4 18,42
5 37,28
6 73,82
7 107,89
In de tabel is te zien dat hoe groter de n is, hoe langer de tijd is die nodig is om de Rubiks kubus op te lossen.
Vraag 17 2 punten
Toon aan dat er in de tabel geen sprake is van een lineair of exponentieel verband tussen n en Tn .
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- 3,47 – 0,49 = 2,98 en 18,42 – 3,47 = 14,95 (en omdat de verschillen verschillen, is er geen sprake van een lineair verband) (1)
- = 7,... en = 5,... (en omdat de factoren verschillen is er geen 0, 49 3, 47 sprake van een exponentieel verband) (1)
De gegevens in de tabel worden redelijk benaderd door de formule Tn = 0, 026 · n 4,4 . We nemen aan dat deze formule geldt voor alle waarden van n groter dan of gelijk aan 2.
Vraag 18 3 punten
Bereken met behulp van de formule vanaf welk kubusnummer het wereldrecord boven het uur zal liggen.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- Beschrijven hoe de vergelijking 0, 026 · n 4,4 = 3600 kan worden opgelost (1)
- n = 14, 7... (1)
- Het antwoord: 15 (1)
De grootste kubus die er is, is een kubus met kubusnummer 33.
Vraag 19 3 punten
Bereken wat volgens de formule het wereldrecord is voor een kubus met kubusnummer 33. Geef je antwoord in hele dagen, uren en minuten.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- T33 = (0, 026 · 334,4 =)124 863 (seconden) (1)
- Toelichten hoe het aantal seconden kan worden omgerekend naar dagen, uren en minuten (1)
- Het antwoord: 1 dag, 10 uur en 41 minuten (1)
Als n verdubbelt, dan wordt Tn met een factor vermenigvuldigd.
Vraag 20 3 punten
Bepaal die factor. Geef je antwoord in één decimaal.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
- Tn = 0, 026 · (2n)4,4 (1) 4,4 4,4
- Herleiden tot Tn = 0, 026 · n ·2 (1) 4,4
- (2 = 21,1... ) dus het antwoord is 21,1 (1p)
Meerlingen
Een vrouw bevalt na een zwangerschap meestal van één kind. Een meerling, dat zijn twee of meer kinderen die uit één zwangerschap geboren worden, komt van nature weinig voor.
Een drieling is een meerling van drie kinderen. Een drieling kan op drie manieren ontstaan:
- uit één eitje: in dat geval zijn de drie kinderen van een drieling genetisch identiek en dus van hetzelfde geslacht. We spreken dan van een eeneiige drieling.
- uit twee eitjes: in dat geval zijn twee kinderen genetisch identiek en dus van hetzelfde geslacht, maar het derde kind is genetisch verschillend (en kan van hetzelfde of verschillend geslacht zijn). We spreken dan van een twee-eiige drieling.
- uit drie eitjes: in dat geval zijn alle drie de kinderen onderling genetisch verschillend. We spreken dan van een drie-eiige drieling.
We gaan er in deze opgave verder van uit dat een kind bij de geboorte altijd een jongen of een meisje is.
Vraag 21 4 punten
Onderzoek hoeveel verschillende samenstellingen er voor een drieling bestaan als je let op geslacht en op de drie manieren waarop een drieling kan ontstaan. Licht je antwoord toe.
Bekijk het antwoord
- Een eeneiige drieling bestaat uit drie genetisch identieke jongens of drie genetisch identieke meisjes, dus er zijn 2 samenstellingen voor een eeneiige drieling (1)
- Een twee-eiige drieling bestaat uit twee genetisch identieke jongens en één daarvan verschillende jongen of meisje, of bestaat uit twee genetisch identieke meisjes en één daarvan verschillende jongen of meisje, dus er zijn (2 · 2 =) 4 samenstellingen voor een twee-eiige drieling (1)
- Een drie-eiige drieling bestaat uit drie jongens, drie meisjes, twee jongens en een meisje of twee meisjes en een jongen, dus er zijn 4 samenstellingen voor een drie-eiige drieling (1)
- Het antwoord: (2 + 4 + 4 =)10 (samenstellingen) (1)
Bij de opkomst van de zogeheten IVF-techniek1) eind jaren tachtig van de vorige eeuw werden vaak meerdere bevruchte eicellen teruggeplaatst om de slagingskans van IVF te vergroten. Hierdoor nam in verhouding het aantal drie(-plus)lingen (een meerling van drie of meer kinderen) ook toe.
In 1980 waren er in Nederland 180 517 geboorten, waarvan slechts 25 van een drie(-plus)ling. In 1991 waren er in Nederland van de 196 698 geboorten 124 drie(-plus)linggeboorten.
Vraag 22 3 punten
Bereken met hoeveel procent het percentage drie(-plus)lingen in 1991 is toegenomen ten opzichte van het percentage drie(-plus)lingen in 1980. Geef je antwoord in gehele procenten.
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
- Het aantal drie(-plus)lingen is ( = 4,96) keer zo groot en het aantal 25
196 698 geboorten is ( = 1, 089...) keer zo groot (1)
180 517 4,96
noot 1 Bij de IVF-techniek worden eicellen in het laboratorium bevrucht en vervolgens in de baarmoeder teruggeplaatst.
De Duitse onderzoeker Hellin voorspelde al in 1895 het volgende voor meerlingen bij natuurlijke zwangerschappen:
- gemiddeld 1 op de 89 geboorten is de geboorte van een tweeling;
- gemiddeld 1 op de 892 geboorten is de geboorte van een drieling;
- gemiddeld 1 op de 893 geboorten is de geboorte van een vierling;
- gemiddeld 1 op de 894 geboorten is de geboorte van een vijfling; Dit werd later door andere wetenschappers de wet van Hellin genoemd.
In 2002 waren in Nederland 199 205 geboorten, waarvan 3707 tweelinggeboorten. Dat waren de meeste tweelinggeboorten ooit in Nederland in een jaar. Van deze tweelingen was (afgerond) 22 procent door middel van IVF (of een verwante techniek) verwekt. In 2002 waren er in totaal 3270 geboorten na IVF (of een verwante techniek). Uit deze gegevens volgt dat er in 2002 in Nederland meer tweelingen na een natuurlijke zwangerschap zijn geboren dan de wet van Hellin voorspelt.
Vraag 23 3 punten
Bereken hoeveel meer.
Bekijk het antwoord
- 0, 78 · 3707 = 2891, 46 , dus het aantal tweelingen na een natuurlijke zwangerschap was 2891 (1)
- 89 = 2201, 5... , dus volgens de wet van Hellin zouden er 2202 (of 2201) tweelingen zijn (1)
- Het antwoord: 2891 − 2202 = 689 (of 2891 − 2201 = 690 ) (1)
Zoals eerder vermeld waren er in het jaar 1991 van de 196 698 geboorten
124 drie(-plus)linggeboorten. Neem aan dat de drie(-plus)lingen in 1991 hooguit uit vijf kinderen bestonden. Het percentage drie(-plus)linggeboorten ten opzichte van het totale aantal geboorten was in dat jaar vele malen groter dan volgens de wet van Hellin, waarbij we uitgaan van 196 698 natuurlijke zwangerschappen.
Vraag 24 3 punten
Bereken op basis van bovenstaande informatie hoeveel keer zo groot. Geef je antwoord als een geheel getal.
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
- De wet van Hellin geeft (2) + 3 + 4 = 0, 000127... (1p)
89 89 89
- Volgens de wet van Hellin zouden er dus 0, 000127... ·196 698 = 25,1... drie(-plus)lingen zijn (1) 124
- Het aantal drielingen is (volgens de wet van Hellin) = 24,8... (1) 892
- Het aantal vier- en vijflingen is (volgens de wet van Hellin)
196 698 196 698 + = 0, 2... (1)
893 894 124
Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen vwo Wiskunde C 2024, tijdvak 1. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2024/vwo/documenten/cse-1/vw-1026-a-24-1-o
Andere examens wiskunde C vwo
- 2026, tijdvak 1
- 2026, tijdvak 2
- 2025, tijdvak 1
- 2025, tijdvak 2
- 2024, tijdvak 2
- 2023, tijdvak 1
- 2023, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 1
- 2022, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 3
- 2021, tijdvak 1
- 2021, tijdvak 2
- 2021, tijdvak 3
- 2019, tijdvak 1
- 2019, tijdvak 2
- 2018, tijdvak 1
- 2018, tijdvak 2
Hoe ToetsChecker wiskunde C per vraagtype nakijkt, lees je op wiskunde C toetsen nakijken met AI.
Veelgestelde vragen
Hoeveel vragen heeft het eindexamen wiskunde C vwo 2024, tijdvak 1?
Het centraal examen wiskunde C vwo 2024, tijdvak 1 telt 24 vragen. De meeste vragen gaan over rijen (6), statistiek (5) en formules en grafieken (5).
Wat zijn de antwoorden van het examen wiskunde C vwo 2024, tijdvak 1?
Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.
Waar vind ik het correctievoorschrift van wiskunde C vwo 2024, tijdvak 1?
Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2024/vwo/documenten/cse-1/vw-1026-a-24-1-c). Bij dit examen hoort ook een aanvulling op het correctievoorschrift.
Hoe oefen ik met het examen wiskunde C vwo 2024, tijdvak 1 en krijg ik feedback?
Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.