Eindexamen wiskunde C vwo 2021, tijdvak 1: vragen en antwoorden

Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: foto 1 foto 2, Tweepiramidendak, Huurprijzen in New York, De Grand Prix van Monaco, Padovantafels, De Wisselslag, x 1000.

Kort antwoord

Het centraal examen wiskunde C vwo 2021, tijdvak 1 telt 24 vragen. De meeste vragen gaan over formules en grafieken (10), ruimtemeetkunde (5) en statistiek (3). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.

Onderwerpen in dit examen

Onderwerp per vraag in het centraal examen wiskunde C vwo 2021, tijdvak 1. Elke vraag is eenmalig door een AI-model bij een onderwerp ingedeeld; per vraag kan dat afwijken.
OnderwerpVragenAantal
Formules en grafieken1-3, 9, 11, 13, 21-2410
Ruimtemeetkunde4-6, 15, 185
Statistiek7-8, 103
Logisch redeneren14, 16-173
Rijen19-202
Kansrekening121

Vergeleken met andere jaren

De verdeling over de onderwerpen ligt dicht bij het gemiddelde van de andere 17 examens wiskunde C vwo sinds 2018. Geen enkel onderwerp wijkt meer dan zes procentpunten af.

Opgaven en correctievoorschrift

De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.

Oefenen als leerling

Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen wiskunde C vwo 2021, tijdvak 1 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.

Nakijken als docent

  1. Start gratis vanaf deze pagina

    Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen wiskunde C vwo 2021, tijdvak 1 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.

  2. Laat de klas het examen maken

    Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.

  3. Geef de resultaten vrij

    Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.

ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.

Vragen en antwoorden

Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen wiskunde C vwo 2021, tijdvak 1. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.

foto 1 foto 2

Het huis legt in 20 uur één ronde af, zodat je, als je de rotonde elke dag op hetzelfde tijdstip passeert, het huis geen twee opeenvolgende dagen op dezelfde plaats ziet.

Op een maandag staat het huis om acht uur ‘s morgens (08.00 uur) precies aan de oostkant van de rotonde. Voor het vervolg van de opgave is dit t = 0 . In figuur 1 is een overzicht van de situatie te zien. Het huis is in figuur 1 weergegeven als vierkantje en bevindt zich in punt O.

[figuur 1: zie het originele examen]

Het huis draait met de rijrichting van het verkeer mee.

Vraag 1 3 punten

Geef in de figuur op de uitwerkbijlage de plaats aan waar het huis zich op diezelfde maandag om 20.30 uur bevindt. Licht je antwoord toe.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Dat is 12,5 uur na t = 0 (1)
  • 10 uur is 12 cirkel en 2,5 uur is een 18 cirkel (1)
  • Het getekende punt (zuidwest) (1)

Vraag 2 3 punten

Bereken hoeveel hele weken na tijdstip t = 0 het huis zich voor het eerst weer om 08.00 uur op maandag in punt O bevindt.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

  • Na ( 840 : 24 : 7 = ) 5 (weken) (1) of
  • Een week heeft 7 · 24 = 168 uur (1p)
  • Het huis gaat 168 : 20 = 8, 4 keer rond in een week (1p)
  • (Het eerste veelvoud van 8,4 dat een geheel getal oplevert is 5, dus) na

5 (weken) (1)

Opmerking Als de kandidaat concludeert dat het huis elke dag 4 uur vroeger punt O passeert, daarbij vergetende dat op woensdag het huis dan twee keer punt O passeert, en daarmee een cyclus van 6 dagen en als antwoord

6 weken berekent, voor deze vraag 1 scorepunt toekennen.

De straal van de cirkel waarover het huis beweegt, is 30 meter. De afstand tussen het huis en de weg is 2,5 meter. Het oorspronkelijke idee van kunstenaar John Körmeling was om het huis in dezelfde tijd rond te laten draaien als de tijd die het de auto’s kost om de rotonde rond te rijden. Omdat de auto’s op de rotonde een grotere afstand moeten afleggen dan de afstand die het huis aflegt, hebben de auto’s dan dus een hogere snelheid. In figuur 2 is het draaiende huis met H aangegeven en een auto op de rotonde met A.

[figuur 2: zie het originele examen]

De kunstenaar ging ervan uit dat de auto’s met een gemiddelde snelheid van 25 km/uur op de rotonde zouden rijden. De omtrek van een cirkel bereken je met de formule: omtrek = 2π· straal

Vraag 3 4 punten

Bereken met welke snelheid in km/uur het huis dan had moeten ronddraaien. Geef je antwoord in één decimaal.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

  • De afstand die het huis aflegt is keer de afstand die de auto’s 32,5 afleggen (2) 30

Opmerking Bij het tweede antwoordalternatief mogen voor zowel het eerste als het tweede antwoordelement uitsluitend 0 of 2 scorepunten worden toegekend.

Tweepiramidendak

Op de foto zie je een bijzonder huis: foto als basis voor het grondvlak zijn twee even grote overlappende vierkanten gebruikt. Het dak bestaat uit twee piramidevormige delen die aan elkaar vastzitten. In figuur 1 zie je een model van het dak van dit huis. In het vervolg van deze opgave kijken we naar dit model, waarbij de verbinding tussen de toppen van beide dakdelen buiten beschouwing is gelaten.

figuur 1 figuur 2

Figuur 2 laat zien hoe figuur 1 is ontstaan: ABCD.T en EFGH.S zijn twee even grote symmetrische vierzijdige piramiden. De top T ligt precies boven punt F. Verder is ∠ APE = 90° .

Op de uitwerkbijlage is het begin van een bovenaanzicht van figuur 1 getekend.

Vraag 4 4 punten

Maak dit bovenaanzicht op de uitwerkbijlage af.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerkingen

  • Als de letters van de (hoek)punten niet of onjuist in de tekening zijn aangegeven, hiervoor geen scorepunten in mindering brengen.
  • Als vierkant PTRS gestippeld in de tekening is aangegeven, hiervoor geen scorepunten in mindering brengen.

Op de uitwerkbijlage is een perspectieftekening van grondvlak ABCD van de voorste piramide te zien.

Vraag 5 5 punten

Teken het grondvlak EFGH van de achterste piramide in deze perspectieftekening op de uitwerkbijlage.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerking Als de letters van de (hoek)punten niet of onjuist in de tekening zijn aangegeven, hiervoor geen scorepunten in mindering brengen.

Om in te schatten hoeveel dakpannen er nodig zijn voor het dak, is het nodig om de totale oppervlakte te berekenen van alle schuine bovenvlakken van het model van het tweepiramidendak. De volgende afmetingen zijn bekend: AB = 7 m, AP = 3,5 m, AT = 6, 49 m en de afstand van T tot AB is (afgerond op twee decimalen) 5,47 m.

Vraag 6 4 punten

Bereken de totale oppervlakte van alle schuine bovenvlakken van het model van het tweepiramidendak. Geef je antwoord in een geheel aantal m2.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • De oppervlakte van driehoek ABT is 0, 5 · 7 · 5, 47 = 19,145 (m²) (1)
  • De oppervlakte van driehoek PFQ is 0,5 · 3,5 · 0,5 · 5, 47 = 4, 78... (m2) (1)
  • De oppervlakte van vierhoek EPQS is 19,145 − 4, 78... = 14,3... (m2) (1)
  • (De totale oppervlakte is 4 ·19,145 + 4 ·14,3... = 134, 0... dus) het antwoord: 134 (m²) (1)

Huurprijzen in New York

New York is al decennialang een van de populairste steden ter wereld om te wonen met als gevolg dat de gemiddelde prijs van huurwoningen er explosief gestegen is. In 1970 bedroeg de gemiddelde huur van een woning in New York $ 125 per maand. In 2013 was dat gestegen tot $ 917 per maand. Dat is een toename van ruim 600%. Zo’n vergelijking is echter niet helemaal eerlijk, want de waarde van geld verandert ook. Dat heet inflatie. Sinds 1970 bedroeg de gemiddelde inflatie per jaar 3,95%. We gaan ervan uit dat sinds 1970 de huurprijzen, onafhankelijk van andere factoren, jaarlijks door de inflatie 3,95% gestegen zijn. Door de $ 125 uit 1970 om te rekenen naar dollars uit 2013 kan je de reële gemiddelde huurstijging berekenen. De reële gemiddelde huurstijging is de procentuele stijging van de gemiddelde huurprijzen boven op de stijging als gevolg van de inflatie.

Vraag 7 3 punten

Bereken de reële gemiddelde huurstijging. Geef je antwoord in één decimaal.

Bekijk het antwoord
  • De groeifactor voor de inflatie sinds 1970 is gelijk aan 1, 039543 (1)
  • 125 (dollar) in 1970 komt dus overeen met 125 ·1, 039543 = 661,... (dollar) in 2013 (1)
  • ·100 = 38, 67... dus het antwoord: 38,7(%) (1)

In het vervolg van deze opgave zijn alle genoemde bedragen, getallen en percentages berekend met de naar 2013-dollars omgerekende bedragen. Je hoeft dus zelf geen rekening te houden met inflatie. Verder spreken we in het vervolg van deze opgave over inkomen, huurprijs en huurlast, terwijl daar gemiddeld inkomen, gemiddelde huurprijs en gemiddelde huurlast bedoeld wordt.

Een belangrijke maatstaf om de betaalbaarheid van huurwoningen te onderzoeken is het percentage van het inkomen dat besteed wordt aan het betalen van de huur: de huurlast. In 1960 bedroeg de huurprijs in New York $ 561 en was de huurlast 15%. In de periode tussen 1960 en 2013 stegen de huurprijzen met 63,5%, terwijl het maandinkomen in dezelfde periode met slechts 17% steeg. Uit deze gegevens volgt dat de huurlast in 2013 ongeveer gelijk was aan 21%.

Vraag 8 3 punten

Laat een berekening zien waaruit dit blijkt.

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

  • Bij een stijging met 63,5% hoort een groeifactor van 1,635 en bij een stijging met 17% hoort een groeifactor van 1,17 (1) 1, 635
  • De huurlast stijgt dus met een factor ( = 1, 39... ) (1) 1,17
  • Dit geeft 1, 39... ·15 = 20, 9... dus de huurlast in 2013 was 21(%) (1p)

Doordat de huurprijzen sneller stijgen dan de inkomens, neemt de huurlast steeds verder toe: van 15% in 1960 tot 21% in 2013. Een econoom beweert dat er zich grote problemen zullen gaan voordoen als de huurlast boven de 25% uitkomt. De econoom gaat ervan uit dat de huurlast exponentieel is toegenomen sinds 1960 en dat die exponentiële stijging zich ook na 2013 voortzet.

Vraag 9 4 punten

Bereken in welk jaar de huurlast volgens deze veronderstelling voor het eerst groter is dan 25%.

Bekijk het antwoord

Opmerkingen 1

  • Als gerekend wordt met (21
  • 15) , voor deze vraag maximaal 53

2 scorepunten toekennen. 21

  • Als gerekend wordt met : 53 , voor deze vraag maximaal 15

2 scorepunten toekennen.

In figuur 1 is het werkelijke verloop van de huurprijs in New York en van het inkomen van zijn inwoners als percentage van de bedragen in 1960 uitgezet tegen de tijd.

[figuur 1: zie het originele examen]

Hieronder staan twee uitspraken die gaan over de gegevens in figuur 1:

1 In de periode 1960–1980 steeg de huurprijs sneller dan in de periode 1980–2000.

2 In de periode 1990–2000 daalde de huurlast.

Vraag 10 4 punten

Leg voor elk van deze uitspraken uit of deze waar is of niet.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerkingen

  • Voor zowel het eerste als het tweede antwoordelement mag voor een niet volledig juist antwoord 1 scorepunt worden toegekend.
  • Als de kandidaat geen of een onjuiste redenering gebruikt, voor het betreffende antwoordelement geen scorepunten toekennen.

[figuur 2: zie het originele examen]

In figuur 2 is te zien dat de huurprijs schommelt om een trendlijn. De huurprijs kan dus worden benaderd met behulp van deze trendlijn. In 1960 bedroeg de huurprijs in New York $ 561 en was de huurlast 15%. Het gemiddelde maandinkomen van de inwoners van New York was op zijn hoogst in het jaar 2000 en was toen $ 4832. In een rapport van de Bank of America uit 2013 stond dat het gemiddelde maandinkomen pas in

2023 weer op het niveau van het jaar 2000 zou zijn. Je kunt nu, uitgaande van de getekende trendlijn voor de huurprijs en de veronderstelling uit het rapport van de Bank of America, berekenen wat in

2023 de huurlast in New York zal zijn.

Vraag 11 5 punten

Bereken met behulp van deze trendlijn en de genoemde veronderstelling de huurlast in New York in 2023. Geef je antwoord in één decimaal.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerking Bij het aflezen van de huurprijs is een marge van 1% toegestaan.

De Grand Prix van Monaco

Op 19 mei 1996 werd in Monaco de Grand Prix Formule 1 de Monaco gehouden. Deze race staat in de autosport bekend als de race met de meeste uitvallers ooit. Aan deze race namen 22 coureurs deel, van wie er uiteindelijk slechts drie de finish haalden.

Vraag 12 3 punten

Bereken hoeveel verschillende top 3’s er mogelijk zijn in een wedstrijd met 22 deelnemers.

Bekijk het antwoord

Opmerkingen

  • Voor het eerste antwoordelement in beide alternatieven mogen uitsluitend 0 of 2 scorepunten worden toegekend. 22
  • Als een kandidaat gerekend heeft met , voor deze vraag maximaal 3

1 scorepunt toekennen.

De race duurde 75 ronden van 3328 meter en werd gewonnen door de Fransman Olivier Panis.

Panis deed in totaal 2 uur en 45 seconden over de race.

Vraag 13 3 punten

Bereken zijn gemiddelde snelheid. Geef je antwoord in hele kilometers per uur.

Bekijk het antwoord
  • De totale te racen afstand was 75 · 3328 ( = 249 600 m) (of 249,6 km) (1)
  • De totale tijd van Panis was 2 + ( = 2, 0125 ) uur (1)
  • Zijn gemiddelde snelheid was = 124, 0... dus 124 (km/u) (1)

De uitslag van de race staat in de tabel. Bij de uitgevallen coureurs staat aangegeven of ze uitvielen door een ongeluk (O), door technische problemen (T) of door een stuurfout (S).

tabel positie naam positie naam

1 O. Panis - - M. Brundle S

2 D. Coulthard - - G. Berger T

3 J. Herbert - - P. Diniz T

4 H. Frentzen T - R. Rosset S

5 M. Salo O - U. Katayama S

6 M. Häkkinen O - R. Barrichello S

7 E. Irvine O - M. Schumacher O

- J. Villeneuve O - P. Lamy O

- J. Alesi O - G. Fisichella O

- L. Badoer O - J. Verstappen O

- D. Hill T - A. Montermini T

Ondanks dat Frentzen, Salo, Häkkinen en Irvine uitgevallen zijn, hebben ze toch een positie in de eindstand toebedeeld gekregen, omdat ze tenminste 90% van de te racen afstand hebben afgelegd. Deze posities zijn op volgorde van het aantal afgelegde ronden. Als dat aantal gelijk is, wordt gekeken naar wie als eerste over de finish kwam aan het einde van die ronde.

Bij iedere race in een Formule 1-seizoen kunnen de coureurs punten verdienen voor het kampioenschap. Bij de race in 1996 gold de regel dat de eerste 6 coureurs punten kregen, de overige 16 coureurs niet. Het was dus mogelijk dat een uitgevallen coureur toch punten behaalde. In het diagram in de figuur zijn alle mogelijkheden voor de coureurs schematisch weergegeven.

figuur

In dit diagram geldt:

  • A zijn de coureurs die punten hebben behaald.
  • B zijn de coureurs die zijn uitgevallen.
  • C zijn de coureurs die zijn uitgevallen door een ongeluk.
  • D zijn de coureurs die zijn uitgevallen door technische problemen.

Het ingekleurde deel van het diagram kan maar één coureur bevatten.

Vraag 14 2 punten

Leg uit welke coureur dat is.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Het ingekleurde gebied is een coureur die is uitgevallen met technische problemen, maar die wel punten heeft behaald (1)
  • Het antwoord: H. Frentzen (1)

Er is ook één gebied in het diagram dat helemaal leeg blijft bij de race in Monaco.

Vraag 15 2 punten

Geef op de uitwerkbijlage aan welk gebied dat is.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerking Voor deze vraag mogen uitsluitend 0 of 2 scorepunten worden toegekend.

We kunnen de positie van een coureur in het diagram ook beschrijven met behulp van logische symbolen. Er geldt:

  • a: ‘de coureur’ bevindt zich in gebied A.
  • b: ‘de coureur’ bevindt zich in gebied B.
  • c: ‘de coureur’ bevindt zich in gebied C.
  • d: ‘de coureur’ bevindt zich in gebied D. Als bijvoorbeeld ‘de coureur’ zou verwijzen naar een coureur in het ingekleurde gebied, dan geldt a ∧ d .

Vraag 16 2 punten

Beredeneer naar welke coureurs ‘de coureur’ allemaal zou kunnen verwijzen als geldt b ∧ ¬(c ∨ d ) .

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Het gaat om coureurs die uitgevallen zijn, maar niet na technische problemen of een ongeluk (1)
  • Het zijn dus de coureurs die zijn uitgevallen na een stuurfout (of: het zijn M. Brundle, R. Rosset, U. Katayama en R. Barrichello) (1)

Vraag 17 2 punten

Geef in logische symbolen de situatie weer dat ‘de coureur’ verwijst naar M. Schumacher.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Schumacher is uitgevallen na een ongeluk, maar heeft geen punten behaald (1)
  • Het antwoord: c ∧¬a (of b ∧ c ∧ ¬ a ) (of b ∧ c ∧ ¬a ∧ ¬d ) (1)

Padovantafels

Op de foto zie je een zogenoemde foto Fibonaccitafel van de firma NautaBene Design. Het patroon van het tafelblad is geïnspireerd op de rij van Fibonacci: 1, 1, 2, 3, 5, 8, 13, 21,…. Het tafelblad bestaat uit vier vierkanten en een rechthoekig gat. De zijden van de vierkanten verhouden zich als 5 : 8 : 13 : 21. De tafel is 120 cm lang en 74 cm breed.

Vraag 18 3 punten

Bereken de afmetingen van het rechthoekige gat. Je mag hierbij de randen om de vierkanten buiten beschouwing laten. Geef je antwoord in een geheel aantal cm.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

  • De zijden van de grootste drie vierkanten zijn respectievelijk 74 (cm), (120
    • 74 = ) 46 (cm) en ( 74
    • 46 = ) 28 (cm) (1)

Behalve de rij van Fibonacci bestaan er ook andere rijen, bijvoorbeeld de rij van Padovan. In figuur 1 zie je het ontwerp voor een Padovantafel. Het tafelblad bestaat uit zes gelijkzijdige driehoeken met zijden van 2, 2, 3, 4, 5 en 7 dm. In het tafelblad zit een gat. Hier zijn drie gelijkzijdige driehoekjes met een zijde van 1 dm weggelaten.

[figuur 1: zie het originele examen]

Het patroon van het tafelblad is geïnspireerd op de rij van Padovan, een rij getallen die op de volgende manier beschreven kan worden: p1 = 1, p2 = 1, p3 = 1

pn = pn−2 + pn−3 De tweede regel zegt dat p4 = p2 + p1 , p5 = p3 + p2 , enzovoort. Zo ontstaat dus de rij getallen: 1, 1, 1, 2, 2, 3, 4, 5, 7,… Deze rij kan nog verder voortgezet worden.

In figuur 2 zie je nogmaals het ontwerp voor de Padovantafel, waarvan p n de lengte van de zijde van de n-de driehoek is. Bij een zijde van elke driehoek is de bijbehorende term pn uit de rij van Padovan gezet.

[figuur 2: zie het originele examen]

In figuur 2 is te zien dat vanaf p6 het volgende geldt:

p6 = p5 + p1 (1) p7 = p6 + p2 (2) p8 = p7 + p3 (3) enzovoort. Blijkbaar kunnen de Padovan-getallen vanaf p6 ook op deze manier berekend worden.

Vraag 19 2 punten

Geef een recursieve formule (inclusief startwaarden) die bij deze manier hoort.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Een formule als pn = pn−1 + pn−5 (1)
  • De startwaarden p1 = p2 = p3 = 1 en p4 = p5 = 2 (1)

Op grond van de formule pn = pn

  • 2 + pn −3 aan het begin van deze opgave geldt dus: p4 = p2 + p1 (4) p5 = p3 + p2 (5) p6 = p4 + p3 (6p)

Vraag 20 2 punten

Toon aan, door uit te gaan van de formules 4, 5 en 6, dat geldt: p6 = p5 + p1 . Doe dit zonder een getallenvoorbeeld te gebruiken.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

  • p6 = p4 + p3 geeft dan p6 = p2 + p1 + p5
    • p2 = p1 + p5 (1)

De Wisselslag

Zwembad De Wisselslag in Blerick (Limburg) heeft drie binnenbaden, waaronder een wedstrijdbad met een inhoud van 647 m 3, en een buitenbad.

Om een zwembad te vullen kunnen er verschillende types pompen gebruikt worden. Hoe verder een pomp van het zwembad af staat, hoe meer tijd het kost om het zwembad te vullen. In onderstaande figuur is voor vier verschillende pompen de hoeveelheid water die een pomp per uur kan vullen (Q) in m3 per uur uitgezet tegen de afstand van de pomp tot het zwembad (A) in meters.

figuur

Het wedstrijdbad van De Wisselslag wordt gevuld met behulp van een pomp van type SB15 op 8 meter afstand. Als de medewerkers op diezelfde afstand een pomp van type SB20 zouden gebruiken, zou er minder tijd nodig zijn om het zwembad te vullen.

Vraag 21 4 punten

Bereken met behulp van de figuur hoeveel tijd er dan minder nodig zou zijn om het zwembad te vullen. Geef je antwoord in een geheel aantal minuten.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerking Bij het aflezen van Q is een afleesmarge van 0,5 toegestaan.

De grafiek die hoort bij een pomp van type SB10 staat vergroot in de figuur op de uitwerkbijlage. Ook hierin is A de afstand van de pomp tot het zwembad in meters en Q het aantal m3 per uur waarmee het zwembad gevuld kan worden.

Vraag 22 4 punten

Schat met behulp van de figuur op de uitwerkbijlage de waarde van de helling van de grafiek bij A = 10 en leg uit wat de betekenis is van deze waarde. Geef de waarde van de helling in één decimaal.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerking Voor de richtingscoëfficiënt zijn waarden in het interval [ −1, 7;

  • 1,3] toegestaan.

x 1000

Je ziet in de tabel dat in de periode tussen 2003 en 2012 zowel het aantal buitenzwembaden als het aantal bezoekers per buitenzwembad afneemt. Ook het totale aantal bezoekers zal dus vanaf 2003 afnemen.

Vraag 23 3 punten

Onderzoek of het totale aantal bezoekers van buitenzwembaden in de periode tussen 2003 en 2012 exponentieel afneemt.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Berekenen van minimaal drie van de totalen 13 000 000 (in 2003), 11 025 000 (in 2006), 9 675 000 (in 2009) en 6 600 000 (in 2012) (1)
  • Berekenen van minimaal twee van de groeifactoren 11 025 000 9 675 000 6 600 000 = 0,84... , = 0,87... en = 0, 68... (1)
  • De groeifactoren zijn niet gelijk, dus het totale aantal bezoekers neemt niet exponentieel af (1)

Een deskundige beweerde in 2012 dat het zeer waarschijnlijk was dat het aantal buitenzwembaden in de jaren na 2012 zou blijven dalen tot één buitenzwembad per twee gemeenten. In 2019 telde Nederland 355 gemeenten.

Vraag 24 3 punten

Onderzoek met behulp van lineair extrapoleren of de deskundige in 2019 al gelijk heeft gekregen.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Bijvoorbeeld: tussen 2009 en 2012 daalde het aantal buitenzwembaden 25 met = 8,3... per jaar (1)
  • In 2019 waren er dan 200 − 7 · 8,3... dus 142 zwembaden (1)
  • Een passende conclusie (1)

Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen vwo Wiskunde C 2021, tijdvak 1. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2021/vwo/documenten/cse-1/vw-1026-a-21-1-o

Andere examens wiskunde C vwo

Hoe ToetsChecker wiskunde C per vraagtype nakijkt, lees je op wiskunde C toetsen nakijken met AI.

Veelgestelde vragen

Hoeveel vragen heeft het eindexamen wiskunde C vwo 2021, tijdvak 1?

Het centraal examen wiskunde C vwo 2021, tijdvak 1 telt 24 vragen. De meeste vragen gaan over formules en grafieken (10), ruimtemeetkunde (5) en statistiek (3).

Wat zijn de antwoorden van het examen wiskunde C vwo 2021, tijdvak 1?

Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.

Waar vind ik het correctievoorschrift van wiskunde C vwo 2021, tijdvak 1?

Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2021/vwo/documenten/cse-1/vw-1026-a-21-1-c). Bij dit examen hoort ook een aanvulling op het correctievoorschrift.

Hoe oefen ik met het examen wiskunde C vwo 2021, tijdvak 1 en krijg ik feedback?

Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.