Eindexamen wiskunde C vwo 2023, tijdvak 2: vragen en antwoorden

Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Showroom, Het internet der dingen, Fibonacci-klok, Unieke woorden, Examenzitting.

Kort antwoord

Het centraal examen wiskunde C vwo 2023, tijdvak 2 loopt tot vraag 23. Van 21 vragen staat het onderwerp in de vragenbank. De meeste vragen gaan over formules en grafieken (6), statistiek (5) en ruimtemeetkunde (3). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.

Onderwerpen in dit examen

Onderwerp per vraag in het centraal examen wiskunde C vwo 2023, tijdvak 2, voor de vragen waarvan het onderwerp bekend is. Elke vraag is eenmalig door een AI-model bij een onderwerp ingedeeld; per vraag kan dat afwijken.
OnderwerpVragenAantal
Formules en grafieken5-9, 186
Statistiek15-17, 19-205
Ruimtemeetkunde1-33
Rijen10-11, 143
Logisch redeneren21-233
Kansrekening41

Vergeleken met andere jaren

Vergeleken met de andere 17 examens wiskunde C vwo sinds 2018: dit examen vroeg meer over statistiek (24% van de vragen, gemiddeld 11%). Minder over formules en grafieken (29% van de vragen, gemiddeld 41%).

Opgaven en correctievoorschrift

De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.

Oefenen als leerling

Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen wiskunde C vwo 2023, tijdvak 2 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.

Nakijken als docent

  1. Start gratis vanaf deze pagina

    Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen wiskunde C vwo 2023, tijdvak 2 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.

  2. Laat de klas het examen maken

    Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.

  3. Geef de resultaten vrij

    Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.

ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.

Vragen en antwoorden

Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen wiskunde C vwo 2023, tijdvak 2. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.

Showroom

Op de foto zie je de showroom van een autobedrijf in Lochem. De pijl in de foto geeft de voorkant van de showroom aan.

foto

De showroom heeft de vorm van een balk met afmetingen 18 bij 18 bij 2,8 meter met daarbovenop een regelmatige piramide met hetzelfde vierkante grondvlak en hoogte 5,6 meter.

Vraag 1 3 punten

Bereken de inhoud van de showroom. Geef je antwoord in een geheel aantal m3.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • De inhoud van de balk is 18 ·18 · 2,8 ( = 907, 2) (m3) (1)
  • De inhoud van de piramide is 13 ·18 ·18 · 5, 6 (= 604,8) (m3) (1)
  • ( 907, 2 + 604,8 = 1512 dus) de gevraagde inhoud is 1512 (m3) (1)

Een opvallend aspect in het ontwerp van de showroom is dat de opstaande ribben van het piramidevormige dak tot op de grond verlengd zijn. Dat betekent dat de vier ijzeren balken van de top tot aan de grond doorlopen. Links voor op de foto is van een van deze ijzeren balken het deel dat buiten de showroom zit goed te zien.

Op de uitwerkbijlage is de grond aangegeven waarop de showroom is gebouwd.

Vraag 2 3 punten

Teken op de uitwerkbijlage op schaal 1 : 200 het vooraanzicht van de showroom inclusief de ijzeren balken. Laat daarbij ramen, deuren en dergelijke buiten beschouwing.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Het op de grond tekenen van een rechthoek met lengte 9 cm en hoogte 1,4 cm (1)
  • Het hier bovenop tekenen van de gelijkbenige driehoek met hoogte 2,8 cm (1)
  • Het verlengen van de gelijke benen van de driehoek tot op de grond (1)

Op de uitwerkbijlage is het onderste balkvormige deel van de showroom in perspectief getekend. De horizon is ook getekend.

Vraag 3 6 punten

Teken in deze tekening de drie ijzeren balken die zichtbaar zijn. Geef hierbij door middel van punten duidelijk de eindpunten aan van de ijzeren balken op de grond.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

  • Het verbinden van de twee snijpunten en het tekenen van de top van de piramide op hoogte twee maal de lengte van het lijnstuk tussen de twee snijpunten, gemeten vanaf het bovenvlak van de balk (1p)

Het internet der dingen

Tegenwoordig zijn er steeds meer apparaten die via het internet met elkaar in verbinding kunnen staan. Denk bijvoorbeeld aan smartphones en smartwatches maar ook aan de ‘slimme’ deurbel en thermostaat, enzovoorts.

Als bijvoorbeeld vier apparaten A, B, C en D volledig onderling met elkaar verbonden zijn

  • dat wil zeggen dat ieder apparaat met ieder ander apparaat verbonden is
  • dan zijn daar zes verbindingen voor nodig. In figuur 1 wordt dit geïllustreerd, waarbij de lijnen de onderlinge verbindingen voorstellen.

[figuur 1: zie het originele examen]

Vraag 4 3 punten

Bereken het minimale aantal onderling volledig verbonden apparaten waarbij er meer dan honderd verbindingen nodig zijn.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

  • Het inzicht dat het aantal verbindingen bij n apparaten gelijk is aan

1 n ( n

  • 1) (1) 2
  • Beschrijven hoe de vergelijking 12 n( n
    • 1) = 100 kan worden opgelost (1)
  • (Bij één apparaat zijn er 0 verbindingen, bij twee apparaten is er 1 verbinding nodig, bij drie apparaten zijn dat er 3, bij vier apparaten zijn dat er 6, … dus) het aantal verbindingen dat erbij komt als er een apparaat aan het netwerk wordt toegevoegd, is steeds één meer dan bij het vorige apparaat dat werd toegevoegd (of voor het aantal verbindingen dat erbij komt als er een apparaat aan het netwerk wordt toegevoegd, geldt de rij 1, 2, 3, …) (1p)

Opmerking Als in het eerste antwoordalternatief slechts een van de eerste twee antwoordelementen genoemd is, voor deze vraag maximaal 2 scorepunten toekennen.

Elk apparaat dat met het internet verbonden is, heeft zijn eigen, unieke IP-adres nodig. IP-adressen kunnen worden geschreven als acht groepen van vier zogeheten hexadecimale cijfers, gescheiden door dubbele punten. Hiervoor worden de gewone cijfers 0 tot en met 9 uitgebreid met de cijfers A (=10) tot en met F (=15). Dus A tot en met F zijn in deze toepassing ook cijfers en géén letters.

voorbeeld van een geldig IP-adres: 2001:0DB8:85A3:0000:1319:8A2E:0370:7344

Vraag 5 3 punten

Bereken hoeveel IP-adressen er theoretisch mogelijk zijn. Geef je antwoord in de vorm a · 10b met a in één decimaal en b als geheel getal.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Er zijn (10 + 6 =) 16 hexadecimale cijfers en een IP-adres bestaat uit (8 · 4 =) 32 hexadecimale cijfers (1)
  • Dus het aantal IP-adressen is 16 (1)
  • Het antwoord: 3, 4 ·1038 (IP-adressen) (1)

Het totaal aantal apparaten (‘dingen’) die via internetverbindingen met andere apparaten of systemen in contact staan en daarmee gegevens uitwisselen, wordt het internet der dingen genoemd. Het internet der dingen wordt afgekort tot IoT (naar het Engels: Internet of Things).

In figuur 2, uit een internet-artikel uit november 2013, gaat men uit van 31% jaarlijkse groei van het IoT.

[figuur 2: zie het originele examen]

De grafiek in figuur 2 uit het internet-artikel en de aanname van 31% jaarlijkse groei uit datzelfde artikel spreken elkaar tegen.

Vraag 6 2 punten

Leg uit waar dit uit blijkt.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

  • Bij een vast groeipercentage zou het aantal verbonden apparaten in

2013 gelijk zijn aan 1, 31 · 9 = 11, 79 (miljard) (1)

  • Dat is minder dan de 17 (miljard) in de grafiek, dus de grafiek en de aanname spreken elkaar tegen (1p)

Opmerking In het tweede antwoordalternatief is bij het aflezen een marge van 1 miljard toegestaan.

Vraag 7 4 punten

Bereken na hoeveel hele weken het IoT verdubbeld is bij 31% jaarlijkse groei.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

  • De groeifactor per week is 1, 3152 ( = 1, 005...) (1p)
  • 1, 005...133 = 1,9... (1p)

De 31% jaarlijkse groei uit het eerder genoemde internet-artikel is inmiddels naar beneden bijgesteld. In figuur 3 zie je hoe het IoT zich volgens een ander onderzoek sinds het jaar 2015 ontwikkelt. Hierin zijn de gegevens voor de jaren na 2018 voorspelde gegevens. De trendlijn is gestippeld weergegeven.

[figuur 3: zie het originele examen]

In december 2015 was de omvang van het IoT 15,41 miljard apparaten. In december 2025 is dit (volgens de voorspelling) 75,44 miljard. Ook volgens de gegevens in figuur 3 groeit het IoT bij benadering met een vast percentage per jaar.

Vraag 8 3 punten

Bereken dit percentage met behulp van de gegevens van de jaren 2015 en 2025. Geef je antwoord in één decimaal.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • 75, 44 • De (groei)factor (over 10 jaar is) (= 4,895...) (1) 15, 41 De (groei)factor per jaar is ( 4,895...) 10 1 • (1) Het antwoord: ( ( 4,895...) = 1,1721... , dus) 17,2 (%) 1 • (10) 1 (3)

De trendlijn in figuur 3 kan benaderd worden met de volgende formule: I = 14,7 ·1,17t Hierin is I de omvang van het IoT in miljarden en t de tijd in jaren met t = 0 in december 2015. Veronderstel dat de formule voor I ook na 2025 geldt.

Vraag 9 4 punten

Bereken met behulp van de formule voor I in welk jaar het IoT voor het eerst meer dan drie keer zo veel apparaten zal bevatten als eind 2025.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

  • t = 17,3... dus in 2033 (1p)

Fibonacci-klok

Op internet is een bijzondere klok te koop: foto de Fibonacci-klok. Zie de foto.

De klok is gebaseerd op een bekende wiskundige rij: de rij van Fibonacci. Van deze rij zijn de eerste tien termen de getallen:

1

  • 1
  • 2
  • 3
  • 5
  • 8
  • 13
  • 21
  • 34
  • 55

Op de foto zie je dat de klok uit vijf vierkanten bestaat. Deze vierkanten stellen de getallen uit de rij van Fibonacci voor. Dit is ook in onderstaande figuur weergegeven.

figuur

De getallen in de figuur geven een maat voor de lengte van de zijden van de vierkanten in de figuur aan.

Vraag 10 2 punten

Bereken hoeveel keer zo groot de oppervlakte van het grootste vierkant is als de oppervlakte van het op één na grootste vierkant. Geef je antwoord in één decimaal.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • (De zijde van het grootste vierkant is 5, dus) de oppervlakte van het grootste vierkant is 25 en de oppervlakte van het op één na grootste vierkant is 9 (1)
  • Het antwoord: ( 25 9 = 2, 77... dus ongeveer) 2,8 (keer zo groot) (1)

Achter elk van de vierkanten zitten drie lampjes verborgen: een rood, een groen en een blauw. Van deze lampjes brandt er steeds hooguit één. Hierdoor zijn er voor elk vierkant 4 mogelijkheden: het vlak staat ‘uit’, óf het vlak heeft een kleur: rood, groen of blauw. Met behulp van deze kleuren kun je de tijd aflezen.

De klok werkt volgens de 12-uurs-notatie. Daarbij wordt 12.00 weergegeven als 0.00. Elke 5 minuten verspringt de klok. Als de werkelijke tijd bijvoorbeeld 14.50 of 14.53 is, geeft de klok op beide tijdstippen 2.50 weer.

De klok heeft veel meer standen dan dat er tijden zijn die de klok kan weergeven.

Vraag 11 4 punten

Bereken hoeveel keer zo veel. Geef je antwoord als geheel getal.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • In totaal heeft de klok 45 = 1024 standen (1)
  • De klok kan 12 verschillende uren aangeven en er zijn bij elk uur 12 verschillende standen voor de minuten (omdat er alleen maar vijfvouden aangegeven kunnen worden) (1)
  • De klok kan dus 12 × 12 = 144 verschillende tijden aangeven (1)
  • Het antwoord: ( 1024 144 = 7,1... dus) 7 keer zo veel (1)

Je kunt de tijd op de klok als volgt aflezen:

  • Tel de waarden van getallen in de blauw gekleurde en de rood gekleurde vierkanten bij elkaar op. Dat zijn de uren.
  • Tel de waarden van getallen in de blauw gekleurde en de groen gekleurde vierkanten bij elkaar op en vermenigvuldig de uitkomst met 5. Dat zijn de minuten. De blauw gekleurde vierkanten tellen dus bij zowel de uren als de minuten mee. In tabel 1 zie je een manier om met alleen maar rood en groen gekleurde vierkanten de tijd 7.25 weer te geven. [tabel 1: zie het originele examen] vierkant 1 1 2 3 5 kleur rood rood rood rood groen Op een bepaald moment branden de lampjes op de klok zoals in tabel 2 is weergegeven. [tabel 2: zie het originele examen] vierkant 1 1 2 3 5 kleur blauw
  • (uit) groen rood rood

Vraag 12 3 punten

Bereken welke tijd de klok volgens tabel 2 weergeeft.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Voor de uren geldt (1 + 3 + 5 =) 9 (1)
  • Voor de minuten geldt (1 + 2 =) 3 (1)
  • Het antwoord: 9.15 (of 21.15) (1)

Op deze klok kunnen veel tijden op meer dan een manier worden weergegeven. In tabel 3 staan twee verschillende manieren om de tijd 7.25 weer te geven. [tabel 3: zie het originele examen] vierkant 1 1 2 3 5 kleur rood rood rood rood groen kleur

  • (uit)
  • (uit) rood
  • (uit) blauw

Vraag 13 4 punten

Geef nog twee andere manieren om de tijd 7.25 weer te geven.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voor elke correct gegeven mogelijkheid (2)

Opmerking Voor iedere gegeven mogelijkheid kunnen uitsluitend 0 of 2 scorepunten worden toegekend.

Iemand wil een vergelijkbare Fibonacci-klok met groene, rode en blauwe lampjes maken, die de werkelijke tijden op de minuut nauwkeurig kan weergeven in de 24-uurs notatie (dus van 0.00 tot en met 23.59). Die klok moet dan aan twee eisen voldoen:

1 Het grootst mogelijke getal moet een optelling zijn met als uitkomst (minstens) 59.

2 Alle getallen van 0 t/m 59 moeten kunnen worden gevormd. Om zo’n klok te maken, moeten er aan de klok uit de figuur vierkanten worden toegevoegd die Fibonacci-getallen voorstellen.

Vraag 14 4 punten

Onderzoek welke opeenvolgende getallen uit de rij van Fibonacci dan minimaal aan de klok moeten worden toegevoegd en licht toe dat de klok dan inderdaad aan beide eisen voldoet.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerking Als een kandidaat niet toelicht hoe de waarden 13 tot en met 59 voor de minuten kunnen worden gemaakt, kan voor deze vraag maximaal

1 scorepunt worden toegekend.

Unieke woorden

Teksten bestaan uit woorden (en leestekens, maar die laten we in deze opgave buiten beschouwing). Deze woorden zijn niet allemaal verschillend. Dat wil zeggen dat ze niet allemaal uniek zijn. Hoe meer unieke woorden je naar verhouding tegenkomt, hoe moeilijker de tekst is.

In deze opgave kijken we naar het percentage unieke woorden in een tekst. Dit percentage wordt bepaald aan de hand van twee grootheden:

U: het aantal unieke woorden in een stuk tekst; T: het totaal aantal woorden in dat stuk tekst.

We bekijken de eerste twee zinnen van deze opgave:

Teksten bestaan uit woorden (en leestekens, maar die laten we in deze opgave buiten beschouwing). Deze woorden zijn niet allemaal verschillend.

Vraag 15 2 punten

Bepaal het percentage unieke woorden in de eerste twee zinnen van deze opgave samen. Geef je antwoord als geheel getal.

Bekijk het antwoord
  • T = 21 en U = 19 (‘woorden’ en ‘deze’ komen twee keer voor) (1)
  • ( 19 21 ·100 = 90, 4... dus) het gevraagde percentage is 90 (1)

Van het boek On The Origin of Species van Charles Darwin is het verband tussen U en T bepaald. Zie figuur 1.

[figuur 1: zie het originele examen]

In figuur 1 is op beide assen een logaritmische schaal gebruikt. De gestippelde lijn geeft een benadering van het verband tussen U en T. Figuur 1 staat ook vergroot op de uitwerkbijlage.

On The Origin of Species bevat in totaal 191 740 woorden en er komen

8842 unieke woorden in voor. Naarmate je verder leest, kom je steeds minder nieuwe unieke woorden tegen. Als je een kwart van dit boek hebt gelezen, ben je al meer dan de helft van het totaal aantal unieke woorden tegengekomen.

Vraag 16 5 punten

Bereken met behulp van de gestippelde lijn in de figuur op de uitwerkbijlage hoeveel procent van het totaal aantal unieke woorden je dan al bent tegengekomen. Geef je antwoord als geheel getal.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerkingen

  • Bij het aflezen is een marge van 1 mm toegestaan.
  • Als de kandidaat geen gebruikmaakt van de logaritmische schaal op (een van) de assen, voor deze vraag maximaal 2 scorepunten toekennen.

De taalkundige Gustav Herdan ontdekte een algemeen verband tussen U en T voor grotere teksten. Dit verband werd door Harold Stanley Heap bekendgemaakt en wordt de wet van Herdan-Heap genoemd.

De internationale nieuwsdienst Reuters heeft een database

  • de zogeheten RCV1
  • beschikbaar gesteld ten behoeve van taalonderzoek. Onderzoekers hebben voor RCV1 het verband tussen U en T bepaald. Zie figuur 2, waarin log(U ) tegen log(T ) is uitgezet.

[figuur 2: zie het originele examen]

De grafiek in figuur 2 geeft het werkelijke verband tussen U en T in RCV1 en de gestippelde lijn geeft een benadering volgens de wet van Herdan- Heap.

Iemand leest een tekst die bestaat uit de eerste 7432 woorden uit RCV1.

Vraag 17 2 punten

Ga met behulp van figuur 2 na of deze tekst voldoet aan de wet van Herdan-Heap.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • 7432 < 10 000 (of: log(7432) = 3,8... ) dus je moet links van de waarde log(T ) = 4 kijken (1)
  • Daar liggen de grafiek en de stippellijn uit elkaar, dus de tekst voldoet niet aan de wet van Herdan-Heap (1)

Een formule voor de gestippelde lijn in figuur 2 is log(U ) = 0, 49 log(T ) + 1, 64

Vraag 18 3 punten

Benader met behulp van deze formule het aantal unieke woorden in de eerste 1 000 000 woorden in RCV1. Geef je antwoord in duizenden.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • De vergelijking log(U ) = 0, 49 log(1000 000) + 1, 64 moet worden opgelost (1)
  • Beschrijven hoe deze vergelijking kan worden opgelost (1)
  • ( U = 38 018,... dus) het gevraagde aantal is 38 000 (1)

De formule log(U ) = 0, 49 log(T ) + 1, 64 kan geschreven worden als U = 43,65 · T 0,49 .

Stel nu dat je RCV1 in zijn geheel gaat lezen. Als je dan drie keer zo ver bent gekomen, wil dat niet zeggen dat je ook drie keer zo veel unieke woorden bent tegengekomen. Met behulp van de formule U = 43,65 · T 0,49 kun je berekenen hoeveel procent meer unieke woorden je dan wel bent tegengekomen.

Vraag 19 4 punten

Bereken dit percentage. Geef je antwoord als geheel getal.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Een passend getallenvoorbeeld, bijvoorbeeld T = 100 000 en T = 300 000 (1)
  • T = 100 000 geeft U = 12 302 en T = 300 000 geeft U = 21 075 (1)
  • 12 302 = 1, 713... (1)
  • Het gevraagde percentage is 71 (1)

Examenzitting

Om ervoor te zorgen dat tijdens een zitting van een centraal examen alles eerlijk en in heel Nederland zo gelijk mogelijk verloopt, zijn er strikte regels.

Hieronder zie je een voorbeeld van een aantal regels die in het examenreglement van een school in Nederland opgenomen zijn.

Gang van zaken tijdens zittingen van het centraal examen 1. Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat het nodige toezicht bij het centraal examen wordt uitgeoefend. … 7. Een kandidaat die te laat komt, mag tot uiterlijk een half uur na de aanvang van de zitting worden toegelaten. (Hij/zij levert zijn werk in op het tijdstip dat voor de andere kandidaten geldt.) 8. Het eerste uur van de zitting mag de kandidaat geen werk inleveren of het examenlokaal verlaten. 9. Gedurende het laatste kwartier mag de kandidaat geen werk inleveren en het examenlokaal niet verlaten.

In deze opgave laten we het recht op tijdverlenging, dat voor een aantal kandidaten geldt, buiten beschouwing. Ook gaan we ervan uit dat alle kandidaten op tijd komen.

De zitting van het centraal examen vwo wiskunde C duurt 180 minuten.

Vraag 20 2 punten

Bereken hoeveel procent van de tijd kandidaten het examenlokaal mogen verlaten. Geef je antwoord in hele procenten.

Bekijk het antwoord
  • (60 + 15 =) 75 (minuten) mag niemand weg (1)
  • ( ·100(%) = 58,3...(%) , dus) het gevraagde percentage is 58 (1)

We voeren de volgende notaties in:

  • H: het eerste halfuur van de examenzitting is bezig;
  • U: het eerste uur van de examenzitting is bezig;
  • K: het laatste kwartier van de examenzitting is bezig.

Op de uitwerkbijlage is een begin gemaakt van een Venn-diagram van een examenzitting. De rechthoek stelt de hele examenzitting voor en het gebied voor U is hierin al getekend.

Vraag 21 2 punten

Vul het Venn-diagram op de uitwerkbijlage op de juiste wijze aan met de gebieden voor H en K.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Het tekenen en benoemen van een gebied voor H volledig binnen het gebied voor U (1)
  • Het tekenen en benoemen van een gebied voor K volledig buiten het gebied voor U en volledig binnen de rechthoek (1)

Let op: de laatste vragen van dit examen staan op de volgende pagina.

Verder voeren we de volgende notaties in:

  • V: de kandidaat mag de zaal verlaten;
  • I: de kandidaat mag zijn/haar werk inleveren.

Johan vertaalt regel 8 met de volgende formule: U ⇒ (¬ I ∨ V) . Dit is echter niet de bedoeling van regel 8, want de bedoeling van regel 8 is dat de kandidaat het eerste uur van de examenzitting geen werk mag inleveren en het examenlokaal niet mag verlaten.

Als de formule van Johan juist zou zijn, kunnen er twee situaties optreden die niet de bedoeling zijn van regel 8.

Vraag 22 3 punten

Geef de vertaling van de formule van Johan en geef vervolgens de twee situaties die volgens deze formule kunnen optreden, maar niet de bedoeling zijn van regel 8.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • De vertaling van Johan is ‘als het eerste uur van de examenzitting bezig is, dan mag de kandidaat zijn werk niet inleveren of (de kandidaat mag) de zaal verlaten’ (1)
  • Situatie 1: (het eerste uur is bezig en) de kandidaat levert zijn werk niet in en verlaat het examenlokaal (1)
  • Situatie 2: (het eerste uur is bezig en) de kandidaat levert zijn werk in en verlaat het examenlokaal (1)

Voor het laatste onderdeel gaan we ervan uit dat regel 8 luidt: "Het eerste uur van de zitting mag de kandidaat geen werk inleveren én het examenlokaal niet verlaten."

Volgens regels 8 en 9 geldt voor het eerste uur en het laatste kwartier precies hetzelfde. Door middel van één logische bewering over U, K, V, en I kunnen regels 8 en 9 tegelijkertijd beschreven worden.

Vraag 23 3 punten

Noteer deze bewering met behulp van logische symbolen.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerking Als de kandidaat in het laatste antwoordelement geen haakjes zet, hiervoor geen scorepunten in mindering brengen.

Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen vwo Wiskunde C 2023, tijdvak 2. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2023/vwo/documenten/cse-2/vw-1026-a-23-2-o

Andere examens wiskunde C vwo

Hoe ToetsChecker wiskunde C per vraagtype nakijkt, lees je op wiskunde C toetsen nakijken met AI.

Veelgestelde vragen

Hoeveel vragen heeft het eindexamen wiskunde C vwo 2023, tijdvak 2?

Het centraal examen wiskunde C vwo 2023, tijdvak 2 loopt tot vraag 23. Van 21 vragen staat het onderwerp in de vragenbank. De meeste vragen gaan over formules en grafieken (6), statistiek (5) en ruimtemeetkunde (3).

Wat zijn de antwoorden van het examen wiskunde C vwo 2023, tijdvak 2?

Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.

Waar vind ik het correctievoorschrift van wiskunde C vwo 2023, tijdvak 2?

Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2023/vwo/documenten/cse-2/vw-1026-a-23-2-c). Bij dit examen hoort ook een aanvulling op het correctievoorschrift.

Hoe oefen ik met het examen wiskunde C vwo 2023, tijdvak 2 en krijg ik feedback?

Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.